Handen los

door Leen Mortier

Handen los!”, riep mijn vader, zo krachtig dat het dier dacht dat het extra aangemoedigd werd en het maakte wilde bokkensprongen. Ik probeerde me krampachtig vast te houden aan de singel. “Handen los’ schreeuwde mijn vader opnieuw, met overslaande stem. Met een kreet van schrik rolde ik het zand in. Het paard kwam op stap en brieste tevreden. Met wiegend hoofd scheerde het langs de grond, snuivend.

“Ik heb je niet gezegd af te stijgen. Terug erop!”

Flashy Rock, een bonte grijs-zwarte Apallooza-ruin van net geen vier jaar, liep ondertussen rustig aan de longe verder. Bekeek dat paard mij nu spottend?

Een half jaar eerder stond hij nog in het onderste ruim van een oceaankruiser tussen soortgenoten, zijn geboorteland ver achter zich. De Amerikaanse steppe zou hij inruilen voor Vlaamse grond. Mijn vader kocht hem van de neef van Jacques Brel die er horseball wou mee spelen, Apalloozas zijn immers uiterst wendbare paarden.

Té wendbaar ontdekte ik tot eigen scha en schande. Tot grote ergernis van die niet zo bekende Brel-telg bleek deze Flashy te wild, en zelfs te groot. De man raakte amper de grond met zijn stick. Dus: hij verkocht het dier aan mijn vader die er als paardenkenner — hij was rij-instructeur bij de Rijkswacht en lid van de Cavalerie — onmiddellijk een prachtexemplaar in zag.

“Benen, geef benen. Lichaam naar achter. Trek niet aan de teugels.” Ik hoorde noch zag niets meer. Een klap van de zweep in het zand. Ik verzon de striemende beet van het leder doorheen de linnen vest over mijn rug. Opnieuw een knal achter mij, en Flashy zocht zijn heil over de hindernis heen. Ik hoorde een luide “godverdomme” maar het kon me niet schelen. Ik zat nog altijd op de rug van mijn paard en daar ging het om. Niet voor lang. We renden holderdebolder de weide rond en ik maakte tijdens de zegesprongen van het paard een reisje richting middelpunt van de aarde.

Nog tweemaal heeft Flashy me van zijn rug gekregen. Daarna was hij een uitstekend, krachtig en vriendelijk dier.

***

Jaren later.

“Over een kwartier moeten jullie bij de manege staan. Anders krijg je de kans niet meer om nog een paard te huren.” Ik ben goed geluimd, samen met een paar vrienden-ruiters zullen we een lange wandeling maken. Het belooft een prachtige dag te worden.

“Vooruit, op stap”. De eerste zwaluwen hebben hun nesten in de stallen teruggevonden. Ik wijs enthousiast naar een charmante boerderij met aanpalend weiland waar tien paarden rustig staan te grazen. Ik onderdruk een zucht en kijk naar de zonnestralen die de kruinen van de bomen doen oplichten.

Mijn vriendin Gaby kijkt me vragend aan. Ik vind geen woorden die mijn gedachten kunnen vertalen. Onwillekeurig denk ik aan de overvolle metro waar ik dagelijks op stap, aan de geur van natte regenjassen en de door ochtendhumeur vertekende gezichten.

We rijden richting Bosvoorde, het Zoniënwoud in, tot aan de kapel van de “Welriekende” in Hoeilaart. Flashy snuift luidruchtig de boslucht in en hinnikt vrolijk naar een paar verwaaide wandelaars. Ik leg mijn armen om de gespierde nek van mijn geliefde viervoeter. Wat ruikt hij lekker.

De lucht betrekt bijzonder snel. In de verte kraakt de donder en het onweer kondigt zich met veel geweld aan. De paarden worden onrustig. Sultane, het manegepaard dat mijn vriendin gehuurd had, wringt zich tussen Flashy en zijn buur Olifat door en geeft een nijdige beet in mijn richting. Ik krijg een duw tegen de knie, er haakt een voet achter de mijne, en Gaby gaat tegen de vlakte. Een hoef komt juist naast haar hoofd terecht. Ik voel een vreselijke pijn in mijn knie en blijf met veel moeite aan de zijkant van mijn paard hangen. Flashy Rock vermindert onmiddellijk vaart, recht zijn rug, gaat over in stap en we komen tot stilstand. De eerste regendruppels spoelen het angstzweet van onze gezichten. Ik hef mij terug in het zadel, streel hem zacht over zijn gespikkelde nek. Ik fluister “dank je, jongen” terwijl ik de schade probeer op te nemen. Niemand is gewond.

***

December, het is koud. Mijn paard en ik zijn alleen op stap. Ik voel het warme lijf van mijn paard. Het is muisstil. Onze dampende adem blijft als mistwolkjes boven de dijk hangen. Beneden links onder ons kabbelt de Zenne, rechts uitgestrekte velden. Er is nergens iemand te zien.” Het braakliggend veld waar aardappelen gestaan hebben, reikt tot aan het bos. Het verdroogde aardappelloof is wit bevroren en de lage zon tovert de rijm vol zilveren parels en slingers. “Daar wil je zeker doorwandelen hé Flashy. Dat gaat lekker kraken.” Het paard blaast de lucht uit zijn longen en laat zijn neusvleugels trillen.

Heel even bekijkt hij wantrouwig de helling en blijft twijfelend staan tot hij door mijn handklap op zijn achterwerk de berm in twee tijden afspringt.

In de verte blaft een hond, een rij mannen in fluovest steekt in één rechte rij het veld over. Jagers. Ze dragen een open geweer over de schouder. Een haas die onraad geroken had, schiet voor ons zijn hol uit en zigzagt door het veld, de bosrand in. We besluiten het dier te volgen, weg uit het open veld. Weg van dat machogedoe.

***

Het dichte struikgewas belemmert ons te vorderen. Luid protesterend vliegt een fazantenhaan op, een schot, en ik hoor iemand “apporte, apporte” roepen. Geritsel naast ons, een hond komt het groen uit, besnuffelt Flashy’s staart, aarzelt even en duwt dan zijn snuit in de heester om er triomfantelijk met een dode prooi uit tevoorschijn te komen. Er wordt nu van alle kanten geschoten. Flashy is in paniek en begin te hinniken. Het geluid van een jachthoorn smoort zijn kreet. Het paard trilt over zijn hele lichaam, “Rustig, rustig” fluister ik in zijn oor. Hij trappelt ter plaatse, trekt aan de teugels, wil er van door. Mijn maag krimpt ineen, ik weet dat hij bij een volgend schotensaldo op hol zal slaan. Ik moet me rustig houden, langzaam ademen, hem met mijn stem kalmeren. Plots klinkt er een schot van heel dichtbij, Flashy steigert. Ik klem mijn armen rond zijn hals. “Alles komt in orde, we komen hier uit.” Ik probeer de trilling in mijn stem te verdoezelen. Flashy’s hele lichaam is kletsnat van de stress, door de vrieskou lijken we wel in een stoombad te zitten. Mijn hart hamert in mijn keel, langzaam maan ik hem aan om verder te gaan, hij draait zijn hoofd naar mij, kijkt me aarzelend aan. Ik klop hem zachtjes op zijn flank. We naderen een muur van struiken, we wringen ons doorheen het dichte gewas, volgen een smalle gang doorheen het groen. De grijpgrage armen van de braamstruiken blijven aan mijn broek kleven. Niet definieerbare geluiden rechts van ons, neen, daar in de bramen! Toch geen vos alsjeblief! Achter ons braakt een geweer en hoor ik alweer “apporte, apporte”. Ik beslis niet te schreeuwen om Flashy niet nog meer te doen schrikken.

“We zijn er bijna, kom, vooruit.” Een twijg zwiept in mijn gezicht.

“Niet beginnen lopen, rustig stappen Flash”. Het paard trekt opnieuw aan de teugels, wil zijn nek strekken, ik laat hem begaan. Langs hoge varens worstelt Flashy zich een weg naar de open velden. De begroeiing wordt minder dicht, de klaarte buiten het bos duidt de bosrand aan. Langs een grote laar aan beide zijden omringd door donkere sparren zie ik bieten en chicoreivelden. Eindelijk! We zijn er.

Totaal bezweet komen we het bos uit. Ik ben doodmoe en laat me voorover zakken op Flashy’s nek. “Naar huis, kom, breng me maar terug”.

***

De stal is warm en ruikt naar vers stro. De bussel hooi kriebelt aan mijn armen. Flashy duwt zijn hoofd tegen mijn rug alsof hij me wil aanmanen: “Vooruit, vlugger, ik heb honger” . Ik krijg de tijd niet om de emmer met appels in de voederbak te gooien. Een appel verdwijnt met één hap in zijn gretige mond, het schuim druppelt tussen zijn lippen en zijn hoofd verdwijnt haast helemaal in de stroperige emmer. Een beloning voor zijn heldenmoed. “Hey, gulzigaard”, hij stopt met knabbelen.

Puur met het licht van zijn ogen houdt hij mij gevangen.


Leen Mortier werkt al 35 jaar voor het Departement Onderwijs en Vorming. Sinds een aantal jaren is ze verantwoordelijk voor de organisatiecultuur van het Departement. Ze bouwde haar verhaal op rond “vertrouwen”. Voor haar is deze waarde de bindende factor. Vertrouwen impliceert immers openheid, en iemand vertrouwen geven, stimuleert de daadkracht en wendbaarheid.


Dit is een van de literaire verhalen die negen collega’s begin 2016 schreven over de vier waarden van de Vlaamse overheid: openheid, wendbaarheid, daadkracht en vertrouwen. Lees hier alle verhalen: