“Het kan zijn dat we broers zijn, niettegenstaande alles. We zullen zien.” *

door Lutgart Spaepen

Het is iets over middernacht. Een heel heldere meinacht.

Ik stap mijn woonkamer binnen na een verjaardagsdiner bij Anne. Terwijl ik nog na-mijmer over de leuke avond, gaat de telefoon over. Ik neem op: het is Paolo, mijn baas, de consul-generaal. ‘Luti, ik ben over 15 minuten bij jou beneden aan de deur. We moeten aan het werk!”. “Maar, Paolo, het is voorbij middernacht?”. “Weet ik, zet je radio aan: E’ la guerra…”

Ik hoor ondertussen Margaret Thatcher fulmineren: “ This is an act of war. We will investigate how this could have happened. In Britain it would never happen”.

Beetje bij beetje dringt tot me door wat er aan het gebeuren is: Dit gaat niet over de Falklands. Ik was helemaal vergeten dat er een match tussen Liverpool en Juventus op de Heizel was…

Ondertussen ben ik al met Paolo onderweg naar Brussel. Achter in de wagen zit Susanna, zijn vrouw. “We gaan handen te kort komen, dus ik heb Susanna meegevraagd. Ze heeft me ook in Buenos Aires geholpen toen al die jonge Argentijnen asiel zochten in onze ambassade. Jullie zijn vanaf nu mijn twee rechterhanden: ik vertrouw enkel op jullie”.

De radio blijft rampzalig nieuws spuwen. We naderen Zaventem. Paolo zegt: “De ambassadeur stuurt ons naar Neder-over-heembeek … omdat jij de enige Nederlandstalige bent … Alle andere collega’s zijn onderweg naar de verschillende ziekenhuizen in Brussel”.

Wanneer we de slagbomen passeren, besef ik: Dit is een militaire zone. Hier moeten dus de ergste gevallen zijn heen gebracht. Brandwondencentrum? Nee, we gaan naar -1: mortuarium … dan gaat alles snel. Briefing, wetsdokters, gewelddadige dood, identificatie, familieleden. “ Luti, jij bent de tolk van dienst.” Op school tolkte ik speeches van Delors, budgetbesprekingen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Maar dit, als beginnende werkkracht …

Een jonge milicien komt binnen. “Dag, ik ben Marco. Ik ben pas drie weken in dienst, maar ik kom uit Genk en ik spreek een paar woorden Italiaans”. Marco wordt mijn rechterhand: één vingerknip: glas water, koffie, een deken. “Marco, ik heb het koud”. “Ja, logisch, de frigo’s zijn daar…”

Wetdokters in blauwe pakken en witte maskers. Een vader en grootvader, volledig overstuur, bang ook: ze deden al alle ziekenhuizen aan. Dit is hun laatste hoop.

“Mi dispiace, ma deve confermarlo: e’ davvero Giulio, tuo figlio?”. Daarna brengt Marco hen weg, naar het Rode Kruis.

Nu wordt een hele groep binnengeleid. Het vliegtuig met de nabestaanden is op Melsbroek geland. Eén voor één ga ik met hen mee naar binnen. De wetsdokter waarschuwt me. “Verstikking is het ergste. Ook voor ons. Altijd opnieuw.” Zo gaat het 32 keer. 48 uur aan één stuk door.

“Kom, de dokter zegt dat jij en Susanna nu moeten slapen”. Marco voert ons naar de materniteit: daar staan twee bedden voor ons klaar. “Een uurtje”. Er staan aan de deur twee MPs op wacht. Om ons tegen onszelf te beschermen. Susanna geeft me een flesje 4711. “Ti farà bene!”…. Ik weet niet of ik geslapen heb…

De tocht terug door de gangen, naar de telefoniekamer. “Dit is de lijst. 32 Italianen en 1 Ierse jongen”. Ik begin mee telefoons aan te nemen. 
Een bekende stem… die Italiaanse advocate uit Knokke… ”Kan je mij garanderen dat de Italianen door Italianen geholpen worden?”. “Ja, mevrouw, ik garandeer dat ze geholpen worden”. Na 48 uur ellende ben ik zelfs in staat om dat te antwoorden.

Ik neem een andere lijn op. “Do you speak English?” Een vrouw. Gebroken, dunne stem, heel aarzelend. “yes, madam, can I help you?”. “My son David…” Ondertussen zie ik DAVID op de lijst staan…

Maar dan, ineens, voel ik een paar handen naar mijn keel grijpen. Marco duwt kordaat een man van me weg en neemt de telefoon over. De man is Franco, één van mijn rechtstreekse chefs. Hij bijt me nog snel toe: “Jij ben hier voor onze Italianen, niet voor die smerige Engelsen…”

Marco’s commandant doet me nu drie keer herhalen: “als ik Engels hoor praten zeg ik niks, maar geef ik de telefoon door aan Marco”.

Om 16 uur, in de brandende zon, vertrekken 32 lijkkisten, één voor één, traag, met de Italiaanse driekleur, in militaire escorte naar de C130s op Melsbroek. Een beeld dat ik jaren lang zal blijven terug zien … in slapeloze nachten na de zoveelste beelden van een of andere ramp ergens in de wereld.

Susanna en Paolo brengen me naar huis. “We deden een helse job. Maar ik wist dat je dit aan kon. Grazie!”.

Ik open mijn deur. Dan neem ik een douche en zoek ik in mijn platenkast naar Bach… Ich habe genug… ik ga in de zetel liggen en probeer mijn ogen te sluiten.

Volgende week is daar Franco weer op kantoor…

(*) Citaat van Chief Seattle, een SIOUX opperhoofd, die in 1854 een opmerkelijke brief schreef aan Benjamin Franklin waarin hij aandacht vroeg voor broederlijkheid onder alle Amerikanen, ook de Indianen.


Dit is een van de literaire verhalen die negen collega’s begin 2016 schreven over de vier waarden van de Vlaamse overheid: openheid, wendbaarheid, daadkracht en vertrouwen. Lees hier alle verhalen: