Linda

door Maarten De Gendt

Ze staarde met grote ogen naar het scherm. Haar vingers trilden terwijl ze het mailvenster dicht klikte, en weer opende. Ze stonden er nog steeds, de letters die als een bom in haar gezicht waren ontploft. Over een maand was ze geen diensthoofd meer, zei de bom. Over een maand was ze van geen tel meer, overbodig. Haar jarenlange inzet nutteloos geworden.

“We hopen dat je loyaal de principes van een zelfsturende organisatie blijft ondersteunen.” Dat stond er letterlijk! Dat durfden ze van haar te eisen! En niet eens in haar gezicht, nee, veilig verborgen achter het kille schild van een computerscherm.

Ze drukte haar kapotgebeten nagels in haar handpalmen. Ze wou huilen, schreeuwen, maar kon niet. Mocht niet. Door die verdomde open kantoren kon de hele dienst haar zien, kon ze zelfs geen halve minuut een veilig nest tussen vier beige paneelwanden veinzen.

Ze stond op, greep haar similileren handtas en wandelde in een trage, rechte lijn naar de lift. De starende blikken priemden in haar rug, de plotse stilte echode in haar hoofd. Als ze nog één seconde langer bleef, zou haar gezicht ontploffen.

***

“Je gaat toch niet springen, he?”

De stem kwam van ver. Langzaam draaide ze haar hoofd en probeerde scherp te stellen op de donkere gestalte naast haar. Een bruin jack met vlekken op de kraag. Zwart haar, half verborgen onder een gerafelde muts. Baardstoppeltjes van twee of drie dagen oud.

“Je staat hier al uren naar het water te staren. Ben je van plan om te springen?”

Uren? Ze keek rond. De zon was naar de andere kant van de brug verhuisd. De betonnen bogen reikten met hun schaduw naar haar tenen. “Ik… sorry, ik ben de tijd uit het oog verloren. Ik stond hier gewoon…” Ze stokte, veegde met haar hand een traan weg die langs haar wang naar beneden gleed.

“Springen lost niks op hoor. Hij zal er die andere vrouw niet voor verlaten.”
“Die andere vrouw? Waar heb je het over?”

De gestalte haalde zijn schouders op. “Dat is toch altijd de reden? Mannen springen hier omwille van geld, vrouwen omwille van een man.”

Ze staarde in de donkere ogen. Jongensachtige ogen, van een tiener nog. Maar achter die jonge branie zag ze iets diepers zitten. Een vonk levenswijsheid. Net als bij haar man destijds.

“Neen, ik ben niet… Ik ben hier niet vanwege mijn man. Alles is goed tussen ons. Afin, hij is wel weggelopen. Hij had me al meer dan een jaar belogen en bedrogen. Maar dat doet er niet toe, dat is lang geleden. Ik heb het een plaats gegeven. Ik ga verder met mijn leven.”

De jongeman staarde haar geduldig aan. Hij leek niet verbaasd, niet verrast. Hij staarde alleen maar, zijn wijsvinger zachtjes op zijn volle lippen rustend.

Ze rilde even, moest toen grinniken. “Eigenlijk ben ik belogen en bedrogen door mijn baas.”

“Was je baas je vriendje?”
“Vriendje? Nee. Herejee, nee. Ze is een vrouw. Hoe kom je erbij? Stel je voor zeg, dat mens in bed…” Ze hikte. Hield haar adem in. Hikte nogmaals, harder nu. Een bel zat vast in haar keel, haar longen, haar lijf, en duwde uit alle macht tegen haar goed fatsoen. Toen proestte ze al haar frustraties uit met een schaterlach tegen de hemel. Minutenlang. Ze kon het niet tegenhouden. Ze lachte tot haar hoofd helemaal licht was.

De jongen lachte niet mee. Hij bleef haar aankijken met een warme, indringende blik.

Ze veegde haar haren uit haar gezicht. “Ja, je kunt wel zeggen dat mijn bazin me flink verneukt heeft.” Een nieuwe lachbui. Het beeld van haar bazin in bed bleef in haar hoofd zoemen. Een naakte bazin deed haar gruwen, maar stelde haar merkwaardig genoeg ook gerust. Voor het eerst sinds eeuwen voelde ze geen zwaard meer boven haar hoofd hangen.

“Je hebt gelijk, jongen, je hebt gelijk. Ze verandert toch niet.”

De donkere ogen blonken even, de volle lippen krulden lichtjes op. “Je gaat dus niet springen?”

Ze stak haar hand uit en raakte zacht zijn arm aan. “Nee jongen, ik ga niet springen.”
“Heb je dan geen tien euro voor me? Nu ik toch je leven gered heb…”

***

“Linda? Jan hier. Ik hoop dat ik niet stoor?”

Jan? Van het werk? Waarom belde die nu? Ze kreeg vast problemen… “Eh, momentje, Jan!” Snel trok ze haar kamerjas dicht en wreef haar vogelnest uit haar gezicht. Ze zette Bridget Jones op pauze en moffelde de afstandsbediening weg onder haar fleecedeken. Ze haalde diep adem en zette de gsm weer aan haar oor.

“Hallo Jan? Oh shit!” Met de slippen van haar kamerjas stootte ze haar wijnglas om. Een rode vlek verspreidde zich tussen de vuile kommen en Kleenexpropjes op het tafeltje.

“Gaat het, Linda? Heb je liever dat ik je op een ander moment bel?”
“Nee nee alles oké zeg maar”, ratelde ze, vergeefs enkele tijdschriften als een dam tegen de steeds groter wordende wijnvlek stapelend.

Aan de andere kant kuchte Jan even. “Ik… ik wou liefst langskomen, maar ik wist niet of je dat op prijs zou stellen. Ik… we maken ons zorgen om je. Erge zorgen. Ik wil dat je weet dat ik er ben voor je, als je iets kwijt wilt.”

Terwijl ze worstelde met een keukenrol, dreunde Linda haar ingeoefende excuus op: “Maak je geen zorgen. Gewoon lage rugpijn. Ik moet veel liggen en pijnstillers slikken. Komt wel weer in orde, zegt de dokter.”

“Linda, we hebben jou zíen vertrekken. Dat was niet het vertrek van iemand met rugpijn.”

Shit. Ze hadden haar door. Zelfs liegen kon ze niet. Als een bezetene bleef ze aan de keukenrol trekken.

“We hebben gehoord wat er gebeurd is. Dat je vanaf volgende week geen diensthoofd meer bent. En hoe je dat moest vernemen. Geloof me, Linda, ik vind het heel erg voor je. Ik vind niet dat jij dit verdient.”

Ze liet de veel te grote prop keukenpapier vallen. “M… meen je dat?”
“Ja, Linda. Ik meen dat. Iedereen hier heeft schrik dat je ons zou verlaten. Besef je wel hoeveel goeds je gedaan hebt in de voorbije twee jaar? Onze dienst was een verschrikking voor jij hier kwam. Een slagveld van botsende ego’s, in de grond geboorde ideeën en gebroken beloftes van de vorige baas. En jij hebt dat met veel luisterbereidheid en engelengeduld hersteld. Jij bent het beste wat ons ooit is overkomen. Ik ben bang dat het zonder jou weer bergaf gaat, Linda. Je mag nu niet opgeven omwille van die daarboven. We hebben jou nodig.”

Ze wist niks anders uit te brengen dan een korte snik, en staarde naar de rode vlek, die eindelijk gestopt was met groeien.

***

Morgen was het zo ver. Morgen moest ze de knoop doorhakken. Morgen liep haar ziekteverlof af.

Ze lag al uren te woelen in haar bed. Licht aan, licht uit. Deken over haar benen, deken onder haar benen. Kussen erbij, kussen weg. Ze liep telkens weer haar lijstjes af. Haar lijstje met redenen om te blijven (duizend kleine dingen) of om te vertrekken (vooral haar bazin). Haar lijstje met dingen die ze zou veranderen als ze terugging. Haar lijstje met ieder detail dat ze morgenochtend moest uitvoeren om als een herboren, sterk persoon op het werk aan te komen. Ze had zich de voorbije dagen helemaal opgefrist. Nieuw kleed gekocht, haar laten knippen, ze had zich zelfs, godbetert, naar een manicure laten meesleuren door haar moeder. Het gesprek in de nagelstudio bleef door haar hoofd spoken.

“Schatje, doe nou eens niet zo moeilijk. Het is heel simpel. Ofwel blijf je, en doe je het zoals die Jan je heeft voorgesteld. Je kunt gewoon hetzelfde blijven doen als altijd, maar zonder de bazentitel erbij…”
“Zou ik toch niet beter kiezen om ergens anders helemaal opnieuw starten?”
“Als er een andere job is die je liever doet…”
“Ik weet niet of er iets is wat ik liever doe. Ik vond de voorbije twee jaar geweldig. Mensen doen samenwerken, het gevoel geven dat wat ze doen er ook echt toe doet…”
“En moet je daar de baas voor zijn, schatje? Ik heb in heel mijn leven alleen maar bullenbakken van bazen gekend. Heb ik nooit wat aan gehad, schatje. De mensen die echt iets voor me betekenden, hadden geen bazentitel nodig. Die zaten gewoon naast mij aan de machines.”
“Ik weet het echt niet. Moet ik nu teruggaan, of mijn job opzeggen?”
“Ik weet dat jij het antwoord al weet, schatje. Waarom zou je wegwandelen van die Jan die jou zo fantastisch vindt? Misschien wordt het wel iets tussen jullie.”
“Jan? Ach kom, nee, die is getrouwd.”
“Schatje, jij hebt nog steeds een slippertje tegoed na wat die klootzak van een ex je geflikt heeft. Dit is je kans.”
“Mam!”

Nadat ze het gesprek voor de tigste keer had afgespeeld in haar hoofd, knipte ze haar licht weer aan, schoof uit bed en stapte op blote voeten naar haar bureau. Ze opende haar laptop en begon aan een nieuw mailbericht.

Beste Jan, dank je wel voor je mooie woorden. Je hebt geen idee hoeveel die voor mij hebben betekend. Het spijt me dat ik dat niet aan de telefoon kon zeggen. Ik heb lang getwijfeld of ik wel terug zou keren. Als ze me zomaar opzijschuiven, wou ik niets meer met hen te maken hebben, dacht ik. Ik wil iets betekenen voor mensen die dat wèl waarderen. Jouw woorden hebben me doen beseffen wie dat zijn.

***

Ze stond voor de deur in de kille lifthal, waar enkel een aluminium vuilnisbak en een langwerpige spiegel de bruine eentonigheid doorbraken. Naast de deur hing het donkergrijze bordje met de naam van haar dienst. Daaronder hing nog steeds de bezoekersbel, die nutteloos was sinds de elektronische vergrendeling het begeven had. Toch bleef iemand hardnekkig post-its met ‘WACHTEN OP ANTWOORD’ en ‘HARD DUWEN!!!’ naast de bel kleven. God, wat had ze die kleine hebbelijkheden gemist!

Ze veegde een denkbeeldige plooi uit haar rok, trok haar blouse een millimeter naar links, wreef bezwerend over de koude kralen van haar ketting. Ze beet even op haar zacht gestifte lippen en haalde haar vingers door haar kapsel. Nog één blik in de spiegel. Haar haar lag… nuja, acceptabel voor zo’n verschrikkelijke strokop. Ze knipoogde naar zichzelf. Wanneer heeft een tegenslag jou ooit tegengehouden? Jij vindt altijd wel een manier. Jij doet dit gewoon, meid. Jij gaat gewoon binnen en doet je ding, begrepen? Zoals altijd.

Ze houden van je, lipte ze er nog achteraan, bang dat ze het zou verpesten door het luidop te zeggen.

Ze haalde diep adem en legde haar handen op de formica deurkruk.


Maarten De Gendt (40) is communicatiespecialist en redacteur voor de nieuwssite 13.vlaanderen.be, de opvolger van het personeelsmagazine 13. In zijn vrije tijd schrijft hij graag fictie- en prozaverhalen, en in 2014 publiceerde hij het verhaal van zijn eigen burn-out in het boek Opgebrand.

Met zijn verhaal ‘Linda’ wil Maarten tonen wat wendbaarheid kan betekenen als je op het werk wordt geconfronteerd met hervormingen en veranderingen in je job. Toen hij even niet oplette, zijn ook de waarden daadkracht, openheid en vertrouwen in het verhaal geslopen. Hij heeft geen poging ondernomen om die drie stiekemerds terug uit zijn verhaal weg te jagen.


Dit is een van de literaire verhalen die negen collega’s begin 2016 schreven over de vier waarden van de Vlaamse overheid: openheid, wendbaarheid, daadkracht en vertrouwen. Lees hier alle verhalen: