Sneeuw

Erna Avonts

Ik vul een mok met koffie en trek de gordijnen open. Het sneeuwt. Buiten wordt de wereld zwart en wit. Niet de eerste sneeuw van Jan De Wilde maar jachtige sneeuw die van alle kanten komt en duizelig maakt, de sneeuw van het journaal van gisteravond. Mannen, vrouwen en kinderen stapten in kleine groepjes door die sneeuw, ergens aan een grens in Europa. Plots was er die close-up en keek ik in de wonderlijk groene ogen van een jonge vrouw met hoofddoek.

Ik vouw mijn handen rond mijn mok. Een meeuw zeilt tegen de grauwe lucht.

***

Na de middag houdt het sneeuwen op. Ik ga de vogelvoederhuisjes vullen. De stadsgeluiden zijn gemoffeld, in de witte tuin, de metalige geur van sneeuw. Aan de zwarte takken van de seringenstruik hang ik vetbollen en halmen met zaden die ik van mijn moeder kreeg. Haar Vlaamse verkavelingsvogels lusten ze niet. Ze liet het etiket lezen door een neef met kennis van zaken en volgens hem is het voer voor papegaaien.

Bij mijn laatste bezoek stopte mijn moeder mij de zak toe. ‘Hier. Bij u in Brussel zitten toch papegaaien? Misschien eten die dat wel?”
“Alhoewel”, voegde ze toe. “Hoe lang zijn die al weg vanwaar ze komen?”

***

Met stampende voeten ga ik terug naar binnen, naar de warmte. Ik ben soepgroenten aan het snijden als de bel gaat. ‘Bonjour c’est Philippe’.

Philippe komt uit Namen en woont in een appartement in Koekelberg, een kleine man, halfweg dertig, stevig. Sinds kort weet ik dat hij beenhouwer is. In mijn tuin heeft hij ‘deux ruches’ staan: twee bijenkasten, een groene en een blauwe. Hij heeft er ook op Brusselse daken en bij familie in de provincie Namen, tegen de Franse grens.

Hij verdwijnt meteen naar achter in de tuin. Bij deze koude draagt Philippe zijn imkerpak niet, de bijen zijn versuft. Door het raam zie ik hem de deksels van de kasten lichten en kijken en kijken.

Als hij weer binnenkomt, vraag ik: ‘Tout se passe bien?” De groene schijnt het heel goed te doen, de blauwe wat minder.

Vorige lente heeft Philippe al zijn zwarte koninginnen vervangen. Hij had heel bewust voor de enige inlandse soort gekozen, de zwarte, die met uitroeien bedreigd is. Ze zijn minder productief dan de blonde, maar hij vond het fijn dat hij ze hielp overleven. Na enkele jaren heeft hij het opgegeven. De zwarte koninginnen gingen dood of werden onvruchtbaar. “Le climat?”, Philippe haalt zijn schouders op. Hij verving ze één voor één door Buckfasts, bijen ontwikkeld door een Engelse monnik van Duitse afkomst. Broeder Adam zocht meer dan zeventig jaar naar bijensoorten met unieke eigenschappen, van Spanje tot Turkije, van de oases in Marokko tot de Bekaavallei in Libanon. Hij kruiste ze om een über-bij te ontwikkelen: productief, resistent, aangepast aan extreme weersomstandigheden en niet agressief. Toen hij op 89-jarige leeftijd voor zijn werk een eredoctoraat kreeg, zat hij op de Kilimanjaro in Tanzania, op zoek naar nieuwe soorten.

Ik laat Philippe uit en vraag om nog drie potten honing mee te brengen bij zijn volgende bezoek. We hebben het over de voorbije zomer, lang en warm, een record honingjaar. “Mystère”, zegt Philippe. In Brussel had hij een topjaar maar de twee kasten in Namen, op het platteland, leverden geen gram op. “Dat heb je met die Walen”, zeg ik. We lachen.

***

Het huis geurt naar selder. Ik zet me op een barkruk aan het aanrecht en pel een ajuin. De vogels hebben het voer gevonden. Brusselse spreeuwen, mezen, merels, vinken; geen idee waar ze plots vandaan komen. Een bosduif palmt het kleine voederhuisje in, olifant in de porseleinwinkel. De zaden vallen van de plank en nu zijn ook de mussen, die liever van de grond pikken, van de partij.

Straffe ajuin. Ik veeg de tranen uit mijn ogen en maak het nog erger. En in de waas van wit en zwart buiten, smeert een veeg fel groen.

Ze kondigden zich al van ver aan met hoge schreeuwen, als opgewonden chimpansees: drie halsbandparkieten. Ooit leefden ze in Afrika of India tot iemand in de jaren zeventig bij het sluiten van de Meli Zoo op de Heizel vond dat Brussel wel wat kleur kon gebruiken. Nu zijn ze met meer dan tienduizend en zwermen ze verder uit.

***

Drie kleine groene jachtvliegtuigjes scheren tussen huizen, struiken en tuinmuren. Als ze in de seringenstruik landen spreiden ze hun lange ruitvormige staart. Nu zitten ze stil en zijn ze stil. Hun silhouetten tegen de lucht; drie aanhalingstekens. En dan duiken ze naar het voer. Twee hangen met hun kop naar beneden op de zakjes met pinda’s, eentje klimt, afwisselend met snavel en poten hoger, naar een vetbol.

Een geluid. Ze vliegen op, met evenveel drukte als bij het komen. Buur Yesin stapt door zijn tuin. Yesin is niet zo’n fan van halsbandparkieten; hij zegt dat ze het eten van onze vogels opeten. In Australië zouden ze er al lang komaf mee gemaakt hebben. “Sales bêtes.”

***

De soep staat op een laag vuurtje te trekken. Ik bel mijn moeder.

“Hoe gaat het?” “Zo goed en zo kwaad als het met een bijna negentigjarige kan gaan, zeker?” De gebruikelijke opening.

De koetjes en de kalfjes van een leven achter het raam van een huis in een buitenwijk. Nieuws over de broer en zussen en over eten. Altijd komt het gesprek op het onderwerp ‘eten’.

“Ik heb gisteren een nieuw recept uitgeprobeerd”, vertelt ze. “Aubergine en rode paprika, gegrilld in de oven. En daar dan balsamico-azijn bij en wat fetakaas en geroosterde pijnpitten. En lekker dat dat was.”

We ronden bijna af en dan zegt ze. “Er zat een brief in de bus van de gemeente. De kapaanvraag is afgewezen.”

Een tijdje terug vulde ik voor haar een aanvraag in om een berk te laten omhakken die vlakbij het huis staat en die volgens haar het hele jaar ‘vuiligheid’ geeft. Ik nam een foto van de boom, die in drie exemplaren bij de aanvraag ging.

Mijn moeder leest voor: “Gezien het hier om een streekeigen soort gaat met landschapswaarde, wordt de aanvraag geweigerd.” Ze stopt. Ik hoor haar het papier dichtvouwen.

“Ik had u nog gezegd dat ge die boom te mooi gefotografeerd hebt”, zegt ze.”De buurvrouw, die Hollandse, heeft haar vergunning wel. Voor die Amerikaanse vogelkers.”


Erna Avonts (59) werkt bij het HR expertisecentrum van AgO en is coördinator van de Vlaamse overheidsfacilitatoren. Zij schreef een tekst over openheid in een wendbare wereld.


Dit is een van de literaire verhalen die negen collega’s begin 2016 schreven over de vier waarden van de Vlaamse overheid: openheid, wendbaarheid, daadkracht en vertrouwen. Lees hier alle verhalen: