Valversnelling

door Christophe Neixkens

Achterlichten in de striemende regen. Monotoon geflipflap van de ruitenwissers. Steeds balancerend op de rand van welgekomen slaap. Dan was er telkens zijn stem — gedempt maar toch doordringend — die haar verschrikt deed rechtop zitten. Een koude rilling daalde haar ruggengraat af. Ze draaide de schakelaar van de verwarming in het uiterste rood. Sereen draaide hij die terug halfweg.

Hij keek haar indringend aan, richtte zijn blik terug op de avondspits op de Brusselse ring. Het aftandse, hoekige Fiatje laveerde hij routineus langs de andere, slakkengangende chauffeurs. Ze wist dat hij haar een vraag zou stellen, die ze niet zou kunnen ontwijken met een nonchalant schouderophalen. Hij las haar als een open boek, prikte haar pretentie moeiteloos plat, en schoorvoetend moest ze toegeven dat ze daar enorm veel nood aan had. De voorbije jaren (minstens drie, wat nog een optimistische onderschatting was) waren een uitputtingsstrijd geweest van schone schijn, glimlachen, valse hoop en zelfverloochening. Nauwelijks kon ze nog oprechte van geforceerde emoties onderscheiden, beschaamd om de lege huls waar ze tot verworden was.

Zachtjes kneep ze in de man zijn knie, een verrassend spontaan gebaar voor iemand die veel ouder en zo anders dan haar was. Ze was klaar om het er allemaal uit te gooien. Alleen tolde het in haar hoofd toen ze ‘het’ probeerde te bevatten.

“Doe maar op je gemak,” sprak hij met een diepe rokersstem, “tijd en weg hebben we genoeg.”
“Pff, waar moet ik beginnen? Zo lang dat ik onoprecht geweest ben.” Het eerste wat ze het voorbije uur zei.
“In se is daar niets mis mee. Om netelige situaties te doorworstelen, kan onoprechtheid welgekomen vaseline zijn.”
“Ik ben vooral onoprecht tegen mezelf geweest.”, mompelde ze, wanhopiger dan gewenst.

Hij antwoordde met een ontwapenend monkellachje.

“Meid, jij lijkt veel meer op je vader dan je zelf zal willen toegeven.”
“Waar slaat dat nu weer op?”
“De befaamde stiff upper lip. Zoveel bezig zijn met het beeld dat je omgeving van je heeft. Schrik om mensen teleur te stellen.”
“Daar heb jij inderdaad nooit last van gehad.” Defensief met haar armen over elkaar, werd ze nerveus van de richting die het gesprek uitging. Onverstoorbaar ging hij verder: “Ik heb hard genoeg mogen knokken, en het nodige mogen incasseren ook. Dat heeft m’n broer nooit willen inzien. Net als jij vergeleek hij zijn leven altijd met dat van anderen, en altijd voelde hij zich te kort gedaan. Zelfs in mijn zwaarste drugsperiode, bleef hij mijn leven wanhopig romantiseren. Gelukkig is hij er nooit van geworden, en ik nog veel minder.”

Haar oom meewarig opnemend, flitste er een herinnering van een lang vervlogen kindertijd voor haar geestesoog. Zij, amper 7 of 8 jaar oud, haar klamme hand knijpend in die van haar vader, een buitenproportioneel grote hoofdtelefoon om haar gehoor te vrijwaren. In een klef, tropisch heet kelderzaaltje dat tot in de nok met zwetende lijven was gevuld, vuurde haar excentrieke nonkel de massa aan. Met een knalrood hoofd, op een van bierbakken gemaakt podium. Als een bezeten Mozes kon hij de mensenzee moeiteloos manipuleren. Over het pompende, razendsnelle ritme van de furieuze muziek, was het zijn bulderende stem die haar tegelijkertijd angst en ontzag inboezemde. In persoon routineus afwezig op familiefeestjes, was hij levend en wel in de hoofden van allen. Het favoriete roddelonderwerp. Het zwarte schaap dat mythische proporties aangenomen had in haar jonge hoofdje, maakte ze die avond moeiteloos waar. Ze voelde opnieuw de rommelende, zuigende basdrum, in de diepste vezels van haar lijf. Na die avond koketteerde ze met veel verve tegen iedereen die het horen wilde, over het muzikale genie van de familie (‘Nonkel Metal’ werd vanaf dat moment zijn geuzennaam). Wat haar nooit met zoveel woorden verteld werd, was dat er in de muzikant een uitzichtloos drugsgebruik huishield. Zelfs nu, nu hij al langer afgekickt dan hij verslaafd was geweest, waren de sporen nog merkbaar. Verward pluizig haar, diep rode kaken en intens starende ogen, alsof hij net een sonate in een windtunnel gezongen had. Maar net omdat hij altijd buiten hun familie gefungeerd had, leek ze in hem een compagnon te herkennen. Iemand die eerder van buiten naar binnen keek, en zo een breder, objectiever oordeel kon vormen.

“Sorry”, wist ze uiteindelijk uit te brengen. “ik weet niet waar ik over praat. Eén ding weet ik wel zeker, en dat is dat ik nooit als papa eindigen wil.”
“Dat besef is al veel waard. Zelfmoord zit niet in de familie. Zelfs mij is het nooit gelukt.”
“Bedankt om me daar weg te kapen. Nog één seconde langer, en ik was gaan gillen als een hysterisch wijf.”
“Hmm, spijtig dat ik dan niet wat langer gewacht heb. Ach, begrafenissen, veel vals sentiment en opgeklopte emoties.”

Ze staarde wezenloos voor zich uit. Uit het radiootje sijpelde serene jazz, gekruid met gekraak. Witte wegmarkeringen opgeslokt door gele koplampen. Kriskras-lijnen van vliegtuigen in een verdonkerde lucht. “Als ik nu aan papa denk, krijg ik een ongezond beeld van mezelf. Ok, er zit veel meer van hem in mij dan ik ooit zou hebben willen toegeven, maar pas sinds ik zelf kinderen heb is dat besef er gekomen.”
“Om een open deur in te trappen, het is nooit te laat om het roer om te gooien. Verwacht alleen niet dat iemand anders de keuze voor jou gaat maken. De bal ligt in jouw kamp, net als de verantwoordelijkheid die er bij hoort.”
“Ik word gewoon fucking verscheurd tussen er willen zijn voor m’n gezin enerzijds, en een hardnekkige drang naar m’n eigen goesting willen doen anderzijds.”
“Welkom in het echte leven schat.”
“Ik heb mezelf vastgereden in een doodlopende straat, gespiegeld aan papa’s levenswandel. De zorgeloze arrivée. En dan tref ik hem aan in bloedrood badwater, en dan stuikt m’n hele zelfbeeld als een kaartenhuisje in elkaar. Game over. Het liefst van al zou ik opnieuw willen beginnen, of verder met m’n leven gaan waar ik het zo’n tien jaar geleden achtergelaten heb. Propere lei, weet je wel.”

Ze gaf een venijnige ruk aan de volumeknop. “Klote-jazz. Ons pa had duidelijk nergens vrede mee. Het grote voorbeeld dat van z’n sokkel valt.”
“Als het je een troost kan wezen, mij heeft hij ook lang voor gek kunnen houden. Hoe langer je jezelf en je omgeving voor gek houdt, hoe moeilijker het wordt om er mee te kappen. Dus, meid, moraal van het verhaal, doe wat je zelf aanvoelt, en niet wat er zogezegd van je verwacht wordt.”

Ze kneep hem nog eens lichtjes in z’n knie.

“Bedankt nonkel. Waar gaan we eigenlijk naar toe?”
“Weet ik veel. We zien wel waar we uitkomen.”


Christophe Neixkens

Christophe Neixkens, 36 jaar, is een naar Leuven uitgeweken Antwerpenaar. Deze vader van twee zoontjes werkt bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. In een poging de waarde ‘wendbaarheid’ uit te lichten, schreef hij dit fictioneel relaas over twee mensen onderweg naar nergens. In het zich ontvouwende gesprek, komt de angst naar voren om de gekende comfortzone te verlaten. Een angst die iedereen wel eens kan tegenkomen, als er kleine of grote veranderingen op til staan. Uiteindelijk is het de kunst om vertrouwen te hebben in je eigen kracht, en de durf om de controle uit handen te geven en je over te geven aan wat er op je weg komt.


Dit is een van de literaire verhalen die negen collega’s begin 2016 schreven over de vier waarden van de Vlaamse overheid: openheid, wendbaarheid, daadkracht en vertrouwen. Lees hier alle verhalen: