What’s in a name?

door Marie Meers

We schrijven 1853. Jean Baptiste Top en Anna Dirix brengen een bezoek aan de oude pastoor van Hees. Jean Baptiste had enkele maanden geleden Anna leren kennen. Zij was dat mooie meisje met lang gitzwart haar dat tijdens het kermisbal in Kesselt verlegen aan een tafeltje zat met een glas bier, onaangeraakt. Jean, zoals hij door ieder werd genoemd, voelde iets wat hij nooit eerder gevoeld had. Hij wist niet wat het was, maar het had iets te maken met dat mooie meisje. Hij was nog aan het bedenken hoe hij haar zou aanspreken, toen het orkest de eerste tonen van een trage wals inzette. Plotseling hoorde hij zichzelf zeggen: “Wil je met mij dansen?” “Ja, graag,” fluisterde ze.

***

“Meneer pastoor, wij houden van elkaar en zouden graag willen trouwen.”
“Dat is mooi. Kennen jullie elkaar al lang?”
“Wij hebben elkaar leren kennen tijdens het kermisbal. Wij hebben daarna nog enkele keren met elkaar gepraat. Wij zouden graag samen een gezin stichten. Ik heb ook met de vader van Anna gesproken. Hij is blij dat Anna na de dood van haar moeder toch nog gelukkig kan worden en hem kleinkinderen kan schenken.”

Meneer pastoor had aandachtig geluisterd. Hij schonk zichzelf een druppelke in en dacht na. Hij dronk nog een tweede druppelke en overdacht opnieuw de vraag. Toen zei hij: “ Mooi, mooi.” Hij schraapte zijn keel en vroeg: “ Wat zeggen jouw ouders hiervan?”

Dat was de vraag waarvoor Jean al vreesde. Hij werd rood, hij kreeg het erg warm en begon te zweten. “Eh, … meneer pastoor, ik eh ….”
“Wat scheelt er, jongeman?”
“ Ik, eh, ik heb geen ouders.”
“Zijn jouw ouders overleden? Wat erg!”
“Neen, meneer pastoor. Ik weet het eigenlijk niet. Het is nogal moeilijk.”
“Hoezo? Je weet toch of je ouders leven of niet?!”
“Neen, meneer pastoor. Dat weet ik niet. Ik weet niet eens wie mijn ouders zijn. Ik ben … eh … ik was een vondeling.”

Meneer pastoor sperde zijn ogen open, hij ademde iets sneller en luider. Hij zei niets. Hij opende het eiken kistje met de uitgesneden bloemen dat links op zijn bureau stond. Hij nam er een sigaar uit en stak die langzaam aan. De uitgeblazen rook prikte in de ogen van Jean. Hij voelde zich een beetje misselijk worden. Intussen staarde Anna naar de rijk gevulde boekenkast achter de oude priester. Het leek alsof zij, door het paarsig gekleurde glas heen, de titels van de boeken probeerde te lezen. Maar Anna kon niet lezen. Zij fixeerde zich op een kanjer van een boek met bruine lederen kaft waarop krullende gouden letters stonden. De eerste letter had een grote dubbele krul die zij steeds weer met haar ogen volgde. Alsof dat een vorm van lezen was.

***

Jean was mijn betovergrootvader en wie zijn ouders waren, weten we nog altijd niet.. Zijn verhaal is ook een beetje mijn verhaal. Zijn zoektocht naar zijn verleden en zijn identiteit is ook een beetje mijn zoektocht geworden.

Ik herinner mij de gefluisterde verhalen uit mijn kindertijd. ’s Avonds na het bidden van de rozenkrans werd soms over het oude familiegeheim gesproken. Mijn moeder vroeg telkens opnieuw aan mijn oma wat zij hiervan afwist. Oma lonkte naar mijn oudtante die in het hoekje van de keuken in haar rieten stoel zat. Zij was ingedommeld. Dan kon zij antwoorden zonder ruzie te krijgen met haar oudere zus. Mijn oma kreeg een nadenkende blik in haar ogen. Zachtjes zei ze: “ Ik weet het niet meisje. Vroeger stond er thuis een houten kist van nonkel Jean. Hij had die gekregen van zijn vader, van Jean Baptiste. Maar ik weet ook niet wat daar in stak. Nonkel Jean heeft op een bepaald moment de kist geopend, samen met je tantes. Zij waren echter zo geschrokken van wat zij erin vonden, dat zij alles verbrand hebben.”
“Maar weet je dan echt niets?”
“Eén keer heb ik hen kunnen afluisteren. Zij hadden het over rijke Nederlanders. Meer weet ik echt niet.”

Die woorden bleven in mijn hoofd sluimeren, maar omdat niemand in de familie er over wou praten, deed ik het evenmin. Vergeten kon ik het echter niet. Dan hoorde ik dat Paul Top uit Wenduine samen met professor Stefaan Top een boek aan het schrijven was over de familie Top. Mijn nieuwsgierigheid kwam weer boven. Ik nam contact op met Paul. Hij had wel gehoord van deze tak van de familie, maar had er ook geen informatie over.

Maar ik wilde meer weten. Wie was deze Jean Baptiste? Het enige wat ik wist, was dat hij altijd als eenvoudige boerenknecht gewerkt had in Kesselt en dat hij met Anna Dirix getrouwd was. Een aantal jaren na hun huwelijk konden zij een kleine boerderij kopen in Hees, een klein rustig dorpje, vlak tegen de Nederlandse grens. Daar hebben zij heel hun leven hard gewerkt en hebben ze hun twee zonen opgevoed: Jean en Hubertus. Jean is altijd ongehuwd gebleven, en bleef een jonkman. Hubertus trouwde met Catharina. Samen kregen zij vijf kinderen, waarvan mijn oma er een was. Maar ik wilde meer weten dan dit.

Mijn zoektocht naar het verleden verliep met vertraging, maar ik had tijd. Het inkijken van de gemeentearchieven van Bilzen mocht maar na een formele toestemming van de Rechtbank van Eerste Aanleg. Dan pas kon ik de archieven uitpluizen. Ik vond de huwelijksakte van Jean en Anna uit 1834 terug. Daar wachtte mij een eerste verrassing. Jean Baptiste had geen geboorteakte. Enkel een militiegetuigschrift en een … vondelingenakte.

Voor het vervolg van de zoektocht trok ik naar Nederland. Want Jean was geen Belg, maar een Nederlander. Of juister: hij was in Nederland gevonden. In de plaatselijke afdeling van het Rijksarchief in Maastricht kwam ik zijn naam opnieuw tegen. In de registers vond ik de eerste beschrijving. Op 17 juli 1823 om half vijf in de ochtend werd aan het vondelingenhuis in Maastricht een jongetje van enkele uren oud ‘in de rol’ gevonden. Hij was in een witte draagdoek gewikkeld. Toen de zusters van het vondelingenhuis de draagdoek verwijderden, zagen ze een gezond babyjongetje. Hij droeg een wit linnen hemdje, een wit en violet gebloemde halsdoek, een zijden lijfje en een groen zijden mutsje, met kant afgewerkt. Op zijn kleren was een afbeelding van St. Joannes Baptista gespeld. Met potlood stond op de achterkant het volgende geschreven: Joannes Baptista Top. Onder die naam werd hij ingeschreven in Maastricht.

De meeste kinderen die te vondeling gelegd werden, droegen armoedige kleren. Jean daarentegen droeg mooie, dure kleren in linnen, zijde en kant. Wat nog meer opviel, was zijn naam. De meeste, als vondeling achtergelaten kinderen kregen geen naam mee en de zusters van het vondelingenhuis kozen die dan. De nieuwe naam kon geïnspireerd zijn door het tijdstip waarop ze gevonden waren: De Winter of Avonts of door een uiterlijk kenmerk: Swarts of De Wit of De Lange. Jean had echter een naam meegekregen. En dan nog een weinig voorkomende naam: Top. Was dit een echte naam of was het een verzinsel? Was het een verwijzing naar zijn echte ouders? En ook dit: als zo’n zogezegd ouderloos kind toch al een naam meekrijgt, waarom juist die van Johannes de Doper? Omdat in het doopsel ook mensen ‘nieuw’ worden gemaakt?

***

Jean is dit nooit te weten gekomen. Ik ook niet. Ik heb lang gezocht, maar alle sporen bleken uitgewist te zijn. In het rijksarchief in Maastricht bleek zelfs een bladzijde verdwenen te zijn uit het register. Het was net de bladzijde waarop de voorwerpen beschreven waren die bij Jean lagen in de rol. Voorwerpen die misschien een licht konden werpen op zijn afkomst. In het doopregister van de parochiekerk waar Jean gedoopt was, was ook niets meer terug te vinden. Het archief in Den Haag bood een laatste mogelijkheid. Maar op dat moment heb ik mijn zoektocht gestaakt.

Eerst wilde ik absoluut weten wie Jean geweest was. Ik wilde zijn ouders en zijn achtergrond kennen. Want dat was ook mijn verleden, mijn geschiedenis, mijn herkomst. Dat zou mij een houvast geven. Zonder verleden ben je immers niemand. Dat dacht ik toen.

Maar niets is minder waar. Je bent wie je bent door je eigen handelen. Jean werd anoniem in de rol gelegd. Op zijn twaalfde werd hij aan een landbouwer gegeven, en daar heeft hij jaren in de anonimiteit en nederigheid gewerkt. Tot hij Anna leerde kennen. Samen met Anna heeft hij het heft in eigen handen genomen. Zij hebben samen hard gewerkt en gespaard. Uiteindelijk hebben zij hun eigen boerderijtje gekocht en stonden zij op eigen benen. Zij hebben ook voor een nageslacht gezorgd. Verschillende generaties Top zijn er dankzij hen gekomen. Ook ik ben daar een onderdeel van. Ik ben een nakomelinge van iemand die zijn eigen beslissingen genomen heeft en voor zijn eigen toekomst gezorgd heeft. Maar tegelijkertijd ben ook ik alleen maar wat ik er zelf van maak. Ik kan ervoor kiezen om een kind, een kleinkind, een achterkleinkind te zijn. Met stevige roots. En tegelijk kan ik er ook voor kiezen om mijn eigen beslissingen te nemen, om mijn eigen pad te volgen.

We schrijven 2016. Vandaag werk ik als ambtenaar voor de Vlaamse Overheid.

Marie Meers

Marie Meers is 48 jaar. Zij werkt bij het Agentschap Facilitair Bedrijf.

Zij merkt dat mensen het dikwijls moeilijk hebben om beslissingen te nemen. Zij dromen vaak over hun toekomst, over een andere carrière, … maar blijven toch in hun veilige cocon zitten. Ze missen de daadkracht om hun leven een nieuwe wending te geven.

Haar betovergrootvader heeft dit wel aangedurfd. Hij heeft zijn leven en zijn toekomst in eigen handen genomen. Daardoor is hij gelukkig geworden en kon hij op hoge leeftijd tevreden achterom kijken.


Dit is een van de literaire verhalen die negen collega’s begin 2016 schreven over de vier waarden van de Vlaamse overheid: openheid, wendbaarheid, daadkracht en vertrouwen. Lees hier alle verhalen: