Hippocrates, foodblogger uit de Oudheid

Wie iets wil leren over wie of wat de mens is, kan bij tal van disciplines te rade gaan, variërend van kwantumfysica tot medische wetenschap. De antwoorden die eerstgenoemde discipline biedt, zijn echter nogal verontrustend, denk bijvoorbeeld aan Schrödingers befaamde gedachte-experiment waaruit volgt dat ‘Schrödingers kat’ simpel gezegd zowel dood als levend is. Laatstgenoemde discipline biedt minder schokkende resultaten. In wat volgt zal ik me kort richten op het mensbeeld dat spreekt uit Nature of man, een tekst van Hippocrates — de man van de welbekende eed en die wel eens de ‘vader van de moderne geneeskunde’ wordt genoemd.

Hippocrates zet in zijn tekst een duidelijk mensbeeld uiteen: ‘The body of man has in itself blood, phlegm, yellow bile and black bile; these make up the nature of his body, and through these he feels pain or enjoys health’ (Hippocrates 11). Deze vier elementen moeten, om te garanderen dat de mens in de best mogelijke gezondheid blijft, ‘duly proportioned to one another in respect of compounding, power and bulk, and […] perfectly mingled’ zijn (Hippocrates 11).

Hoewel mettertijd het idee is komen te vervallen dat de mens uit precies de vier door Hippocrates geopperde bestanddelen bestaat, ligt er in Hippocrates’ tekst een verrassend modern mensbeeld besloten. Hij legt namelijk een grote verantwoordelijkheid bij de mens zelf neer, wanneer hij zegt dat ‘the patient himself must bring about a cure by combating the cause of the disease, for in this way will be removed that which caused the disease in the body’ (Hippocrates 37). De mens wordt zo een tamelijk zelfredzaam wezen, dat via bijvoorbeeld ingrepen in zijn of haar dieet positieve veranderingen in de lichamelijke gezondheid teweeg kan brengen — een idee dat ook tegenwoordig nog sterk aanwezig is, bijvoorbeeld in de ‘balansdagen’ en de detox die door sommige gezondheidsgoeroes worden gepropageerd.

Opvallend is daarnaast hoe weinig aandacht Hippocrates in Nature of man besteedt aan de ‘mentale kant’ van de mens. Waar bijvoorbeeld René Descartes de mens voorstelt als in eerste instantie ‘geest’, is de mens voor Hippocrates, kijkend naar de focus in zijn werk, in eerste instantie een lichaam. Enerzijds komt de mens er als verzameling van bloed, gal en flegma wellicht enigszins bekaaid vanaf, anderzijds biedt Hippocrates’ mensbeeld in haar eenvoud een mooie uitweg uit the problem of other minds, richting een erg menselijke visie op de mens: een wezen dat niet bedrogen wordt door een kwade genius, maar dat vrolijk wordt van kleine dingen zoals een warme nazomerdag.