De Nieuwe School

De strijd voor één samenleving, voor kansen voor ieder kind

Diederik Samsom (politiek leider PvdA), Eric van ’t Zelfde (directeur Hugo de Groot School)

Zeven jaar geleden was de Hugo de Groot school op Rotterdam Zuid één van de slechtste scholen van Nederland. Onvoldoendes domineerden de resultaten, chaos regeerde de dag en snel teruglopende leerlingenaantallen wierpen een schaduw op de toekomst. De school was ten dode opgeschreven.

Nu is de school een van de beste scholen van het land. Met slagingspercentages van tegen de 100 procent en een snel groeiende populariteit. En dat in een van de moeilijkste wijken van Nederland. Een school waar kinderen succesvol worden om naderhand volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving.

Hugo de Groot school

Het lijkt een regelrecht mirakel, maar wie op de Hugo de Groot rondkijkt ziet het product van mensenwerk. Een toegewijd en tot op het bot gemotiveerd team van docenten en directie is erin geslaagd om de veiligheid te laten terugkeren, schier onoverbrugbare achterstanden weg te werken en leerlingen het vertrouwen en de kennis mee te geven die nodig is om verder te komen. Extra lesuren worden aangeboden aan leerlingen die dat nodig hebben, de veiligheid op school wordt compromisloos gehandhaafd en docenten krijgen de benodigde ondersteuning om optimaal te kunnen lesgeven.

Maar wie verder kijkt ziet ook dat deze geweldige prestatie niet duurzaam is in het huidige onderwijsbeleid. De extra lesuren en de extra voorbereiding zijn niet begroot, komen uit de eigen tijd en plegen roofbouw op het docententeam. De helden van de Hugo de Groot raken uitgeput.

Bron: de Staat van het Onderwijs 2014–2015, Verschil schooladvies en uitslag eindtoets voor kinderen met arme en rijke ouders

Het verhaal van Hugo de Groot is zowel inspirerend als confronterend. Het kan echt, van een zwakke school in een moeilijke omgeving een doorslaand succes maken. Maar om dit resultaat te bestendigen en uit te breiden schieten we tekort. Terwijl de opdracht juist groeit. De achterstanden waarmee kinderen op school terecht komen, worden hardnekkiger. De keuzemomenten en het niveauverschil in primair en in voortgezet onderwijs belemmeren steeds vaker een goede doorstroming. De lerarentekorten nemen zienderogen toe.

In dit essay verkennen we die opdracht en laten we zien wat er nodig is om ons onderwijs naar een nieuw niveau te tillen. Om de Nieuwe School vorm te geven.

De opdracht voor ons Onderwijs

Kansen bieden, talent ontwikkelen, het beste uit kinderen halen. De verheffende waarde van onderwijs is vanzelfsprekend. Maar er is een andere, minstens zo cruciale opdracht voor ons onderwijs: verbinden. Bijdragen aan een samenleving waarin iedereen mee kan doen, waar de onderlinge samenhang versterkt wordt. Een samenleving zonder grenzen en zonder scheidingen. School is immers de plek waar je van jongs af aan zelfvertrouwen ontwikkelt, waar je wordt geaccepteerd en gerespecteerd en waar je andere kinderen ontmoet en leert omgaan met verschil. Onderwijs — van peuterspeelzaal tot fundamenteel onderzoek — is het essentiële instrument om kennis en kunde zo breed mogelijk over de samenleving te verspreiden. En daarmee een manier om verschillen te verkleinen. De rol van het onderwijs bij het creëren en onderhouden van een verbonden samenleving valt niet te overschatten.

We mogen trots zijn op wat ons onderwijs de afgelopen decennia daarbij voor elkaar heeft gekregen. De plek van de wieg lijkt niet langer bepalend voor succes in het leven en deelname aan de samenleving. De zelf verworven vaardigheden en de eigen diploma’s zijn maatgevend geworden. Onderwijs heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de spreiding van kennis en daarmee aan het verkleinen van de verschillen in de samenleving.

Maar ondanks het succes blijven er uitdagingen. En er komen nieuwe bij. Groter dan voorheen en met een maatschappelijk ontwrichtende karakter.

Het Sociaal- en Cultureel Planbureau toonde onlangs aan dat de verschillen toenemen.[1] En een ander karakter krijgen. In onze samenleving dreigt een hardnekkige scheiding te ontstaan tussen een kansarme onderlaag en een bovenlaag met alle mogelijkheden. Mensen met een hoge opleiding kiezen een partner met hoge opleiding en krijgen kinderen met een zeer grote kans op een hoge opleiding, en begeven zich in kringen van mensen met een hoge opleiding. Hetzelfde geldt voor mensen met een lagere opleiding. Er is steeds minder contact tussen de kansrijken en de achterblijvers. Een nieuwe tweedeling is gaande, eentje die over meer dan inkomen of vermogen gaat. Juist andere vormen van menselijk kapitaal, zoals arbeidsmarktpositie, gezondheid, partnerkeuze en maatschappelijke status raken ongelijk verdeeld. Deze nieuwe kloof groeit in de breedte én in de diepte: de verschillen worden hardnekkiger en dreigen een erfelijk karakter te krijgen. Dat is funest voor de cohesie in de samenleving.

Er is een andere, minstens zo cruciale opdracht voor ons onderwijs: verbinden.

Onderwijs is nog steeds ons beste antwoord op deze ongelijkheid, ook in deze nieuwe hardnekkige vorm. Als we er in slagen alles uit kinderen te halen wat er in zit, ongeacht de achtergrond van het kind en de inkomenspositie en opleiding van de ouders, dan houden we de sociale mobiliteit in stand en vervagen de scheidslijnen. Maar we lijken tekort te schieten. Het rapport van de onderwijsinspectie dat onlangs verscheen, De Staat van het Onderwijs 2016, legt pijnlijk bloot dat de tweedeling zich via het onderwijs eerder verder manifesteert, dan dat het de tweedeling bestrijdt. Het onderwijs segregeert. Door ons onvermogen achterstanden weg te werken. Door te vroeg keuzes af te dwingen. Door te weinig doorstroomkansen. En door teveel gescheiden scholen te laten ontstaan.

Ook de middelen blijven achter. Waar in 1970 nog twee keer zoveel aan onderwijs als aan zorg werd uitgeven, is dat anno 2015 precies andersom.[2] De vergrijzende bevolking vormt hiervoor maar deels een excuus. We investeren te weinig. Als we kijken naar de totale uitgaven aan onderwijs als percentage van het bbp dreigen we achterop te raken bij bijvoorbeeld de Scandinavische landen.[3] De vergelijking met die landen is relevant omdat het onderwijs daar, in vergelijkbare sociaaldemocratische samenlevingen, beter dan hier zijn verheffende en verbindende opdracht vervult.

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan 2016, uitgaven aan zorg en onderwijs als percentage van het BBP

Nog pijnlijker dan de macrocijfers zijn de dagelijkse ervaringen in het onderwijs. Er wordt te weinig tijd gereserveerd voor goed onderwijs, zowel het aantal uren als de voorbereidingstijd schiet tekort. Het onderwijs wordt zo steeds afhankelijker van het vrijwilligerswerk van docenten en onderwijsondersteunend personeel, van onbetaald overwerk om de lessen beter voor te bereiden of om achterblijvende leerlingen toch naar de volgende klas te kunnen helpen. Op de Hugo de Groot en op vele andere scholen maakt deze inzet het verschil. Het is geweldig dat deze medewerkers bereid zijn hun vrije tijd op te offeren voor beter onderwijs, maar deze aanpak -gebaseerd op vrijwillige inzet- is op de lange termijn niet houdbaar. Niet voor niets kent het onderwijs het hoogste percentage werknemers met burn-outklachten. Een op de vijf mensen die werkzaam is in het onderwijs heeft daarmee te maken.[4]

De onbegrensde loyaliteit van het Nederlands docentencorps aan onze jeugd, verdient een politiek antwoord. Er is een ommekeer nodig.

Naar de Nieuwe School

D e nieuwe opdracht voor het komende decennium staat. Ons onderwijs zal ambitieuzer dan voorheen onze kinderen alle vaardigheden moeten bijbrengen die nodig zijn voor een samenleving waarin verandering de enige constante lijkt. En ons onderwijs zal de nieuwe tweedeling te lijf moeten gaan. Verheffen en verbinden weer bovenaan de agenda.

Ons antwoord vindt zijn oorsprong in het succes van de Hugo de Groot school op Rotterdam Zuid. De manier waarop daar in buitengewoon moeilijke omstandigheden het beste resultaat wordt gehaald, laat zien dat het kan. Met extra investeringen in uren, docenten en in veiligheid maakten school en resultaten een metamorfose door. Compromisloos werd alles in het teken van de leerlingen gezet. We leren van de ervaringen van de Hugo de Groot school. En we bouwen ze uit. Het beginpunt van het onderwijs, vooral voor niet-cognitieve vaardigheden, moet eerder liggen dan in het vierde jaar, om onoverbrugbare achterstanden te voorkomen en integratie te bevorderen. Het onderwijs op en de doorstroming vanaf de basisschool kan en moet veel beter. Er moeten meer uren worden gemaakt en de docenten moeten meer opleiding en tijd in hun belangrijke werk kunnen investeren.

Zo ontstaat de Nieuwe School, de school die in het komende decennium de standaard in ons onderwijs verhoogt. Een brede school met de allerbeste docenten waar kinderen vanaf tweeënhalf tot achttien jaar zich optimaal en met elkaar kunnen ontwikkelen. Waar meer uren wordt lesgegeven, met meer maatwerk en met de beste docenten.

De Nieuwe School is meer dan een idee. Het is een concreet concept waarmee we de komende jaren het onderwijs op het niveau willen brengen dat nodig is om de nieuwe opdracht voor de komende decennia aan te kunnen. Sommige voorstellen kunnen morgen worden geïmplementeerd. Andere zullen vele jaren van investeren vergen. Bij elkaar brengen ze de belangrijkste idealen van de sociaaldemocratie — verheffing en verbinding door het best denkbare onderwijs -een stap dichterbij.

De weg naar de Nieuwe School loopt langs vier voorstellen:

(1) Meer tijd, opleiding en ruimte voor docenten
(2) Eerder beginnen met spelenderwijs leren
(3) Meer onderwijstijd, meer vaardigheden
(4) Meer diversiteit, geen desastreuze keuzemomenten, echte ambachtsscholen

1. Meer tijd, opleiding en ruimte voor docenten

Het allerbeste onderwijs begint bij de leraar. Investeren in de kwaliteit van onze docenten loont, zo wordt in vele onderzoeken en vooral in de praktijk aangetoond.[5]

Een docent die een kwalitatief goede les wil geven moet die les ook goed kunnen voorbereiden. Daarvoor willen we docenten meer tijd geven. Het aantal te geven lesuren per week wordt maximaal 20 lesuren van 50 minuten. Dat is het Europees gemiddelde. De overige tijd is er voor het voorbereiden van die lesuren, zodat die zo inspirerend, informatief en uitdagend mogelijk zijn. Lesuren waarin de verschillende behoeften van leerlingen worden bediend. Docenten kunnen geen genoegen nemen met ‘even een les afdraaien’. De kwaliteit van de les wordt de belangrijkste graadmeter voor het functioneren van docenten, waar de docent nu nog te vaak wordt beoordeeld op randvoorwaarden: is de papierwinkel wel op orde, lopen resultaten in de pas. Minder lesuren per docent betekent wel dat er meer docenten en voldoende ondersteunend personeel moeten komen om zorg- en andere taken over te nemen, een directe investering in beter onderwijs.

Ook de opleiding van de leraar moet beter. De PABO is al strenger en beter geworden, maar een langere opleiding, deels in de praktijk, kan extra kwaliteit toevoegen. Ook via de andere lerarenopleidingen moeten we docenten beter toerusten voor het geven van onderwijs. Meer academisch geschoolde docenten die werken in teams samen met mbo- en hbo-geschoolde onderwijskrachten, zijn nodig voor het waarmaken van onze ambities. Academische PABO’s en twee jarige masters zijn daarvoor een goede ontwikkeling.

Het allerbeste onderwijs. Dat begint bij de leraar.

Een goede docent krijgt ook de kans permanent bij te leren tijdens zijn of haar carrière. Na het behalen van je onderwijsbevoegdheid ben je startbekwaam om les te geven. Wij willen dat leerkrachten in de toekomst binnen twee jaar hun vakbekwaamheid kunnen verdienen in de praktijk. Het lerarenregister, dat vanaf 2017 verplicht wordt, is een goede stap en een belangrijk instrument om permanente bijscholing te stimuleren en te belonen. Leerkrachten zouden daarvoor een individueel opleidingsbudget moeten krijgen.

Meer mogelijkheden om jezelf als docent te ontwikkelen, betekent dat we ook meer van docenten verwachten. Het verschil op een school wordt gemaakt door een docententeam en directie die elkaar scherp houden en verbeteren. Het is van groot belang dat er degelijke functioneringsgesprekken worden gevoerd, sprake is van goede dossieropbouw en leerkrachten ondersteund worden bij het onderhouden van hun professionaliteit. Goed beoordeeld worden betekent doorgroei. Wie op een aantal scholen telkens als onvoldoende beoordeeld wordt en zich niet bijschoolt, verliest een keer zijn bevoegdheid.

Meer tijd, betere opleiding, meer professionaliteit bij het bijhouden van vaardigheden. Daar horen ook betere arbeidsvoorwaarden bij. We hebben meer docenten nodig, terwijl er nu al tekorten zijn. Een goed salaris dat past bij de opleiding, de zwaarte van het beroep en dat kan concurreren met de lonen in de marktsector, is nodig om van het vak van docent weer een gewild beroep te maken.

2. Eerder beginnen met (spelenderwijs) leren

Tussen de twee en vier jaar zetten kinderen fundamentele stappen in hun ontwikkeling. Hoe eerder we investeren in hun vaardigheden, hoe beter.[6] Als de allerjongsten die vaardigheden van huis uit niet meekrijgen, dan zal het onderwijs ze daarbij moeten helpen. Anders lopen die kinderen achterstanden op die zij later nog amper kunnen inhalen. Dat betekent dat kinderen al vóór het vierde jaar beginnen met spelenderwijs vaardigheden opdoen op school.

Hoe eerder we investeren in kinderen hoe beter.

Naast de ontwikkeling van een kind speelt er een ander motief om eerder te beginnen met het aanbieden van algemeen onderwijs. Het onderwijs kan als geen ander kinderen met een diverse achtergrond bij elkaar brengen. Segregatie tegengaan begint in het onderwijs. De tendens was de afgelopen jaren echter omgekeerd. Peuters van werkende ouders gaan naar de dure kinderopvang en voor kinderen met een achterstand is er de voor- en vroegschoolse opvang (VVE). Hebben beide ouders geen werk en heeft het kind geen achterstand, dan valt het tussen wal en schip en komt het voor zowel kinderopvang als VVE niet in aanmerking. Drie groepen kinderen die gescheiden van elkaar opgroeiend. Segregatie al in de eerste levensjaren vormgegeven. Dat kan en dat mag niet.

In andere westerse landen nemen veel meer kinderen deel aan voorschoolse voorzieningen voor het vierde jaar. Dat voorbeeld moet Nederland volgen. Alle kinderen kunnen dan al vanaf twee jaar op een voorschoolse gemengde voorziening terecht. Niet verplicht — de leerplicht begint pas bij vijf — maar de ervaring leert dat ouders van die voorziening gebruik maken. De groep 0, zoals die in Rotterdam wordt aangeboden, is een goed voorbeeld. De Kameleon, de basisschool waar de Hugo de Groot mee samenwerkt, heeft zo’n groep en de resultaten zijn opmerkelijk.

Vroeg beginnen is een enorme impuls voor onderwijs als verheffingsmachine. Maar het draagt evenzeer bij aan de rol van het onderwijs als verbinder. Door kinderen uit alle lagen van de samenleving vanaf jonge leeftijd met elkaar naar school te laten gaan, kunnen we vroeg beginnen met het doorbreken van de scheidslijnen tussen hoogopgeleid en laagopgeleid, tussen kansrijk en kansarm.

3. Meer onderwijstijd, meer vaardigheden

Wie denkt dat de basisschool acht jaar duurt heeft alleen op de kalender gelijk, niet in de realiteit. De wettelijke onderwijstijd is 940 uur per jaar, verdeeld over 37 weken. Om met beperkte middelen aan deze eis te voldoen, hebben sommige basisscholen een oplossing bedacht: de pauzes van 45 minuten meetellen als onderwijstijd. Immers, in de pauzes wordt het ‘onderwijskundige gesprek’ gevoerd met het kind. Tel daar de vaak onbenutte lestijd bij op, daarmee wordt in sommige gevallen 2,5 jaar van de onderwijstijd op de basisschool onbenut gelaten, precies de onderwijsachterstand die veel kinderen in achterstandswijken nu hebben. [7]

Over iedere berekening is een discussie mogelijk, maar het staat buiten kijf dat meer onderwijstijd cruciaal is voor gelijke kansen voor kinderen. Op de Nieuwe School willen we het aantal lesuren in het primair onderwijs goed benutten en verhogen naar duizend uur. Het voordeel van extra uren is dat je extra diversiteit kunt aanbieden. In het basisonderwijs hebben de leerkrachten te maken met een groep kinderen van wie het leerniveau aanzienlijk verschilt. Dat is goed, omdat we graag willen dat kinderen van alle niveaus bij elkaar in de klas zitten. Maar het maakt het ook moeilijk voor de leerkracht om les te geven op het niveau dat bij ieder kind past. En dat is sinds de introductie van passend onderwijs een nog nijpender kwestie geworden. De extra lesuren die we willen toevoegen in het basisonderwijs, maken het mogelijk om meer differentiatie aan te brengen in de klas. Bijvoorbeeld door vanaf groep 5 een derde van de lessen op drie verschillende niveaus te geven. Zo kunnen docenten aan iedereen les geven op het niveau dat past, terwijl de kinderen toch de meeste tijd gezamenlijk doorbrengen. Verschillende studies tonen aan dat extra onderwijstijd zorgt voor betere prestaties op school, zeker wanneer er extra aandacht is voor specifieke doelgroepen, zoals achterstandskinderen.[8] Het vergt een enorme investering in het primair onderwijs, maar biedt de beste garantie dat echt alles uit kinderen wordt gehaald.

Kinderen kunnen al op vroege leeftijd spelenderwijs leren doorzetten, leren om te delen, leren hoe zij sneller kunnen leren.

Op de Nieuwe School kunnen niet alleen meer uren worden aangeboden, maar kunnen cognitieve vaardigheden ook meer in balans worden gebracht met de twee andere hoofddoelen van het onderwijs: persoonlijke ontwikkeling en voorbereiding op deelname aan de samenleving.[9] We moeten de trend keren waarbij scholen, woekerend met de onderwijstijd, de blik steeds verder vernauwen tot rekenen en taal. Er is, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) aangeeft, behoefte aan een nieuwe nationaal curriculum voor vaardigheden zoals leren, initiatief nemen, doorzetten en samenwerken. Dat zijn de vaardigheden die bepalend zijn voor hoe gelukkig, productief en gezond mensen zijn in de 21e eeuw.[10] Positief nieuws is dat deze vaardigheden, in tegenstelling tot wat vroeger werd gedacht, in hoge mate zijn aan te leren. Kinderen kunnen al op vroege leeftijd spelenderwijs leren doorzetten, leren om te delen, leren hoe zij sneller kunnen leren. Dit betekent niet dat kinderen al vanaf piepjonge leeftijd de schoolbankjes in moeten, maar dat zij de mogelijkheid krijgen vroeg met elkaar om te gaan. Op latere leeftijd kan dan gerichter tijd aan vaardigheden als presenteren, samenwerken en begrijpend lezen worden besteed.

Onderwijs eerder laten beginnen, daarbij inzettend op zowel cognitieve als niet-cognitieve vaardigheden, vormt een cruciale stap om weg naar ons ideaal van verbinding en verheffing.

4. Meer diversiteit, geen allesbepalende keuzemomenten, echte ambachtsscholen

I n Nederland wordt in vergelijking met andere landen heel vroeg geselecteerd voor het type voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo). Al sinds de middenschool van de jaren zeventig klinkt de roep om later te selecteren. Begrijpelijk, omdat te vroege selectie desastreus kan uitpakken voor de individuele leerling en omdat vroegtijdige selectie sociale en etnische ongelijkheid in het onderwijs in de hand werkt. Daar staat tegenover dat de prestaties van leerlingen toenemen naarmate het onderwijs beter op hen is toegesneden. Dat pleit voor vroege differentiatie. De waarden verheffing en verbinding lijken hier te botsen. Maar dat hoeft niet.

Onderwijsonderzoekers Dronkers en anderen wijzen er op dat de botsing tussen vroege selectie en segregatie vermeden kan worden wanneer de mogelijkheden om later van schooltype te wisselen groter zijn. Daarvoor zijn dan wel brede scholen nodig. “Om de sociale ongelijkheid te bestrijden geniet het bevorderen en in stand houden van brede scholengemeenschappen prioriteit. Wanneer vwo- en havo-afdelingen door de witte en sociaaleconomische vlucht klein zijn en er extra middelen moeten worden aangewend, is het belangrijk dat leerlingen op hun eigen school hogerop kunnen. Het stapelen van diploma’s dient bevorderd te worden: dus na het behalen van het vmbo-gt automatisch toegang tot de havo en geen extra barrières als een leerling van school moet wisselen. Eveneens zal er een einde moeten komen aan het financieel korten van scholen die lange brugklassen hebben en waar leerlingen er gemiddeld langer over doen om hun diploma te halen.” [11]

Dat is ook het uitgangspunt voor de Nieuwe School. De schoolloopbaan van leerlingen tussen de twee en achttien jaar wordt gekenmerkt door differentiatie en mogelijkheden om keuzes te herzien, door maximaal op- of afstromen en stapelen mogelijk te maken. Het maakt niet langer uit door welke deur de leerlingen naar binnen komen. Het gaat erom dat ze door de goede deur naar buiten gaan. Met het diploma dat bij hun belangstelling en talenten past en met voldoende zelfvertrouwen om hun weg in het onderwijs succesvol te vervolgen.

Het maakt niet uit door welke deur de leerlingen naar binnen komen. Het gaat erom dat ze door de goede deur naar buiten gaan.

Doordat de Nieuwe School een brede school is die alle niveaus aanbiedt, van vmbo tot vwo, is stapelen en doorstromen vanzelfsprekender. Doorstromen naar een hoger niveau kan bovendien makkelijker worden gemaakt door de leerling met extra uren de onderwijstijd in benodigde vakken te laten inhalen. Wie voor de overstap van vmbo kader of vmbo-gl naar de havo de gemiste uren Duits kan bijspijkeren, hoeft geen schooljaar over te doen. Scholen moeten niet afgerekend maar beloond worden als ze kinderen kansen bieden. Anderzijds is overstappen naar een lager niveau soms nodig. Uiteraard willen scholen er alles aan doen om kinderen op een bepaald niveau proberen te houden door bijvoorbeeld bijles, maar het belang van de leerling moet voorop staan. Dat betekent ook niet blijven hangen op een verkeerde niveau.

Differentiatie zonder allesbepalende keuzemomenten en zonder segregatie kan nog verder worden bevorderd met de invoering van het maatwerkdiploma. Nu volgen Nederlandse leerlingen vaak het onderwijs op het niveau van het vak waar ze het slechtst in zijn. Een leerling van vier havo met een 9 voor wiskunde en een 4 voor Nederlands, gaat niet naar het vwo maar blijft op de havo, anders loopt de school een diploma en dus financiering mis. Maar de leerling loopt door dit systeem een toekomst als wetenschapper mis.

Waarom laten we leerlingen geen onderwijs volgen op het niveau waarop zij goed zijn? Laat de bewuste leerling vakken volgen op het vwo, en Nederlands volgen op de havo. Deze leerling zal vervolgens op de Technische Universiteit zijn studie voltooien, samen met veel Chinese studenten die geen woord Nederlands spreken. Vervolgens heeft hij nog zijn hele leven om zijn Nederlands te verbeteren. Dat is een betere volgorde dan zijn leven op vijftienjarige leeftijd negatief te beïnvloeden.

In deze benadering past ook een herwaardering van het ambachtsonderwijs. Er is op onze arbeidsmarkt altijd behoefte aan vakmensen, die het vooral moeten hebben van hun handen. In het basisberoepsonderwijs moet de nadruk dan ook liggen op het aanleren van een vak en de vaardigheden die horen bij goed werknemerschap en burgerschapsvaardigheden. En wat minder op aardrijkskunde en geschiedenis. Dit vakonderwijs gaat een belangrijk onderdeel uitmaken van de Nieuwe School en moet leiden tot een goede doorstroom naar het mbo en een succesvolle start op de arbeidsmarkt voor deze grote groep leerlingen.

Op naar de Nieuwe School

Onderwijs kan er niet voor zorgen dat ouders van hun kinderen houden, voor ze zorgen en hen het zelfvertrouwen en de kennis bijbrengen die nodig zijn om verder te komen in het leven. Misschien was de tragiek van veel onderwijsbeleid in de jaren zeventig wel dat we te veel van scholen verwachtten. Het project van de middenschool was kwetsbaar omdat het te véél verlangde van het onderwijs: gelijkheid én zelfontplooiing, voor de hele samenleving, door de school te leveren. Dat was te veel van het goede. Onderwijs kan niet alle maatschappelijke kwalen genezen. Anderzijds heeft het onderwijsbeleid vanaf de jaren negentig misschien wel te veel verwachtingen gehad van het individu. Dat miskent de cruciale rol van onderwijs in de samenleving.

Onderwijs is immers hét instrument om de link tussen kansen en afkomst te doorbreken. Onderwijs is hét middel om iedereen de mogelijkheid te bieden een plek te verwerven in de samenleving, om ongelijkheid te bestrijden. Om die opdracht ook in toekomst te vervullen moeten onze inspanningen en ambities drastisch omhoog. Er zijn nieuwe politieke keuzes nodig. Voor meer uren onderwijs, meer tijd voor docenten, meer aandacht voor niet-cognitieve vaardigheden, brede scholengemeenschappen en meer mogelijkheden en meer vrijheid voor leerlingen om het onderwijs van hun kunnen te volgen. Voor de Nieuwe School.

Onderwijs is het instrument om de link tussen kansen en afkomst te doorbreken.

De Nieuwe School is geen blauwdruk. Het Nederlandse onderwijs bestaat over twintig jaar niet louter uit dezelfde scholen. Maar de ambities die eraan ten grondslag liggen, zijn wel universeel.

In de afgelopen kabinetsperiode zijn ondanks budgettaire krapte de uitgaven voor onderwijs licht verhoogd en zijn er enkele belangrijke stappen gezet, zoals de opzet van een verplicht lerarenregister, aanpassingen in peuteronderwijs en kinderopvang richting een ‘groep 0’ en meer aandacht voor ambachtsscholen. Maar er zijn ook grote opdrachten blijven liggen, vooral bij het bieden van meer tijd en ruimte aan docenten. De komende kabinetsperiodes zullen we stap voor stap richting de Nieuwe School moeten werken. Het aantrekken van veel meer docenten, het creëren van onderwijs vanaf twee jaar voor iedereen, het uitbreiden van de uren in primair en voortgezet onderwijs en de herwaardering van de ambachtsschool. Het zal jaren duren voor we zover zijn. De onderwijsbegroting zal tegen die tijd ook vele miljarden, tot tien miljard euro, hoger zijn om al deze ambities waar te maken.

Een forse investering. En een enorme inspanning. Maar er is bij ons geen twijfel dat onze kinderen die investering en inspanning meer dan waard zijn. Onderwijs is de sleutelmacht die onze kinderen maakt of breekt. Strijden voor het allerbeste onderwijs is ons doel en onze opdracht.

Voetnoot

[1] SCP (2014), Verschil in Nederland, Sociaal en Cultureel Rapport

[2] CPB (2015), MEV 2016, bijlage 8, kerngegevens collectieve financiën

[3] Link: Data Worldbank

[4] CBS en TNO (2015): Een op de zeven werknemers heeft burn-outklachten.

[5] Zie ook: CPB (2006), Kansrijk Onderwijsbeleid.

[6] CPB (2014), “Investeringen in persoonlijke ontwikkeling verbeteren sociaaleconomische uitkomsten”, CPB Policy Brief 2014/08

[7] Zelfde, Eric van ’t (2015), ‘…dan houden wij ze dom.’

[8] Zie o.a. Leuven et al., 2010; Berlinski et al., 2009; Cascio en Lewis, 2006; Loeb en Bound, 1996; Link en Mulligan, 1986; Lavy, 1998

[9] PlatformOnderwijs2032

[10] Zie WRR-rapport ‘Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland’

[11] Dronkers, Elfers, Karsten, Van der Velden en Van de Werfhorst, Groeiende ongelijkheid vraagt om ingrijpen, Socialisme en Democratie, April 2016