Een vleesgeworden nachtmerrie

Naar aanleiding van de misstanden en gruwelijke mishandeling van varkens in een slachthuis in België, vond hoogleraar Roos Vonk het tijd om de stand van de vleesindustrie in Nederland aan de kaak te stellen. Haar opinie werd door de Volkskrant gepubliceerd en haar analyse werd door velen op social media gedeeld.

Het schadelijke aan dit opiniestuk is dat de argumenten inspelen op sentiment en niet op feitelijke informatie. De behoefte voor kranten en andere media om als eerst te komen met achtergronden bij het nieuws lijkt het soms te winnen van een objectieve kijk naar of achtergrond-check van het geschreven artikel.

Allereerst is het belangrijk om op te merken dat het op zijn minst uitdagend is om objectief onderzoek naar de veeindustrie te vinden. Ook de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) laat na om een goed objectief beeld te geven van hoe het daadwerkelijk onderzoek doet naar naleving van wetten op dierenwelzijn in het slachtproces. Dit werkt niet in het voordeel van de veeindustrie, die ogenschijnlijk niet de moeite lijkt te doen om zelf een ander beeld van de zaken te scheppen.

Informatie en onderzoeken die door onafhankelijke stichtingen voor het verbeteren van dierenwelzijn zijn uitgevoerd zijn echter zeer aanwezig op het internet. Met een simpele zoekopdracht kom je bij de rapportages die hoogleraar Vonk aanhaalt in haar betoog. De kern van het betoog is dan ook waarschijnlijk tot stand gekomen uit één rapport van de Stichting Dier & Recht en Stichting Varkens in Nood, wat geschreven is in 2014, en zich baseert op eigen onderzoekscijfers over de periode daarvoor.

Deze stichtingen claimen wetenschappelijk onderzoek te doen naar dierenwelzijn in de veeindustrie. In hun rapport is de kritiek op de NVWA te lezen die hoogleraar Vonk overneemt in haar artikel, alsmede de cijfers die ze ophaalt over het aantal wettelijke overtredingen wat volgens deze stichtingen wordt gepleegd. Geschokt door het grote aantal overtredingen schreef Vonk dat de veeindustrie de grootste georganiseerde misdaad is in Nederland.

Goed wetenschappelijk onderzoek gaat uit van een objectief beeld waarin er een zo goed mogelijke weerspiegeling van de realiteit kan worden gemaakt. Het vraagt dan ook om onafhankelijkheid, reproduceerbaarheid en een overeengekomen methodiek om dierenwelzijn in de veeindustrie aan af te meten. Helaas mist deze rapportage dit alles.

Dezelfde rapportage uitgevoerd in 2012 leidde tot vragen aan de Europese Commissie. Het antwoord van de commissie luidde dat de methodologie die door de stichting gebruikt werd om de wetsovertredingen te meten niet wetenschappelijk was. Gezien de grootte van deze organisaties is het onmogelijk de omvang van een steekproef die noodzakelijk is voor objectief onderzoek te realiseren. De extrapolaties die door deze stichtingen waren gedaan waren dusdanig substantieel dat een goed beeld van de werkelijkheid nooit kon worden gemaakt uit de opgemaakte data. In de rapportage van 2014 blijven de stichtingen er echter bij dat hun manier van tellen de ‘correcte’ is.

Ook vinden we in dit onderzoek de claim dat het NVWA de industrie zelf controles laat uitvoeren vanwege een tekort aan personeel. Dit argument is volstrekt ongefundeerd, gezien het feit dit nergens anders wordt beaamd of ondersteund door werkelijke communicatie, onderzoek of bronnen binnen of over het NVWA. De NVWA haalt in een eigen publicatie aan dat het frequenter controles uit zal voeren bij vleesverwerkers en slachterijen die in onafhankelijk onderzoek slechter presteren.

Er liggen meer dan voldoende grote uitdagingen om het dierenwelzijn te verbeteren. De oplossingen hiervoor liggen echter niet bij het demoniseren en onder één kam scheren van veehouders en slachterijen. Laten we niet vergeten dat de oplossing voor dit probleem ligt bij verandering van onszelf.

Vonk stelt dat consumenten worden afgeschermd van deze misstanden. Er zijn echter voldoende campagnes die zich inzetten om dierenwelzijn op de kaart te zetten. Het verklaart ook de recente verkiezingswinst van PvdD. In plaats van onszelf in een aangename slachtofferrol te laten schrijven, zullen we eraan moeten dat het onze eigen verantwoordelijkheid is om deze doelen te halen.

Als consument zijn we zelf verantwoordelijk voor de industrialisering van de vleesindustrie. Er zijn twee redenen waardoor we een substantiële verbetering tegenhouden: we willen niet meer betalen voor vlees en we willen geen veehouder, laat staan slachter worden.

De eerste reden heeft veel te maken met een maatschappelijk sentiment dat zich in de economische hausse van de jaren tachtig en negentig heeft geprofileerd. Vlees werd in de jaren ervoor gezien als een luxeproduct, maar daarna als een product wat voor iedereen beschikbaar zou moeten zijn. Een socialistisch ideaal dat geleid heeft tot de devaluatie van het vleesproduct, wat van een specialisme met relatief lage verkoopvolumes werd omgevormd tot een massaproduct met hoge verkoopvolumes.

Ten tweede heeft hetzelfde socialistische ideaal in combinatie met een idee van aanhoudende economische groei geleid tot het kiezen voor andere soorten opleidingen. We kampen met een tekort aan agrarisch personeel, wat nu wordt opgevangen door Poolse arbeidsmigranten.

De economische haalbaarheid van vlees waarin voldoende rekening wordt gehouden met dierenwelzijn wordt juist door deze economische kronkel veroorzaakt. De arbeid mag niets kosten, want de winstmarge op een kilo vlees is al miniem, wat de industrie uiteindelijk ook niet aantrekkelijk maakt om in te investeren (laat staan actief zijn) in het verbeteren van dierenwelzijn, omdat een veehouder zich daarmee uit de markt prijst.

Zolang consumenten blijven geloven dat zij zelf geen verantwoordelijkheid en ook geen rol hebben in het betalen van een eerlijke prijs, blijft het makkelijk om de veehouderij en de slachtindustrie in een kwaad daglicht te stellen, en zelfs af te schilderen als misdadig. Ook de prijs die we bereid zijn te betalen voor biologisch vlees wat beter scoort op dierenwelzijn is uiteindelijk niet voldoende om deze industriesector structureel te kunnen verbeteren.

Tegelijkertijd richten rapporten van stichtingen zich niet op het verder financieel haalbaar maken van de oplossingen die ze zelf suggereren. Er wordt geen gedegen onderzoek gedaan naar wat een eerlijke prijs zou zijn bij kleinere veehouders of meer vrije uitloop. Het is gemakkelijker ideologisch getinte rapporten te schrijven waarin met eigen methodes wordt geëxtrapoleerd hoe erg het mis gaat. Deze manier van onderzoek is net zo wetenschappelijk als een publicatie van Shell dat er nog genoeg olie is voor de lange termijn.

Het uitblijven van een eerlijk beeld maakt het artikel van Vonk meer een schreeuw om aandacht dan een stuk wat illustreert hoe het op te lossen. Zolang dat onze manier is van het aan de kaak stellen van misstanden blijven we in dezelfde impasse.

Like what you read? Give Deepak Birdja a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.