Oriëntatieproef zegt veel, maar niet alles.

Er gaan al jaren stemmen op om een overkoepelende oriëntatieproef te organiseren voor leerlingen die willen voortstuderen in het hoger onderwijs. De KU Leuven vatte dit jaar de koe bij de horens en organiseerde daadwerkelijk zo’n proef. Resultaat: één op drie deelnemers faalde. Zijn die resultaten realistisch? Ja, want 33 % is ook het percentage dat ons werd meegegeven als zijnde het aantal studenten dat ook echt een diploma licentiaat-vertaler op zak zou steken. Wil dat nu zeggen dat als je niet slaagt, je dan ook niet aan je droomstudies mag beginnen en dat je totaal geen kans maakt? Neen en nog eens neen. Ten eerste is de proef niet verplicht en ook niet bindend. Ten tweede wil het enkel een beeld geven van de capaciteiten en of die bepaalde opleiding bij de student past, aldus staat te lezen op de website www.orientatieproef.be. Kortom, wie zo’n proef aflegt, krijgt een idee van zijn kansen en vooral van wat hem/haar te wachten staat.

Zo’n overkoepelende — dus algemene — oriëntatieproef is volgens mij echt noodzakelijk omdat leerlingen uit het secundair onderwijs hogere studies, ongeacht de studierichting en of het nu bachelor- of masterniveau is, vaak enorm onderschatten en een essentieel deel bagage niet voldoende onder de knie hebben: het leren door de bos de bomen te zien. De oorzaak hiervan ligt volgens mij deels bij de leerkrachten uit het middelbaar onderwijs. Als zij de leerlingen bijvoorbeeld aan de hand van praktijkvoorbeelden uit het hoger onderwijs meer zouden laten zien wat voortstuderen inhoudt, zouden ze niet meer zo snel omvergeblazen worden in het eerste jaar. Door de leerlingen in het middelbaar beter te trainen in een aantal essentiële synthetische vaardigheden zullen ze ook sneller alles in het juiste kader plaatsen, iets wat hen niet alleen tijdens hun studies maar ook tijdens de rest van hun leven van pas zal komen. Maar over welke vaardigheden heb ik het dan? De essentie uit een tekst kunnen halen, schrijf- en/of communicatievaardigheid en synthese, gekoppeld aan een juiste grammatica en spelling.

Het lijkt misschien alsof ik voor mijn eigen vak — dat van vertaler — spreek maar zoals al gezegd ook voor de studies, welke richting dan ook, zijn deze vaardigheden, van de eerste tot de laatste allemaal even belangrijk. Als je niet weet hoe je die massa informatie die op je afkomt, moet interpreteren en ermee moet omgaan, hoe kan je dan slagen in je studies? En dat geldt ook voor de rest van je verdere leven want naast specifieke beroepskennis zijn ook deze vaardigheden van groot belang voor je toekomst, ongeacht welke (professionele) wending je leven ook neemt. Ook een loodgieter moet aan zijn klant op een duidelijke manier kunnen vertellen hoe de vork in de steel zit met het leidingprobleem. En ook een bankier die louter en alleen in de cijfertjes zit, moet op een correcte manier een samenvatting van de financiële situatie van zijn klant kunnen geven.

Wat spelling en grammatica betreft, is het zeker een feit dat dat in de ene beroepskeuze meer een rol speelt dan in een andere. Maar om daar al vanaf het middelbaar een onderscheid in te maken en dan maar meteen te beginnen om daar een lagere prioriteit toe te kennen en er bijvoorbeeld geen punten meer voor af trekken tijdens proeven en examens, dat gaat voor mij een brug te ver. Ook mijn loodgieter moet mij in correct geschreven Nederlands een prijsofferte kunnen sturen en van mijn bankier verwacht ik evenmin brochures of cijfermateriaal vol spellings-en grammaticafouten te krijgen.

En van de ondertitelaar van je favoriete tv-programma verwacht je ook vlekkeloos Nederlands en dus niet “ik heb het niet zo bedoelt” (gisteren gelezen op de Nederlandse tv) en ook in reisbrochures wil ik niet lezen dat ik op de busreis word “vergezeldt” door twee reisgidsen… (voorbeeld uit mijn praktijkervaring als vertaler). Want zeg nu zelf, als je een dergelijke fout ziet, dan doet dat toch meteen afbreuk aan het beeld dat je van die professional hebt, welke branche dan ook?

Maar er is meer… Zo’n proef zou de toekomstige student ook inzicht moeten geven in zijn algemene kennis, kennis die misschien niet specifiek gericht is op zijn latere beroepsmogelijkheden, maar die hij in zijn verdere leven wel kan nodig hebben. Voorbeeld uit mijn eigen praktijk: ik moest onlangs een vertaling corrigeren over een verzorgingsproduct waarin de hele geschiedenis van de appel uit de doeken werd gedaan. Uiteraard kwam daar ook het verhaal van Adam en Eva aan bod. Uit de vertaling kon ik opmaken dat de vertaler in kwestie totaal niet wist waarover dat verhaal ging en dus niet begreep wat de achterliggende bedoeling van het verhaal was. Conclusie: iets waarvan je in eerste instantie niet denkt dat je het nodig hebt voor je latere beroep, kan ineens toch opduiken. En die algemene kennis is iets waar de leerkrachten in het middelbaar onderwijs veel meer op zouden moeten hameren, desnoods met praktijkvoorbeelden. Want hoe graag ik ook het tegendeel zou willen beweren, ik heb voorbeelden in overvloed.

En dan is er uiteraard ook nog de algemene maar oh zo cruciale vaardigheid voor een welslagen in hogere studies: planning en structuur. Wie geen planning kan opstellen en zich daaraan kan houden, zal vaak stuurloos ronddrijven en tijd verdoen met de verkeerde dingen. Prioriteiten stellen, maar ook je eigen kennis en kunde inschatten, de lat net hoog genoeg leggen voor jezelf, …

Uiteraard kan je — net zoals ik gedaan heb — die zaken jezelf aanleren, maar dat vergt enorm veel doorzettingsvermogen en kracht. Huiswerk met een korte en langere deadline is één van de manieren om dat de leerlingen bij te brengen. Toch zijn er scholen waarin wordt beweerd dat huiswerk niet bijdraagt tot betere resultaten. Hoe moeten die leerlingen dan leren prioriteiten te stellen? Dat studeren (en werken) voorgaat op televisie kijken of uitslapen? Hoe moeten die zichzelf dan discipline aanleren en leren omgaan met timemanagement?

Een oriëntatieproef zegt veel maar niet alles

Toch mogen ouders en leerlingen/studenten zich ook weer niet te veel laten leiden door deze proef. Daar ben ik zelf een van de schoolvoorbeelden van. Toen ik na mijn lager onderwijs de PMS-toetsen aflegde, kreeg ik een negatief advies voor het TSO. Mijn cijfers voor wiskunde waren te zwak. Mijn ouders besloten echter dit advies naast zich neer te leggen en schreven me toch in voor het TSO. Ok, ik blonk niet uit in wiskunde maar ik heb nooit zware problemen gekend, integendeel, ik studeerde vlekkeloos af in de studierichting Secretariaat-Talen met heel hoge cijfers voor mijn favoriete talen. Dat was schoolvoorbeeld 1.

Voor de studierichting van mijn droomjob, licentiaat-vertaler, — ik wilde immers van kindsbeen af vertaalster worden — bestond er geen oriëntatieproef, maar het merendeel van de leerkrachten was het erover eens: hogere studies waren te hoog gegrepen voor mij. Ik maakte geen enkele kans. Toch greep ik de kans die mijn ouders mij schonken met beide handen en ging de uitdaging aan. Ik schreef me in op de Mercator Hogeschool Gent voor de talen Frans en Duits. Maar ook in die tijd waren er al enkele leidraden waaraan ik een houvast had en die eigenlijk mijn verhaal van hierboven staven. Zo werd er aan het begin van het eerste academiejaar een cursus aangeboden waarin je leerde cursusmateriaal samen te vatten en de essentie eruit te halen. Wat ik daarin geleerd heb, pas ik nu nog steeds toe (bijvoorbeeld ook voor het schrijven van blogs).

Daarnaast werden er voor de talen ook toetsen georganiseerd om je inzicht te geven in je kennisniveau. Uiteraard bleek daaruit dat ik voor mijn beide talen niet het gewenste niveau behaalde met mijn TSO-achtergrond, maar daar was ik al meermaals voor gewaarschuwd. Met bijscholing en volharding en een strakke planning haalde ik de achterstand in en slaagde ik binnen de vier academiejaren, net als collega-studenten uit het humaniora.

En nu, nu ben ik een gevestigde freelancevertaalster en zaakvoerster van EP Vertalingen, die nog steeds blij is dat ze al die proeven heeft afgelegd maar ik heb ze wel op mijn eigen manier geïnterpreteerd.

Els Peleman
EP Vertalingen