Exploitatie als emancipatie: waarom vrouwen niet moeten werken

Hoe het feminisme de vrouw exploiteert door kapitalistische structuren als een emancipatoir ideaal te presenteren.

Nog geen zestig jaar geleden werd de Nederlandse arbeidsmarkt gedomineerd door mannen. Dit is niet vreemd — het was tot ver in de jaren ’50 gebruikelijk om een vrouw per direct te ontslaan wanneer zij met een man in huwelijk trad. In het jaar 1957 kwam hier echter abrupt verandering in. Het verbod op het aanstellen van gehuwde vrouwen werd toen opgeheven en arbeidsdeelname werd de daaropvolgende decennia genormaliseerd. In dit essay zal ik betogen dat het propageren van vrouwelijke arbeidsdeelname door feministen paradoxaal genoeg heeft geleid tot een expansie van de structurele kapitalistische exploitatie en onderdrukking van deze arbeidsters. Hierbij zijn klassieke marxistische idealen verloochend en is de mogelijkheid op een proletarische revolutie stilzwijgend genegeerd. De vrouw kan haar revolutionaire potentieel echter herwinnen door terugtreding uit de arbeidsmarkt. Vanuit de antikapitalistische omgeving van het traditionele huishouden heeft de vrouw de mogelijkheid voluit te experimenteren met onconventionele utopische samenlevingsvormen. Dit zal op termijn een implosie van het kapitalisme tot gevolg hebben.

Arbeidsdeelname door vrouwen wordt in de feministische literatuur van de tweede golf veelvuldig geanalyseerd als een historische en emancipatoire overwinning op de repressieve mannelijke dominantie zoals verankerd in het traditionele broodwinnersmodel. Wetten die arbeidsdeelname voor beide seksen mogelijk maken zouden vrouwen immers in staat stellen hun ‘werkelijke’ idealen en ambities te realiseren in het bedrijfsleven of bij de overheid. Marxistische feministen wijzen er bovendien op dat vrouwen een hoge mate van onafhankelijkheid verwerven wanneer zij niet langer gedwongen worden onbetaald werk te verrichten in het huishouden. De Nederlandse overheid voert daarom samen met het bedrijfsleven en non-gouvernementele organisaties actief overheidsbeleid om arbeidsdeelname onder vrouwen te vergroten. De huidige minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker presenteert toetreding tot de kapitalistische arbeidsmarkt dan ook stelselmatig als een universeel en nastrevenswaardig ideaal voor de geëmancipeerde vrouw.

Wanneer deze feministen een emancipatoir ideaal van vrouwelijke arbeidsdeelname propageren lijken zij zich echter niet te realiseren dat deelname aan de kapitalistische arbeidsmarkt tot een geheel nieuwe vorm van uitbuiting en onderdrukking van vrouwen leidt. Deze exploitatie is inherent aan het kapitalistisch systeem en komt voort uit het gemeenschappelijk belang van bedrijven de absolute meerwaarde van arbeid te minimaliseren en de relatieve meerwaarde van arbeid te maximaliseren. Formeel onproductieve werknemers zoals managers en aandeelhouders zullen immers aanspraak willen maken op de absolute meerwaarde van productieve werknemers. Dit leidt tot een permanent belangenconflict tussen arbeiders enerzijds en bedrijven, managers, overheden, aandeelhouders en supervisors anderzijds. Zij zullen er door het verlagen van lonen, het verlengen van werkdagen en het disciplineren van werknemers alles aan doen om hun oneigenlijke winsten te maximaliseren.Wanneer werknemers dit niet toestaan zullen zij niet worden aangenomen. Het resultaat is een permanente staat van exploitatie en het is geen teken van emancipatie om de vrouw aan zo’n toestand te onderwerpen.

Het toetreden van de vrouw tot de kapitalistische arbeidsmarkt leidt er niet alleen toe dat zij wordt geëxploiteerd in een kapitalistisch systeem, het heeft ook tot gevolg dat de ongelijke machtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal verslechteren. Wanneer beide seksen deelnemen aan arbeidsparticipatie betekent dit immers een verdubbeling van het aanbod aan arbeid en een uitbreiding van het ‘reserveleger’ aan werknemers. Dit zal er op zijn beurt toe leiden dat lonen dalen omdat werkgevers door vrouwelijke arbeidsdeelname makkelijker in staat zijn werknemers te vervangen. Dit zorgt ervoor dat bedrijven de verhouding tussen relatieve en absolute meerwaarde kunnen aanscherpen en het loon van hun werknemers kunnen verlagen. Het gevolg is dat zowel mannen als vrouwen slechter af zijn wanneer zij beiden toetreden tot het arbeidsproces. Zij zouden andersom beiden profiteren wanneer slechts één van hen de arbeid verricht. De verhouding tussen de absolute en relatieve meerwaarde zou dan immers verbeteren.

Throwing every member of the family on to the labour-market, spreads the value of the man’s labour-power over his whole family. (…) In order that the family may live, four people must now, not only labour, but expend surplus labour for the capitalist. (Marx 1876, Capital I).

Men kan zich dan ook afvragen of de toetreding van beide seksen tot de vrije arbeidsmarkt überhaupt een wenselijk ideaal is. Door conservatieve kapitalistische structuren als een emancipatoir ideaal te presenteren heeft het feminisme de vrouw niet geëmancipeerd maar geëxploiteerd. Enkel het grootkapitaal heeft immers baat bij de dalende lonen die voortkomen uit een groeiend reserveleger. Dit leidt namelijk tot een uitbreiding van hun oneigenlijke winsten. Deze neoliberale belangenbehartiging door feministen kan op twee manieren worden verklaard. Enerzijds zal een deel van de feministen de status quo aanvaarden en überhaupt niet geloven in een post-kapitalistische samenleving. De toetreding van vrouwen tot de kapitalistische arbeidsmarkt kan dan als een vorm van emancipatie worden bezien. Anderzijds zullen marxistische feministen de klassiek marxistische visie van het historisch materialisme, de dialectiek en het economisch determinisme hanteren. Zij zullen beargumenteren dat revoluties enkel voortkomen uit interne klassentegenstellingen in de onderbouw. Volgens deze visie zou arbeidsdeelname door vrouwen de kans op een revolutie vergroten omdat dit de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal maximaliseert. Het onderwerpen van de vrouw aan de grillen van de kapitalistische arbeidsmarkt zou dan als een offer in afwachting op een versnelde revolutie kunnen worden bezien.

In de Nederlandse samenleving lijkt deze post-kapitalistische revolutie echter nog lang niet in zicht. Klassentegenstellingen en sociaaleconomische ongelijkheden uitten zich wel in populisme en maatschappelijke onvrede maar worden effectief gekanaliseerd in de representatieve democratie. Wanneer we een proletarische revolutie willen forceren lijkt het dan ook niet zinvol ons neer te leggen bij het gebrek aan ‘agency’ dat het historisch materialisme van Marx typeert. De kritische theorie in het neomarxisme zou daarentegen wél iets kunnen betekenen voor de Nederlandse casus omdat het in tegenstelling tot het klassiek marxisme erkent dat staten, actoren, culturen en ideologieën in de bovenbouw een ‘relatieve autonomie’ hebben. Vrouwenemancipatie en proletarische revoluties zouden volgens deze visie niet enkel voortkomen uit interne klassentegenstellingen in de onderbouw maar gevormd kunnen worden in relatief autonome sferen van de maatschappij zoals het kritisch onderwijs. Deze autonome sferen kunnen volgens theoretici van neomarxistische ‘resistence theory’ gebruikt worden om valse behoeften gecreëerd door dominante ideologieën en kapitalistische hegemonieën te ontmantelen.

Wanneer we met deze neomarxistische bril naar de Nederlandse casus rond vrouwenemancipatie kijken doet zich een geheel nieuwe mogelijkheid voor: de mogelijkheid dat de vrouw niet toetreed tot de kapitalistische arbeidsmarkt maar zich op vrijwillige basis verenigt vanuit het gezinsleven en het huishouden. Dit gezinsleven vormt immers bij uitstek een geschikt startpunt om nieuwe utopische samenlevingsvormen te realiseren. Hier is productieve arbeid nog niet gecommodificeerd en staat men direct in contact met het resultaat van de arbeid die men verricht: dit voorkomt de door Marx gevreesde ‘alienation’. Op basis van wederzijds vertrouwen kunnen vrouwen hier vrijelijk een revolutionaire voorhoede vormen en veelvuldig experimenteren met alternatieve relaties tussen arbeid en kapitaal. Zo zou het uiterst interessant zijn om in lokaal of regionaal verband te experimenteren met nieuwe (digitale) eigendomssystemen zoals shareware, het open-acces eigendom, de hybride ‘township and village eneterprise’ (TVEs), de democratische cooöperatie of het gemeenschappelijk eigendom gebaseerd op wederzijds vertrouwen en altruïsme. Onder de juiste omstandigheden kunnen deze eigendomssystemen superieur zijn aan systemen van prive-eigendom zoals door westerse neoliberale feministen geïdealiseerd.

Het is van cruciaal belang dat specifiek de vrouw en niet de man sturing geeft aan deze experimenten met hernieuwde relaties tussen arbeid en kapitaal. Dit geeft de vrouw immers de mogelijkheid een feminien institutioneel alternatief te bieden aan de eeuwenlange door masculiniteit gedomineerde staatsvormingsprocessen. Zo toont de post-structuralistische feministe Ann Tickner in haar boek ‘Gender in international relations’ aan dat de overwegend mannelijke betrokkenheid bij staatsvorming diepe sporen heeft nagelaten in (inter)nationale machtsverhoudingen. Breines, Connell en Eide beargumenteren bovendien dat de verankering van masculiniteit in internationale instituties zoals de Verenigde Naties een cruciale rol speelt bij het ontstaan van oorlogen en conflict. Het integreren van feminiteit in deze instituties zou volgens hen een substantiële bijdrage leveren aan vrede en conflictbeslechting. Volgens David Knight is de norm van masculiniteit ook zichtbaar in financiële instituties: het is volgens hem zelfs een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van de financiële crisis in 2008. Om deze masculiniteit verankerd in hedendaagse politieke, economische en sociale instituties een halt toe te roepen is het essentieel dat niet de man maar de vrouw het initiatief neemt in de creatie van een post-kapitalistische utopie. De hegemoniale patriarchale masculiniteit kan dan worden getransformeerd tot een feminiene werkelijkheid.

Too often the great decisions are originated and given form in bodies made up wholly of men, or so completely dominated by them that whatever of special value women have to offer is shunted aside without expression. Eleanor Roosevelt (1954).

Concluderend kunnen we stellen dat veel feministen hun klassiek marxistische idealen hebben verloochend: zij presenteerden de conservatieve kapitalistische arbeidsmarkt als een emancipatoir ideaal en exploiteerden hiermee arbeiders van beide seksen. Ten eerste omdat bedrijven in een kapitalistische arbeidsmarkt voortdurend trachten de absolute meerwaarde van arbeiders te minimaliseren. Ten tweede omdat de onderhandelingsposities van beide seksen verslechteren wanneer het reserveleger aan arbeiders groeit. Feministen hebben bovendien weinig aandacht besteed aan het beramen van een socialistische, communistische of anderszins post-kapitalistische revolte: men werd na toetreding tot de arbeidsmarkt aan het lot overgelaten. Dit terwijl veel vrouwen naast hun werk relatief vaak onbetaalde huistaken moesten verrichten: zij werden belast met de ‘double bourden’. Deze neoliberale belangenbehartiging kan enkel een halt worden toegeroepen wanneer de vrouw zich terugtrekt uit de kapitalistische arbeidsmarkt en zich in kritisch verband verenigt. Vanuit de beschermende sfeer van het gezinsleven en het traditionele huishouden kan de vrouw volop experimenteren met post-kapitalistische utopieën. Wanneer dit revolutionaire experiment slaagt, zal de man zich getergd door exploitatie in het kapitalistisch systeem enerzijds en verleid door het vrouwelijk utopisch gedachtegoed anderzijds conformeren naar deze nieuwe samenlevingsvorm. Dit zal de langverwachte implosie van zowel het patriarchaat als de kapitalistische arbeidsmarkt een stap dichterbij brengen.

Het huishouden als broedplaats voor feminiene post-kapitalistische utopieën