Tweehonderd jaar studiefinanciering

Dit jaar viert de studiefinanciering haar tweehonderdjarig bestaan. Met de invoering van het leenstelsel is dat het zoveelste omslagpunt in het denken over studiefinanciering.

tekst — Henk Strikkers | Folia

Beeld: Studenten protesteren op het Binnenhof tijdens een commissieoverleg over de studiefinanciering in 1987. Foto: Nationaal Archief (cc)


Proloog – Een gift of een lening?
Dit jaar bestaat het Nederlandse stelsel van studiefinanciering tweehonderd jaar. Daarmee is de studiefinanciering even oud als het Koninkrijk der Nederlanden.

Even oud als de studiefinanciering is de vraag of die steun van de overheid zou moeten bestaan uit een gift of een lening. En moet de overheid alle studenten hetzelfde bedrag geven, of moet daarbij gekeken worden naar het inkomen van de student en zijn ouders?

Het in 2014 gesloten leenstelselakkoord lijkt te kiezen voor een combinatie: een inkomensonafhankelijke lening en een inkomensafhankelijke beurs. De vraag is hoe lang dat het vigerende beleid is.


1815 – Een tegemoetkoming voor minderbedeelde studenten
Op 16 maart 1815 roept Willem Frederik van Oranje-Nassau in de Nieuwe Kerk in Amsterdam zich uit tot Koning der Nederlanden. Daarmee ontstaat het Koninkrijk der Nederlanden, een nieuwe staat die als buffer moet dienen tegen Frankrijk. Willem I, zoals Willem Frederik zich vanaf dat moment noemt, heeft echter een probleem. De afgelopen decennia is Nederland door een Franse of alleszins niet-Oranjegezinde elite bestuurd. Hij moet snel een nieuwe ambtenarij opleiden.

Om snel die loyale, Oranjegezinde elite te creëren, besluit hij om studenten uit mindere milieus met academische capaciteiten een beurs te bieden. Dat is geen nieuw fenomeen. Particuliere geldschieters en religieuze organisaties boden al langer beurzen aan studenten uit minderbedeelde milieus aan.

Bij de toewijzing in de praktijk wordt vooral gelet op capaciteiten van studenten en weinig op afkomst, waardoor ook gegoede studenten ervan profiteren. Aangezien de landelijke overheid nog niet optimaal functioneert, verzamelt iedere universiteit afzonderlijk de beursaanvragen. Zij rangschikken deze en sturen de gerangschikte studenten naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken die vervolgens de beurzen toewijst. De beurzen zijn overigens slechts een bijdrage in de studiekosten en bedragen ongeveer een derde van de gemiddelde uitgaven van studenten.

Beeld: Schilderij van Koning Willem I met de Grondwet van 1815 door Mattheus Ignatius van Bree (Nationaal Archief, cc)


1924 – Een leenstelsel
Nadat er al meerdere malen aanpassingen zijn geweest in de omvang van de studiebeurs en de hoeveelheid studiebeurzen die wordt uitgekeerd, komt er in 1924 een leenstelsel voor studenten. Dat past in de bezuinigingstrend van het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck II (RKSP, ARP & CHU), dat zich door economische malaise genoodzaakt ziet het mes in de overheidsfinanciën te zetten.

Beeld: Premier Charles Ruijs de Beerenbrouck. Foto: Nationaal Archief (cc)

Opvallend genoeg vertoont de discussie van destijds dezelfde trekken als die in de jaren negentig wordt gevoerd over de beperking van de basisbeurs. Door de toenemende studentenaantallen zou een handhaving van de beurs het onderwijsbudget uithollen. Dat zou ten koste gaan van de onderwijskwaliteit.

Net als in 2014 bestaat ook negentig jaar eerder de angst dat door de invoering van een leenstelsel studentenaantallen zullen afnemen en dat afgestudeerden dankzij hun studieschuld een baan onder hun niveau zullen aannemen. Daarom wordt besloten om de beurs voor ‘maatschappelijk nuttige functies’ te laten bestaan. In de praktijk ontvangen met name studenten van religieuze opleidingen een beurs.


1956 – De studietoelage
Ten tijde van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog is de vraag naar hoogopgeleid technisch personeel zo groot dat de regering studeren aantrekkelijker wil maken.

Bovendien wordt de opvatting dat kinderen die voor een dubbeltje geboren zijn een kwartje kunnen worden, steeds breder gedeeld. Om scholieren uit kansarme milieus naar de universiteiten te lokken is naast de lening ook een beurzenstelsel nodig, zo oordeelt de regering. Er wordt daarom een studietoelage in het leven geroepen. Enkel studenten van zeer arme ouders kunnen aanspraak maken op een schamele tegemoetkoming in de kosten van het studeren.

In de beginperiode van de toelage is deze overigens nog gekoppeld aan het ouderlijk inkomen en aan de cijferlijst op de middelbare school. Enkel studenten met een gemiddelde van 7 of hoger in hun laatste jaar komen in aanmerking voor de beperkte beurs. Spoedig wordt echter besloten dat criterium te laten varen en alle studenten met minder verdienende ouders tegemoet te komen.

Beeld: Studenten protesteren in 1966 tegen een aangekondigde verlaging van de studietoelage. Foto: Nationaal Archief (cc)



1986 – De basisbeurs
In de jaren zeventig wordt het hoger onderwijs meer en meer gedemocratiseerd en nemen de studentenaantallen toe. Toch is het voor lang niet iedereen mogelijk om te studeren. In het begin van de jaren tachtig ageren de studentenbonden voor de invoering van een andere vorm van studiefinanciering; namelijk een inkomensafhankelijke beurs.

Het eerste kabinet-Lubbers (CDA & VVD) gaat overstag en minister Deetman mag de studenten blij maken met hun zo vurig gewenste basisbeurs. Iedereen die ouder is dan 18 en ingeschreven staat aan een school of universiteit, krijgt 600 gulden in de maand. Daarenboven blijven de aanvullende beurs en de mogelijkheid een lening aan te gaan bestaan.

De studenten zijn echter niet tevreden met de invoering van de basisbeurs, omdat dit voor iedere student hetzelfde bedrag is. Studenten van rijke ouders die het niet nodig hebben krijgen extra geld, terwijl armere studenten geld moeten lenen, zo luidt de argumentatie. Het leidt tot de bezetting van het Ministerie van Onderwijs in 1985 en rellen op het Binnenhof in 1986.

https://www.youtube.com/watch?v=8B38mIPf2jc

1991 – Het studentenreisrecht en een eerste korting
Al snel blijkt dat de basisbeurs in de originele opzet onhoudbaar is. Het is onmogelijk om de basisbeurs mee te laten groeien met de stijgende kosten van levensonderhoud, omdat steeds meer studenten gebruik maken van die basisbeurs.

In 1991 wordt de basisbeurs voor het eerst gekort, zodat het ov-studentenreisrecht kan worden ingevoerd. Hoewel dat reisrecht dan nog onbeperkt is, zijn de studenten boos om deze sigaar uit eigen doos. Ze hebben liever dat ze zelf kaartjes kopen, dan dat het Ministerie een deal maakt met de vervoersbedrijven.

Bovenop de korting die nodig is voor het reisrecht, wordt de beurs dat jaar nog verder verlaagd. Het heeft een woedende studentenpopulatie tot gevolg. De Oude Manhuispoort wordt bezet, evenals vele andere universiteitsgebouwen in den lande. Uiteindelijk worden de plannen toch doorgezet.

Beeld: Studenten protesteren op Utrecht Centraal Station tegen de invoering van het studentenreisrecht. Foto: Nationaal Archief (cc)



1993 – De tempobeurs en het einde van de mbo-studiefinanciering
In 1991 houdt de PvdA, de partij van toenmalig Onderwijsminister Jo Ritzen, de zogenaamde tempobeurs nog tegen. Besparingen blijven echter nodig. Twee jaar later krijgt de minister alsnog zijn zin met het afschaffen van de studiefinanciering voor mbo-scholieren en een aangepaste versie van de tempobeurs.

Die tempobeurs moet voorkomen dat jongeren zich inschrijven aan een universiteit of hogeschool, zonder zij daadwerkelijk vakken volgen en tentamens maken. Ritzen dwingt studenten om 10 van de 42 (oude) studiepunten te behalen om in aanmerking te komen voor de basisbeurs, de aanvullende beurs en het ov-studentenreisrecht.

Dat studentenreisrecht wordt een jaar later bovendien verder beperkt: bezitters van het recht moeten kiezen tussen een week- en een weekendkaart.

De tempobeurs van 10 van de 42 studiepunten blijkt overigens al snel te weinig effect te sorteren. De geplande besparing wordt niet behaald. In 1995/96 wordt besloten de tempobeursnorm te verhogen naar 50 procent van het aantal studiepunten.


1996 – De prestatiebeurs
Bij het aantreden van het kabinet-Paars I (PvdA, VVD & D66) wordt Onderwijsminister Jo Ritzen opgezadeld met een almaar groeiend prijskaartje voor de studiefinanciering. Zijn tempobeurs heeft definitief onvoldoende effect gesorteerd en is aan vervanging toe, zo beseft men.

Ritzen krijgt de opdracht om maar liefst anderhalf miljard te bezuinigen op de studiefinanciering om deze ook in de toekomst houdbaar te maken. Om dat te realiseren stelt hij een prestatiebeurs voor, zoals deze tot op heden bestaat. In eerste instantie wordt dit vanwege de krappe invoeringstermijn in de Eerste Kamer verworpen, maar een tweede poging om de prestatiebeurs in te voeren slaagt.

Wanneer studenten niet binnen tien jaar afstuderen wordt de basisbeurs, de aanvullende beurs en studentenreisrecht van een gift omgezet in een lening. De studiefinanciering wordt bovendien verkort van vijf tot vier jaar.

Beeld: Onderwijsminister Jo Ritzen in 1996 | Foto: Nationaal Archief (cc)


De jaren nul – De studiefinanciering ter discussie
Het kabinet-Balkenende IV (CDA, PvdA & ChristenUnie) kondigt bij haar aantreden aan dat zij de lerarensalarissen wil verhogen. Om dat mogelijk te maken wordt vanaf het aantreden al gauw lonkend naar de studiefinanciering gekeken.

In 2007 gooit minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de knuppel in het hoenderhok. Hij wil de basisbeurs afschaffen. Zijn coalitiepartners CDA en ChristenUnie twijfelen en uiteindelijk sneuvelt het kabinet voordat het er een standpunt over inneemt.

De daaropvolgende regering-Rutte I (VVD, CDA & PVV) stelt een andere besparingsoperatie voor: de langstudeerboete. Studenten die meer dan één jaar langer doen over hun studie dan nodig is moeten per jaar drie duizend euro extra aan collegegeld betalen.

Een gigantisch studentenprotest tegen de plannen lijkt niet te helpen; in 2012 wordt de langstudeerboete ingevoerd.

https://www.youtube.com/watch?v=8YP8B5zFk74

Het kabinet-Rutte II (VVD & PvdA) schaft bij haar aantreden de langstudeerboete direct af en stelt in haar regeerakkoord dat ze een leenstelsel wil invoeren.


2015 – Het leenstelsel
Dit voorjaar presenteren VVD, PvdA, D66 en GroenLinks de langverwachte plannen voor een leenstelsel ter vervanging van de basisbeurs. Als alles volgens plan verloopt, zullen studenten die per 2015 aan een studie beginnen niet langer aanspraak kunnen maken op een basisbeurs.

Het studentenreisrecht blijft wel bestaan, net zoals de aanvullende beurs. Die laatste wordt zelfs verhoogd voor de laagste inkomensgroepen. Het leenstelsel is volgens de partijen nodig om structureel te kunnen investeren in het hoger onderwijs.

Wederom zijn de studentenbonden woedend en ook in de achterban van GroenLinks is het onrustig. Het is nog maar de vraag of het leenstelsel daadwerkelijk per 1 september 2015 zal worden ingevoerd.

Beeld: Jet Bussemaker, huidig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Foto: Partij van de Arbeid (cc)


Januari 2015 — Definitieve instemming van het parlement
Ondanks protesten van studenten- en scholierenorganisaties op het Haagse Malieveld, blijft het plan op koers. In de Tweede Kamer stemmen de opstellers van het plan, VVD, PvdA, D66 en GroenLinks, voor het wetsvoorstel. Daarmee is er een ruime meerderheid voor het voorstel.

De verwachtingen zijn dat dit in de Eerste Kamer anders is. Niet alleen is een groot deel van de senatoren hoogleraar van beroep, ook stemmen zij minder in lijn met de fractiediscipline dan hun collega-parlementariërs in de Tweede Kamer. De zorgcrisis vlak voor Kerstmis 2014 laat bovendien zien dat dissidente senatoren hun poot kunnen en willen stijfhouden.

Op dinsdag 21 januari wordt het leenstelsel in de Eerste Kamer behandeld. De senatoren ondervragen minister Bussemaker veel kritischer dan de Tweede Kamerleden dat eerder deden, maar het blaffen wordt geen bijten. Bij de stemming blijft Bussemakers voorstel fier overeind. Van de 65 aanwezige senatoren stemmen er 36 voor en 29 tegen het voorstel. Daarmee is de weg vrij om het leenstelsel per 1 september 2015 in te voeren.