Een duik in het diepe (Dutch)

November 2015

Het is maandagavond. Door het schemerdonker fiets ik over de Leidse singels. Hoe lang heb ik eigenlijk al geen zwembad meer van binnen gezien? Een waterrat ben ik nooit geweest. Mijn A-diploma voelde als een godsgeschenk — eindelijk een einde aan dat wekelijkse gevecht tegen het water. Zwemmen staat voor mij dan ook eerder synoniem aan niet verdrinken dan aan lekker baantjes trekken. Terwijl ik mezelf opnieuw afvraag of dit wel zo’n goed idee is, glijdt de schuifdeur van het zwembad voor m’n neus open.

De geur van chloor komt me tegemoet. Geharnast in een te kleine lichtblauwe Speedo en gewapend met een fonkelnieuw zwembrilletje loop ik nerveus richting het wedstrijdbad. De hoofdtrainer schudt m’n hand, vraagt naar m’n zwemniveau en wijst vervolgens naar de meest rechter baan. “Duik d’r maar in, dan gaan we eens kijken wat we ervan kunnen maken.’’

Zwemloop Bodegraven, maart 2016

Duiken? Nou, dat lijkt me een slecht plan. De kans dat je tijdens je eerste zwemles in twintig jaar plat op je buik gaat is vrijwel honderd procent. En tussen al die stoere triatleten is dat het laatste wat je wilt. Ik laat me daarom rustig in het water zakken, zet stevig af en begin aan m’n warming-up.

Een triathlon kun je tijdens het zwemmen niet winnen. Wel verliezen. Tenminste, dat zeggen gelouterde triatleten die in interviews hun ervaringen delen met gewone stervelingen. Nou, daar is geen woord aan gelogen. Krap vijfentwintig meter na mijn afzet grijp ik compleet buiten adem en in lichte paniek met beiden handen het zwembadtrapje beet. Dat valt vies tegen.

De laatste keer dat ik me zo verschrikkelijk voelde was zo’n tweeënhalf jaar geleden, toen ik voor het eerst een ‘een singeltje’ ging lopen. Een rondje rond het centrum van Leiden van zes kilometer en een beetje. Een vriend van me was als rokende, drinkende en onsportieve Leidse student voor een half jaar naar Denemarken vertrokken. Tijdens zijn semester in Aarhus veranderde hij van Leidse modelstudent in een fanatieke loper die uiteindelijk de plaatselijke halve marathon uitliep. Ik kon niet achterblijven.

Dus daar liepen we. Onder de Morspoort door, over het Galgewater langs de Rembrandtplaats zo de Witte Singel op. Tot aan de Universiteitsbibliotheek leek het zelfs even op hardlopen. Maar nog geen drie kilometer verderop stond ik met m’n handen op m’n knieën braakneigingen te onderdrukken. “Kom op gast, lopen.” Nou, even wachten maar.

Zo voel ik me nu opnieuw. Terwijl de anderen rustig doorzwemmen, kijk ik over het water naar de trainer. Ik vraag mezelf af of ik ooit vijfhonderd meter achter elkaar zal kunnen zwemmen. Dat zijn twintig baantjes. Twintig!

Maar veel tijd om na te denken is er niet. Een triathlon begint nou eenmaal met zwemmen. Niet met tompoucen eten, hamburgers bakken of iets anders waar ik écht in uitblink. Dus ik raap al m’n moed bijeen en hervat mijn lijdensweg. Terug naar de overkant.

Een triathlon is voorlopig nog heel ver weg.

Like what you read? Give Lennart Wegewijs a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.