Zwijg stil.

Prélude

Qu’il faut choisir dans la vie, m’a-t-on dit. Je choisis de ne pas choisir, de ne pas accepter ce boulot de rêve car je sais qu’après deux mois ça va me saouler de bosser parmis des gens correctes pour payer mes dettes de vie irresponsable. C’est comme ça. Je trouverais bien un moyen de moyenner, de vivre avec mes hauts et mes bas, de continuer la lutte comme j’en oublie le secret. Mais ma copine va pas comprendre et ma mère va pas être contente. La première je la largue et la deuxième m’a toujours dit de faire ce que je voulais faire dans la vie pour être heureux, donc tant pis. Franchement, j’ai plus peur de signer un contrat que de rencontrer le désespoir qui s’installe dans mon compte en banque. Mon coeur me dit ce que je dois faire. Je veux soleil et bonheur, pas du neuf à cinq pour résoudre les neuroses des autres. Je vais rester free, Lance. Ouais. Je vais rester Free. On ne brûle pas ses rêves. Je préfère dormir tard pour garder le feu ouvert que de me lever tôt pour me plaindre de la pluie. Enfin j’sais pôh... Ils prennent super longtemps pour répondre, quand-même.

Zakencijfers en binnenblijvers

Het begon, zoals gewoonlijk, allemaal goed. Contract getekend, kon ik weer iets betekenen. Ze geilden op die creatieve kerel die schwung ging geven aan hun digitaal product. Ze hoopten op een mirakel, een binnenweg uit de crisis. Deuren dicht, binnen op het bureau. Stilzwijgende non-sfeer, niemand praat. Iedereen naarstig aan het werken, of aan het websurfen. Ik zou beter wat nieuwe klanten zoeken. De manager roept je naar beneden, om wat te praten.

“Ach, Peter, we zitten hier ook gewoon maar wat te zitten hoor.”

Het begint altijd met zo’n zijdelingse opmerking, dat je denkt, hier zit ergens iets scheef.

“Nee, normaal gaan we elke vrijdagmiddag iets eten, ja. Maar nee, kijk, we wachten meestal totdat Zij opstaat, ja. Nee, vandaag is ze blijven zitten, ja.”

Niet gaan eten, dus.

Maar Manager, zeg ik, gij zijt toch de baas? Klop eens met uw vuist op tafel!

“Hm, euhm. Ach, dat gaat hier al drie jaar zo. Vroeger was het nog erger, ze hebben hier nog staan roepen en schreeuwen en toestanden.”

De werkvloer. Je komt binnnen: Bonjour! Sommigen mompelen een verdomde goeiedag. Er hangt een onzichtbare, loodzware sfeer. Getikt getik van klavieren. Stilte. Op een hoger niveau is er een tweede bureau waar mensen werken en praten en schuifelen en telefoneren en leven. Luidop voor de economie alles geven. Bij ons is er gemompel, gestrompel om koffie te halen aan een luide slurpmachine. De Hollander gniffelt tegen zichzelf…

“Ha. Hier is er eentje en die heet De Sade en die werkt voor een ambassade.”

Flarden van verborgen levensdrift, verstopt achter modern wit, een gebouw door architecten opgetrokken, in beton en staal, vervlogen ambities.

“Ah oui, mais non, pour moi c’est bon tu sais…”

Ja, die sfeer. Die vibe. Die energie, ik kan daar niet aan doen, ik voel dat, ik ben overgevoelig ofzo. En van mijn melk dan, ja, tuurlijk. Dat bepaalt zelfs hoe ik me gedraag - ik durf niks te vragen, het is alsof elk woord teveel is hier. Sociaal contactgestoorden, zonder daden weinig woorden.

In mijn hoofd, mijn gedachten

Ik doe dingen, ontwerp flyers, social mailings, elke week wordt de strategie gewijzigd, op het ritme van bevelen van bovenuit. De dag dat de nieuwe brochures geleverd worden is er geen enkele reactie. Niks. Niet zo van “Allez, kijk we hebben een nieuwe brochure, toch wel tof zo, hein?” Niks zeggen, zelfs niet opkijken. Om zot van te worden. Ik hou het hier niet uit hoor, ik ga morgen mijn mond eens opentrekken, vragen hoe dat komt en wat ze zelf vinden van die rare sfeer… Bange ambtenaren!

Slechtgezind word ik daarvan, rare fucking energie man. Net als op die opening van de radio met die politiekers die de radio eerst wilden afschaffen en daarna ineens triomfantelijk kwamen speechen — dat ze het toch weer gefixed hadden en geloofden in Verandering. Bende hypocriete losers, ik word daar ziek van. Veel te gevoelig, ah ja. Wacht maar.

En dan, de volgende morgen, een voorteken. Vlotjes door het verkeer vliegen met de fiets, de voorband die ineens ontploft, de remmen blokkeren, en ik huppel overkop met de handen en het gezicht op de asfalt. Pijnlijk. Kom ik toe op de job... “Ah, alles ok?” Die keken amper op. Schaafwonden op mijn gezicht. Bevreemdende, vertrouwde mensen, achteloos verwend door gewenning. In hun eigen wereld. Of hebben die schrik van mij. Op de duur begin je aan jezelf te twijfelen — daar hou ik niet zo van.

Diezelfde avond viel het échte nieuws. Prince is weg. Luisteren naar Sometimes it snows in April en wenen in bed. Weer gaan werken. Ziek worden. Thuis blijven. Iets schrijven.

En dan, op een mooie dag, krijg je het bericht dat je ontslagen bent, iets met zakencijfers die niet gehaald worden. Ik kan weer lachen. Ik weet het, het is de omgekeerde wereld. Hij Die Steeds Gelukkig Is Bij Onverwacht Ontslag. Die hele pseudo-economische crisis maakt mietjes van mensen, de schrik zit erin en de neuroses lopen over van verlangen naar geborgenheid. Daaraan ontsnappen is geen straf, maar een opluchting. Het wordt nog een mooie zomer, after all.

-*-
Like what you read? Give Peter Beda a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.