Masha Gessen & Joseph Huff-Hannon

Gay Propaganda — fragment


GLEB

‘Ik droom dat ik op een dag een flatje heb, iemand van wie ik hou en mensen die ons komen opzoeken’

Gleb Latnik, dertig, verhuisde afgelopen zomer naar Moskou. Hij werd uitgenodigd door Aleksej Davidov, medeactivist van de lgbt, omdat het voor Gleb niet langer veilig was in zijn woonplaats. Kort nadat Gleb verhuisde, stierf Aleksej plotseling. Enkele dagen voor dit gesprek was Gleb teruggekeerd van een driedaagse trip naar de vs, voor de Russische lgbt-activisten georganiseerd door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Ondanks de aansporingen van zijn vriend peinsde hij er niet over om in de vs te blijven. Het eerste wat me opviel toen ik hem ontmoette was een klein litteken op zijn kinderlijke gezicht. Dat litteken was een herinnering aan de relschoppers die hem in elkaar hadden geslagen. Een klein regenboogvlaggetje zat op de versleten band van zijn tas gespeld. Hij rook naar alcohol en ongewassen kleren. Dit is de geur van een zwaar leven, vol van eenmansdemonstraties, achtervolgingen en ziekenhuizen, waar in de adempauzes de middelen tot overleven worden gevonden.

Ik kom uit Pervouralsk, een stadje met een inwonertal van 125.000, bij Jekaterinenburg. Daar werd ik lgbt-activist. Op 11 juni werd de wet op homopropaganda door de Doema aangenomen. Ik ging naar het centrale plein met een protestbord waarop stond: ‘Ik ben tegen de tweede Law of Scoundrels’ [de eerste Law of Scoundrels is een wet die Amerikaanse burgers verbiedt om Russische wezen te adopteren — red.]. Er stond een regenboogzon op afgebeeld. Ze wilden mijn ontwerp niet afdrukken in de printshop en zeiden dat ik een extremist was. Daarom maakte ik het bord maar zelf. Ik liep het plein op en stond daar een uur. Ik kreeg de meeste aandacht van journalisten, die zelfs in de weg liepen als ik met mensen praatte. Ongeveer vijf voorbijgangers stopten om me vragen te stellen, de rest bleef uit mijn buurt.

Ik was de enige demonstrant in Pervouralsk, maar in Jekaterinenburg ging zelfs niemand de straat op. Daar probeerde ik de plaatselijke lgbt-activisten wakker te schudden door te vragen wat het nut is van rondhangen en over onze problemen te praten. We hebben een reeks eenmansdemonstraties gehouden, maar de pers besteedde er geen aandacht aan. Ik zei dat we een meer controversiële plek nodig hadden. Die vonden we, het was op de Inoprom Expo, een internationale industriële beurs. We bereidden een choquerende, bloedige voorstelling voor die we voor de ingang wilden opvoeren. Ik schreef erover op mijn eigen blogs en sociaalnetwerksites. Toen verscheen er een man bij mijn huis. Ik was niet thuis en mijn moeder liet hem binnen. Hij zei dat hij van de politie was, maar liet geen officiële papieren zien. Hij vroeg waar ik was en wanneer ik gewoonlijk thuis was. Enkele dagen lang stond er een auto voor ons huis geparkeerd. Ik kwam niet meer thuis en besprak geen specifieke ontmoetingsplaatsen per telefoon omdat ik wist dat ik afgeluisterd kon worden. Toen noemde ik per vergissing toch een ontmoetingsplaats. Daar aangekomen werd ik opgepakt door lieden van het Centrum voor Extremismebestrijding [een beruchte meedogenloze tak van het Russische ministerie voor Binnenlandse Zaken — red.] en meegenomen naar het bureau. We hadden een lang gesprek en ze bleken dingen over mij te weten die ik me niet eens meer herinnerde. Ze legden me vriendelijk uit dat aangezien dit het geldende regeringsbeleid was, weerstand bieden problemen zou opleveren: mijn verwanten zouden zich van mij afwenden en ik zou heel moeilijk aan een baan kunnen komen.

Vervolgens lieten ze me weer gaan. Enkele dagen later, op 13 juli, demonstreerden we voor de ingang van de Expo. De demonstratie bestond uit een aantal demonstranten met borden waarop stond: ‘Homofobisch beleid maakt de handen van moordenaars los’ met een afbeelding van een mens met een regenboogtraan op zijn gezicht. Zodra we onze posters uitrolden, probeerde de politie ons te arresteren, maar de advocaten die met ons meededen konden net op tijd tussenbeide komen. De mensen die op het bureau met me hadden gesproken bleken gelijk te hebben. Mijn moeder zei dat ze een rustig leven wilde en vroeg me te vertrekken. Mijn broer wilde niet meer met me praten. Hij wist al lang dat ik homo was en dat was nooit een probleem. Onze relatie ging kapot door mijn activisme.

Enkele dagen na het Expo-protest kreeg ik enorme hoofdpijn en werden mijn arm en de hele linkerkant van mijn lichaam gevoelloos. Ik belde een ambulance en dat was maar goed ook, want de dokter vertelde me dat ik een kleine beroerte had gehad. Ik denk door de psychische druk. Ik bleef een aantal dagen in het ziekenhuis. Van het ziekenhuis zou ik naar het huis van mijn vriend gaan. Ik had mijn spullen daar en verbleef daar. Op een avond toen ik daarheen terugging kwam ik twee mannen tegen. Ze herkenden mij; ze hadden me waarschijnlijk op tv gezien. Ze waren overduidelijk dronken en vielen me lastig. Ze gooiden me op de grond, schopten me in mijn gezicht en braken mijn bril. Ik rende weg en lag ruim twee weken in het ziekenhuis. Een vriend van mij die journalist was vertelde me dat de nationalisten achter me aan zaten. Dat is heel wat ernstiger dan wat willekeurige ruziezoekers. Toen werd ik gebeld door Aleksej Davidov, de lgbt-activist uit Moskou. Online waren we goede vrienden geworden. Hij nodigde me uit om bij hem te logeren. Toen ik uit het ziekenhuis kwam verliet ik meteen de stad. Op 27 augustus kwam ik in Moskou aan.

Ik, Aleksej en zijn vriend Roman, die eveneens uit huis was gezet, huurden allemaal een eenkamerappartement in Novogireevo. Alex had nierproblemen en moest aan de dialyse. Ik kreeg een baantje als verkoper van simkaarten en Roma werkte de verslagen van de rechtszaken tegen de activisten op het Bolotnajaplein uit. Aleksej zat in de ziektewet, we hadden dus voldoende om van rond te komen. In de afgelopen herfst hielden we nog enkele demonstraties. Toen het wetsvoorstel over het afnemen van de ouderlijke rechten van homoseksuele stellen werd behandeld, stonden we bij de Doema. We waren verkleed als artsen en droegen borden waarop stond dat we psychiatrische hulp boden aan de leden van de Doema. Op 25 september demonstreerden we bij het hoofdkwartier van het olympisch comité. We eisten dat er, net als in andere landen, in het olympisch dorp in Sotsji een pride house [een tijdelijk verblijf, speciaal voor lgbt-atleten — red.] zou worden geplaatst. Ik kwam pas laat aan bij deze protestactie. Toen ik er eindelijk was, waren de arrestantenwagens al aanwezig en was iedereen opgepakt. Het is altijd hetzelfde verhaal als we gearresteerd worden. Ze nemen ons mee naar het bureau, noteren administratieve overtredingen, houden ons een paar uur vast en laten ons dan weer gaan.

Precies een maand na mijn aankomst, op 27 september, ging Aleksejs gezondheid snel achteruit. Hij kwam thuis na de dialyse en verloor het bewustzijn. We brachten hem naar het ziekenhuis. Drie dagen later stierf hij op de intensive care. We denken dat hij door de artsen is vermoord, want op zijn kaart staat dat er geen hemodialyse is toegepast, zoals ze hadden gezegd. Na Aleksejs dood konden we niet in het appartement in Novogireevo blijven en moesten we verhuizen. Nu huur ik met een vriend een klein eenkamerappartement in het stadje Drozdovo, dat per trein slechts twintig minuten van Moskou ligt.

Aleksej, Roma en ik waren gewoon vrienden. Ik ben single. Drie jaar geleden had ik een relatie met een man, Sergej, die daarvoor een relatie van twaalf jaar met een andere man had gehad. Vanaf het begin wist ik dat als ze al zolang samen waren geweest het waarschijnlijk alleen om een tijdelijke breuk ging en dat ze vroeg of laat weer samen zouden verdergaan. Dat gebeurde zes maanden later; Sergej ging terug naar zijn vriend. Sindsdien heb ik geen serieuze relatie meer gehad. Seks is heel gemakkelijk te vinden in Moskou, maar ik zie het nut niet in van seks met onbekenden, zoals sommige mensen in de achterkamertjes van de clubs hebben. Dat is niets voor mij. Ik heb veel onlinevrienden, maar slechts twee in het echte leven en beide komen uit de Oeral, net als ik.

Ik wil het liefst een partner. Ik zou graag zonder angst hand in hand met hem op straat lopen. Ik heb begrepen dat in Amerika het probleem niet homofobie is, maar de homogemeenschap zelf. We moeten werken aan de lgbt-community en niet aan de hele maatschappij. Mensen moeten uit de kast komen zodat er zo veel mogelijk mensen openlijk homo of lesbisch zijn; anders zal er niets veranderen. Het is erg moeilijk om werk te vinden. Ik heb een opleiding tot chef-kok en heb vele jaren in de voedingssector gewerkt. Ik ken de keuken vanbinnen en vanbuiten en ik kan alles, van afwassen tot een restaurant runnen. Ik kan geen baan in mijn werkveld vinden. Het lijkt erop dat potentiële werkgevers me googelen, ontdekken dat ik een activist ben en besluiten om me niet aan te nemen. Ooit vroegen ze me rechtstreeks: ‘Wat als je gearresteerd wordt en niet op je werk kunt komen?’ Ik heb gewerkt voor een bedrijf dat drukkerijbenodigdheden verkocht en daarna verkocht ik simkaarten. Ik word nergens aangenomen en begin te denken dat ik beter naar mijn vrienden had moeten luisteren, die zeiden dat ik weg moest gaan. Momenteel denk ik niet dat ik in onmiddellijk gevaar ben of moet vluchten. Het zou erger kunnen worden na de Olympische Spelen. Ze hebben het nu over strafrechtelijke veroordelingen [in tegenstelling tot boetes — red.] voor homopropaganda. Mijn geld raakt op en ik weet echt niet wat ik nu moet gaan doen.

Als de situatie ernstig verslechtert en de nationalisten aan mijn deur komen, kan ik naar Polen verhuizen. Mijn vader is Pools en ik kom dus in aanmerking voor repatriëring. Dat zou beter zijn dan vluchteling in Amerika zijn, vooral omdat de Poolse taal en cultuur me vertrouwder zijn. Het liefst zou ik een café willen openen. Ik zou een flatje erboven willen hebben. Ik heb niet veel nodig. Ik zou graag een partner willen hebben, iemand van wie ik hou. Ik wil dat mensen bij ons een glaasje wijn komen drinken. Ik heb ook aan kinderen gedacht, maar zie mijzelf nog niet als vader. Misschien omdat ik gewend ben geraakt aan het idee dat ik nooit kinderen zal hebben.

Opgetekend door Karen Shainyan

Uit: Gay Propaganda: liefdesverhalen uit Rusland (verschijnt 7 februari 2014), een verzameling verhalen van mannen en vrouwen die al jaren een relatie hebben met iemand van hetzelfde geslacht. Mensen die de liefde hebben gevonden of er nog altijd naar op zoek zijn en de uitdaging aangaan om hun leven in Rusland voort te zetten of noodgedwongen hun heil ergens anders proberen te zoeken.

Email me when Lebowski Publishers publishes or recommends stories