Op de schoolpleinen van ons land zie je onze toekomst

Speech op de Afrikadag — 5 november 2016

De lucht is altijd blauwer, de zon heeft iets meer kracht, als ik mijn kinderen ’s morgens naar school toe heb gebracht.

Op het schoolplein zie je het nieuwe Nederland: meisjes en jongens, zwart, blond, rood, bruin, hun lijven vol energie, hun hoofden vol dromen.

Ik ga daarna altijd weer met een gezond optimisme aan het werk.

Op de schoolpleinen van ons land zie je onze toekomst.

Nieuwsgierige kinderen die allemaal een eerlijke, een gelijke kans verdienen om zich optimaal te ontwikkelen en iets van hun leven te maken.

Of hun ouders nou in Ghana of in het Gooi geboren zijn.
Of hun ouders nou het minimumloon of een ministerssalaris verdienen.

Arm of rijk, zwart of wit, jongen of meisje, kinderen hebben gelijke rechten. Om discriminatie in onze samenleving te bestrijden en vooral ook te voorkómen, kunnen we het best daar beginnen: voor school, op school.

Met gelijke kansen aan de start. Met bestrijding van ongelijkheid.

Het onderwijs is de plek om kinderen met een achterstandspositie vooruit te helpen, de plek om kinderen een ruimere blik op de wereld te bieden.

Dat is niet alleen van belang als je opgroeit in een gezin waar de schotel uitsluitend op Turkse televisiezenders is gericht, maar ook als je opgroeit in een gezin waar zwarte mensen neerbuigend ‘apen’ worden genoemd.

Het is goed om hier, in het voormalige Koloniaal Instituut, te benadrukken dat we de schaduwkanten van ons koloniaal verleden niet onderbelicht mogen laten. Hoe pijnlijk het ook kan zijn om, in een nieuw licht, vanuit een ander perspectief, te moeten zien wat niet iedereen in Nederland wil zien.

We hebben een slavernijverleden dat diepe sporen heeft achtergelaten. De slavernij is een smerige smet op onze geschiedenis. Een schandvlek die we niet weg kunnen poetsen, niet weg mogen moffelen, maar open onder ogen moeten zien. Erkennen is een eerste en essentiële stap.

Erkennen dat er racisme was, en is, en dat we nog altijd niet zijn verlost van verstandeloze vooroordelen en stuitende stereotyperingen uit de tijd van de slavernij. Er wordt nog steeds — bewust en onbewust — gediscrimineerd. Op sociale media, bij sollicitaties, bij verkeerscontroles door de politie.

Dat is pijnlijk en in strijd met onze waarden en wetten. Om te beginnen met onze Grondwet, die het gelijkheidsbeginsel en discriminatie-verbod bovenaan heeft staan:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Juist van een land dat kan worden verweten dat het achteraan liep bij het afschaffen van de slavernij, mag worden verwacht dat het nu voorop loopt bij het bestrijden van discriminatie, het bestrijden van uitsluiting en uitbuiting.

In gesprek met Mitchell Esajas en Amma Assante op de Afrikadag.

Er is de afgelopen tijd al veel in gang gezet om discriminatie op de arbeidsmarkt aan te pakken. Met concrete maatregelen. Zo krijgen bedrijven die wegens discriminatie worden veroordeeld, geen opdrachten van de overheid meer. Met campagnes om het bewustzijn te vergroten, bijvoorbeeld om werkgevers — en vooral hun afdeling personeelszaken — bewust te maken van onbewuste vooroordelen bij het werven en selecteren van personeel.

Ik wil verder op die weg. Hard en hardnekkig. Met inzet van het strafrecht, aandacht voor onderhuids racisme, en met steun van mondige burgers die niet langer zwijgen, maar discriminatie in de dagelijkse praktijk aan de kaak stellen.

Er is geen minister, geen kabinet, geen overheid die discriminatie zonder brede maatschappelijke steun kan bestrijden. Het lukt alleen als we het met elkaar doen, met respect voor elkaars geschiedenis en elkaars gevoelens. Juist in deze tijd waarin verdeeldheid wordt gezaaid en verscheurdheid dreigt, wordt van ons verwacht dat we verbinding zoeken, dat me ons met elkaar inzetten voor misschien wel het meest wezenlijke dat ons bindt: de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen, onze broertjes en zusjes, onze buurjongetjes en buurmeisjes. Zij mogen van ons verwachten dat wij het goede voorbeeld geven, dat we ons samen sterk maken voor een open samenleving waar kinderen vrij en veilig kunnen opgroeien.

Zonder angst, zonder armoede, zonder afkeer van mensen die anders doen en denken. Een land waar geen kind over het hoofd wordt gezien en ieder kind zich gezien voelt. Als individu. Met eigen wil, eigen talent, eigen identiteit.

Een land waar niet wordt geaccepteerd dat kinderen worden gediscrimineerd, gepest, omdat ze zwart zijn, omdat ze met een hoofddoek of een keppeltje over straat lopen, omdat ze horen tot een groep die door anderen als minder, als minderwaardig wordt gezien.

Het is onze verantwoordelijkheid, onze plicht, om kinderen, onze kinderen, bescherming te bieden en ons in te zetten voor hun rechten, hun kansen, hun toekomst. Ik ben tot op het bot gemotiveerd me daarvoor in te zetten.

Om discriminatie in het Nederland van nu te bestrijden en in het Nederland van de toekomst te voorkómen. Ik weet dat het moet en voel dat het kan.

Als ik mijn zoons ’s morgens naar school breng en daar al die verschillende kinderen zie, stevig, spichtig, licht, donker, energiek, eigenwijs, dan zie ik een generatie met kleur, een generatie met een geweldige toekomst.

Dan wordt de lucht blauwer, de zon krachtiger en voel ik me weer extra gemotiveerd om me nog fanatieker in te zetten voor een samenleving waarin niemand discrimineert en niemand wordt gediscrimineerd.