Huis met een verhaal: Marie-Joséstraat 6 in Eisden omgetoverd tot mijnwerkersmuseum.

‘Onze geschiedenis moet ook bewaard blijven’

Het huisje op de hoek van de Marie-Joséstraat bewaart de geschiedenis van de hele mijnwerkerscité

Eisden Tuinwijk, in de volksmond ‘de Cité’, staat vooral bekend om haar rijke mijnverleden. Op zoek naar werk migreerden duizenden mannen, samen met vrouw en kinderen, van over heel Europa naar wat 100 jaar geleden nog vooral heide was. Ondertussen is de Tuinwijk uitgegroeid tot een multiculturele mengelmoes van kinderen en kleinkinderen van oud-mijnwerkers. Sinds 2009 staat het stratenplan van de overgebleven mijnwerkerscité zelfs opgetekend als bouwkundig erfgoed. Op de Marie-Joséstraat 6 probeert de Stichting Erfgoed Eisden zo veel mogelijk van de geschiedenis van de mijnwerkersgezinnen te bewaren.

Op de hoek van de straat staat een tweewoonst. Deze werd, net zoals bijna alle andere huizen in de Cité, na de Eerste Wereldoorlog gebouwd door de Kolenmijn Limburg-Maas. ‘De mijn zorgde voor alles’, aldus pastoor Octaaf Rutten. ‘Ze controleerden ook alles. Ik zei vroeger altijd dat ik twee voorzienigheden had.’ Hij wijst omhoog. ‘Daar vanboven zit de ene, maar die andere was de mijn. En soms zat die laatste al eens hoger dan die eerste’, geeft hij toe. Ereburger van Eisden en medeoprichter van het mijnmuseum, Jan Kohlbacher Sr., is het daar volledig mee eens: ‘De mensen zeiden wel eens dat mijnwerkers door de Kolenmijn van de wieg tot het graf begeleid werden, maar zo plezant was dat niet altijd. Ik zie het eerder als met je handen en je voeten aan je baas gebonden zijn.’

De mijn ‘zorgde’ op die manier voor al haar werknemers. ‘Je werk, de school van je kinderen, het onderhoud van je woning… Noem maar op. Alles werd door de mijn geregeld. Dat systeem hadden ze natuurlijk goed bedacht. Je dacht als arbeider wel twee keer na voor je in conflict ging met je baas. Als je ontslagen werd, verloor je niet enkel je job. Je verloor alles.’ Zelf opgegroeid in een mijnwerkersgezin, denkt ereburger Jan duidelijk het zijne van het systeem dat de mijn hanteerde om werkkrachten te behouden.

De keuken van het museum heeft bekendheid verworven als decor van de film Marina.

Maar ook om arbeiders aan te trekken haalde men het onderste uit de kan. Of het nu ging over ingenieurs, bedienden of arbeiders, voor een woning werd gezorgd. Hoewel er ondertussen niet heel veel meer van overgebleven is, waren de woningen die door de mijn voorzien waren gebouwd in originele cottage-stijl. De mijn bouwde miniatuurvilla’s op percelen van negen tot twaalf are, die als het ware uit het Engelse Welwyn Garden City geplagieerd hadden kunnen zijn. Daar is het museum op de Marie-Joséstraat het perfecte voorbeeld van. ‘Zelfs aan de Engelse woningvoorschriften hebben ze zich gehouden om arbeiders aan te trekken’, weet Jan. ‘Voor de woning moest er een bloementuin geplant worden, in de achtertuin moest er plaats zijn voor een groentetuin. De redenering daarachter was dat mannen die een hele dag ondergronds hadden gewerkt, zich na hun werkuren in de buitenlucht rustig in hun eigen tuintje konden bezighouden. In de praktijk was het natuurlijk moeder de vrouw die ook het onderhoud van de tuin voor haar rekening mocht nemen.’

De uitstraling van de hele Tuinwijk als geheel was enorm belangrijk. Pastoor Rutten herinnert het zich nog goed. ‘Die Engelsen kenden geen gewone straten. Alles moest een avenue zijn. Dat wil blijkbaar zeggen dat er bomen langs de weg moeten staan. En als er op de stoep geen plaats meer was voor een boom, dan plantten ze die gewoon in de tuin.’ Daarnaast moest elk huis een haag hebben die twee keer per jaar gesnoeid moest worden. ‘Maar een heggenschaar hadden we natuurlijk niet. Geloof het of niet, maar ook die kregen we van de mijn. In bruikleen weliswaar.’ De Tuinwijk in zijn geheel werd enkele jaren geleden tot bouwkundig erfgoed gebombardeerd, en die haag moet eigenlijk tot op de dag van vandaag op bevel van de gemeente blijven staan. Maar ondertussen hebben jammer genoeg al veel bewoners hun haag omgeruild voor een hek of een muurtje.

‘Ze zeggen dat mijnwerkers van de wieg tot het graf begeleid werden. Ik zie het eerder als met handen en voeten aan je baas gebonden zijn.’

De tweewoonst op de Marie-Joséstraat 6 heeft die haag, net als vele andere dingen, natuurlijk wel behouden. De oude mijnwerkerswoning is het schoolvoorbeeld van een ecomuseum. Het werd in 1995 opgericht door en voor bewoners van de Cité die de geschiedenis van de kleine mijnwerker en zijn gezin graag in dit huis wilden vereeuwigen. Alle meubels, decoratie en (zeker niet onbelangrijk) financiële middelen komen uit vrije beweging van de bewoners zelf. Jan Kohlbacher herinnert zich dat hij van een Hongaarse weduwe enkele spullen kreeg toegestopt met de boodschap die voor hem het museum perfect beschrijft: ‘Leg het maar in uw museum, anders wordt het toch maar weggegooid. We hadden vroeger niet veel, maar wat we hadden, daar waren we trots op. Onze geschiedenis moet ook bewaard blijven, niet alleen die van die dikkoppen van de mijn.’

‘We hebben het perfecte huis gekozen om ons museum van te maken’, lacht Jan. ‘De nummer zes heeft heel veel meegemaakt.’ Ook het overgebleven ‘huurdersboek’ liegt er niet om. Tijdens de periode dat de mijn geopend was, groeide de bevolking van de Eisden Tuinwijk exponentieel. Het bevolkingsaantal ging op een periode van slechts enkele jaren van 500 naar 11.000 inwoners. De scholen werden dus al snel te klein. Vanaf 1928 werden de kamers van de linkerwoonst omgevormd tot tijdelijke klaslokalen. Toen de noodklaslokalen niet meer nodig waren, trok er terug een gezin in de woonst in. Het is nog een paar keer van huurder gewisseld voor de eerste kapelaan er introk.

In de kinderkamer werden, bij gebrek aan echte, de matjes op de grond geschilderd om toch de illusie van luxe te creëren.

‘Na die eerste zijn er nog een paar gevolgd, waarvan ik de laatste was’, geeft Octaaf mee. ‘Toen ik er in 1989 ben uitgetrokken, is de woning in de handen van de gemeente Maasmechelen gekomen.’ Om ervoor te zorgen dat deze woning, die zo goed in oorspronkelijke staat behouden was, niet verloren zou gaan, heeft de Stichting Erfgoed Eisden aan de gemeente gevraagd om ze te mogen overnemen. Helemaal op eigen initiatief en uit eigen zak, heeft de Stichting de linkerwoonst omgebouwd tot een museum. ‘Op dit moment is er een plan in de maak om de rechterkant om te toveren tot belevingsproject voor kinderen van de lagere school. Op die manier kunnen kinderen van deze tijd ontdekken en beleven hoe kinderen in de mijnwerkersjaren leefden, woonden en speelden’, voegt Jan nog toe.

Want die kinderen, die beleefden het leven heel anders dan de volwassenen. Zo had elke mijnwerkerswoning bijvoorbeeld een ‘goede’ kamer, waarin de kinderen niet mochten komen. ‘En als we er mochten komen, mochten we niks aanraken’, herinnert Jan zich. De pretlichtjes in zijn ogen wijzen erop dat hij als kleine deugniet wel degelijk het een en ander heeft uitgespookt in die ‘goede’ kamer. Daar werd er alles aan gedaan om te doen uitschijnen dat het gezin dat er leefde er beter voor stond dan in werkelijkheid. ‘En met alles bedoel ik dan ook álles’, toont Jan. Hij wijst op het behangpapier, dat niet helemaal tot aan het plafond reikt. ‘Wij behingen vroeger in de breedte. Als je de lengte van een halve rol behangpapier van het plafond pas begint met behangen, kom je met drie rollen perfect op de plint, zonder afval’, legt hij een oud zuinigheidstrucje uit. ‘Die mijnwerkers, ze waren in ieder geval wel inventief.’ Hetzelfde gold voor eikenhout. Goedkoop hout werd helemaal bewerkt om eik te imiteren. Door met een dunne luizenkam over de laag verf te strijken, creëer je groeven. Door daar gewoon weer overheen te verven, leek het net echt eikenhout. Meestal waren het de vrouwen die zich hiermee bezig hielden. Sommigen waren zo getalenteerd dat ze zelfs de knoesten van de takken nabootsten. Nostalgisch probeert Jan het zich voor de geest te halen. ‘Ik heb nog steeds geen idee hoe ze het klaarkregen. Maar men moest eik hebben, en men zou eik hebben.’

In de ‘goede’ kamer werd niet geleefd, maar enkel belangrijk bezoek ontvangen.

De Stichting Erfgoed Eisden was zelfs zo succesvol in het intact houden van een echte mijnwerkerswoning dat regisseur Stijn Coninx bij hen kwam aankloppen, met de vraag of hij er Marina mocht komen filmen. ‘Nadat hij hier een keer binnen geweest was, wist hij al direct dat hij niet meer verder moest zoeken. Dit zou het worden’, Jan is duidelijk trots. Een jaar later konden de opnames beginnen. De binnenscènes in het huis van ‘Rocco Granata’ zijn allemaal in de Marie-Joséstraat gefilmd. Aan het interieur zijn er wel enkele dingen veranderd, zodat alles historisch correct was. ‘Zo hebben ze enkele dingen uit de keuken weggehaald, omdat ze bijvoorbeeld te oud waren. Wij proberen hier te tonen hoe het leven van een mijnwerkersgezin eruitzag in de jaren 20–30. De film Marina speelt zich af in de jaren 50. Bepaalde dingen moesten dus wijken.’

Sinds de film is ook het toerisme in stijgende lijn gegaan. ‘We hebben bezoekers in verschillende talen, van verschillende leeftijden. Gemiddeld 7000 bezoekers per jaar schrijven een boodschap in ons gastenboek. Sinds Marina zijn dat vooral liefdesbrieven aan Matteo Simoni, moet ik wel toegeven.’

Maïthé Chini

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.