Wie moet naar wie luisteren? Witte woede, media, en wederzijds (on)begrip

André wilde gewoon z’n hoofd even laten zien. De veertigjarige Schiedammer was met twee vrienden naar Maassluis gereisd om “het feest te verdedigen”. Tegen wie, vroeg ik. “Iedereen die het wil veranderen. Traditie is traditie.”

Zaterdag was ik in Maassluis om voor m’n studie Journalistiek te schrijven over de Sinterklaasintocht. Genoeg verhalen te vinden. Ik koos voor de groep woedende witte mannen die door de straten van het stadje liep, op zoek naar tegenstanders van Zwarte Piet. Wie waren ze? Waarom waren ze er? Waarom waren ze boos, en op wie? Het waren geen NVU’ers, want die werden door de politie de stad in en uit geleid. De mannen die ik volgde vormden een los verband, ze kenden elkaar via Facebook. Ze voelden zich machteloos, hadden het gevoel een vreemdeling te worden in eigen land, en wilden daarom “onze cultuur en ons feest” verdedigen.

Na de verkiezing van Donald Trump, of eigenlijk ook al na het Brexit-referendum, spelen in de media steeds dezelfde vragen op. Wat hebben we gemist? Zitten we teveel in een stedelijke, progressieve bubbel (echt, ik kan het woord “bubbel” ondertussen amper meer horen) van ons eigen gelijk? Moeten we meer aandacht besteden aan de woede van sommige groepen kiezers?

Luisteren de media?

Ja en nee. Ik denk allereerst dat er letterlijk geen krant geweest is die de afgelopen maanden niet afreisde naar post-industriële gemeenschappen in Amerika. Allemaal zochten ze naar de verhalen van witte woede. Allemaal schreven ze over de pijn en woede van witte Amerikanen, wiens gemeenschappen waren vervuild, hun levens verwoest door drugs, economisch verval en culturele angst. Er waren fotoseries, filmreportages.

In Nederland schrijft NRC Handelsblad in ‘De Stemming’ elke week over burgers die zich vergeten en machteloos voelen. In het AD staat elke zaterdag een verhaal over ‘de stemming in het land’. Vrij Nederland schrijft al decennia over de woede en het gevoel van machteloosheid van groepen witte Nederlanders — lees de fantastische reportages van Gerard van Westerloo uit de jaren zeventig. Er bestaat een stedelijke, progressieve, zelfbevlekkende media bubbel — kijk DWDD — maar veel meer dan dat zie ik pogingen van media om eruit te breken, om het ‘andere verhaal’ te laten zien.

Daarnaast verschenen er de afgelopen jaren kasten vol met boeken over het verval van laagopgeleid, wit Amerika — Arlie Hochschild’s Strangers in Their Own Land is momenteel de populairste. Bijna allemaal werden ze geschreven door progressieve stedelingen die wilden weten waarom mensen boos zijn. En allemaal constateerden ze dat mensen in gescheiden werelden leven, deels gedreven door technologie (en, inderdaad, filter bubbles), maar vooral door langere, diepere culturele en economische veranderingen.

Ik denk dat door die veranderingen links versus rechts steeds meer achterhaald is. De nieuwe tegenstelling is: open versus gesloten. Dat zijn vooral culturele scheidslijnen, die dwars door klassieke links-rechts verdelingen heen snijden. Het gaat om waarden: post-materialisme versus meer orde en gezag, open grenzen en multiculturalisme versus meer geslotenheid en nativisme.

Dat is in Amerika zo, maar ook in Nederland. Ja, er bestaan bubbels — progressieve en conservatieve — maar het zijn veel meer dan dat: het zijn gescheiden werelden. Die verdeeldheid en de open versus gesloten scheidslijn zal volgend jaar ook in Nederland weer duidelijk worden, het succes van populistisch rechts bij de verkiezingen van 2002 en 2010 was slechts een inleiding. Die tegenstelling correleert denk ik met veel andere tegenstellingen, zoals hoog versus laag opgeleid, stedelijk (in ieder geval: binnen-stedelijk; de buitenwijken zijn een ander verhaal) versus ruraal. Inkomen en klasse spelen een minder grote rol, wat deels verklaart waarom linkse partijen zo’n moeite hebben succesvol te zijn.

Het zijn gescheiden werelden en er is steeds minder wat de twee bindt.

Wie moet luisteren?

Er wordt vaak, vooral de laatste dagen, gezegd dat die tegenstellingen overbrugd kunnen worden door meer naar elkaar te luisteren. Stedelijke progressieven, zeker werkzaam in de media, vragen zich af: hoe moeten we beter gaan luisteren naar die witte woede? Het gaat op m’n studie Journalistiek elke week over de vraag hoe we uit onze eigen bubbel kunnen losbreken. Zaterdag deed ik in Maassluis een poging, maar de laatste jaren ging ik vaker op zoek naar antwoord op de vraag: waar komt de woede vandaan? Een eenduidig antwoord heb ik nog niet; ik blijf eraan werken.

Maar steeds vaker denk ik ook: waarom zouden alleen stedelijke progressieven moeten luisteren? Gaat het wederzijds begrip waarop een democratie leunt niet om twee kanten? Zou het kunnen dat niet alleen stedelijke progressieven in een bubbel leven (ja), maar ook mensen die in conservatieve, overwegend witte gemeenschappen wonen? Waarom zou alleen een progressieve New Yorker, met zwarte buren en vrienden, moeten luisteren naar een witte Amerikaan uit een dorpje waar de laatste zwarte man vertrok met de afschaffing van de slavernij, en niet ook andersom? Zou iemand uit een gemeenschap waar (zogenaamd) geen homo’s en zwarten wonen niet juist moeten luisteren naar een zwarte homo, in plaats van andersom?

Waar is de sociologische studie van een Amerikaanse conservatief over het leven van progressieve, multi-etnische stedelijke gemeenschappen? Waar waren in 2008 de artikelen in rechtse media dat witte, rurale Amerikanen na de verkiezing van Barack Obama beter moesten gaan kijken naar de realiteit van een land dat steeds diverser werd? Wanneer schreef een rechtse Britse krant een geïnteresseerde reportage over de motieven van Londenaren om tegen Brexit te stemmen? Wanneer en waar verschenen de verhalen van conservatieven dat woedende witte Amerikanen en Nederlanders naar de zorgen en verhalen Black Lives Matter en de anti-Zwarte Pieten-beweging moesten gaan luisteren?

Zou het kunnen dat als je in een stad woont waar amper moslims wonen maar de PVV een meerderheid van de stemmen wint, je, net als D66-stemmende Amsterdammers, in een bubbel leeft?

Nee, Nederland is niet zoals Amsterdam, of Groot-Brittannië zoals Londen, of Amerika zoals Berkeley — maar ook niet zoals Volendam, zoals Lincolnshire, zoals Louisiana. Ook witte, conservatieve, rurale stemmers leven in een wereld die niet overeenkomt met hoe de realiteit in grote delen van hun land is. Moeten niet ook zij luisteren, kijken, zich openen voor de Ander? Vraagt een democratisch debat niet juist om toehoorders aan beide kanten?

Veel van de mensen die ik erover spreek willen niet luisteren, ze willen praten. Maar nog meer, zeggen ze: gehoord worden. Worden ze dat al niet? Ik kom uit 1994 en kan me geen tijd herinneren dat er geen pogingen gedaan werden om naar ze te luisteren, hun (soms terechte, soms onterechte) zorgen, woede en angst legitimiteit en standing te geven. De perceptie niet gehoord te worden, of niet te mogen spreken, is niet hetzelfde als daadwerkelijk niet gehoord worden. Maar gehoord worden is niet hetzelfde als gelijk krijgen. Misschien is het probleem niet dat er te weinig geluisterd wordt, maar dat er te weinig wordt tegengesproken. Of dat wederzijds begrip vergroot weet ik niet, maar tegenspraak lijkt me een essentieel onderdeel van een democratisch debat.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.