De verborgen massagraven van de vluchtelingencrisis

Op zoek naar de 243 mensen die verdwenen toen ze de Middellandse Zee probeerden over te steken, ontdekten we de heftige werkelijkheid van het lot van hen die sterven op zee.

In oktober 2013 maakte Fanus, een jonge Eritrese vrouw, de oversteek van Libië naar Italië op een schip met meer dan 500 mensen aan boord. Ze lag met honderden anderen te slapen in het propvolle ruim toen het schip begon te zinken.

“Ik weet nog dat ik wakker werd in het water, en dat ik geen idee had wat er aan de hand was. Ik probeerde te zwemmen, maar het ging niet. Toen probeerde ik te zwemmen als een hond. Hoe harder ik mijn best deed, des te sneller ik leek te zinken”, vertelt ze.

“Overal waar ik keek, waren dode mensen of mensen die voor mijn ogen verdronken. Sommigen schreeuwden het uit, sommigen baden, sommigen zeiden hoe ze heetten en wie hun familie in Eritrea was, ze riepen berichten voor hun geliefden. Het ging maar door; het gejammer en gehuil, het geroep, het schreeuwen was eindeloos. Ik zag moeders hun kinderen omhoog tillen tot het niet meer ging. Ik keek huilend naar de lichamen van mensen die ik kende… Het ergste beeld in mijn herinnering van toen zijn de drijvende kinderlichamen.”

“Rondom me bewoog niemand meer; ik zag alleen heel veel lichamen bewegingloos ronddrijven. Toen voelde ik hoe een jongen met zijn hele gewicht om mijn hals ging hangen. Ik wist dat we allebei zouden zinken en vocht hem van me af. Toen ik terugkeek, was hij weg.”

“Uit pure wanhoop en verwarring begon ik te bidden om een wonder. Opeens stierven de geluiden weg, er klonken steeds minder stemmen. De zee was kalmer, er was minder beweging. Ik zag niets meer en voor het eerst in mijn leven voelde ik me eenzaam. Het was alsof ik de enige was in die zee. Ik wilde de dode lichamen niet zien; het drong tot me door dat het zo rustig was geworden omdat de meesten dood waren.”

Fanus werd uiteindelijk gered door de Italiaanse kustwacht. Ze was een van de 150 mensen die overleefden: meer dan 350 andere opvarenden kwamen om. Dit ongeluk kreeg bekendheid als de scheepsramp bij Lampedusa — een gebeurtenis die zo grootschalig en zichtbaar was dat de politiek plotseling bereid was om een georganiseerde opsporings- en reddingsoperatie in het Middellandse Zeegebied te lanceren.

De lichamen van de slachtoffers bij Lampedusa werden uiteindelijk geborgen, zoals bij de meeste bootrampen die bekend zijn. Zinkende boten kennen echter niet altijd overlevenden zoals Fanus die het kunnen navertellen, en reddingsteams zijn ook niet altijd ter plaatse ter plaatse om verslag uit te uitbrengen. Er zijn dus ook ongeregistreerde ongelukken zijn; lichamen die aanspoelen op mediterrane stranden; stille getuigen van onvertelde verhalen. Wat gebeurt er met hen?

Salah Eddine Bchareg en zijn bemanning turen over zee bij het verlaten van de haven van Zarzis, Tunesië.

Ze kunnen toch niet zomaar verdwenen zijn”, zei Yafet tegen mij toen ik hem voor het eerst sprak. “Het zijn mensen, ze blijven toch drijven.”

Zijn stem was vol emotie: hij had het over de mogelijkheid dat de boot die zijn vrouw Segen en hun jongste dochter Abigail over de Middellandse Zee had moeten brengen, gezonken was. Konden alle opvarenden — minstens 243 personen — echt zijn verdronken zonder een spoor achter te laten; zonder bewijs zodat hun families de ware toedracht zouden kennen?

“Iets als dit is heel moeilijk te aanvaarden”, zei hij.

“In de week van hun vertrek waren er twee ongevallen op zee, maar van die drenkelingen is bekend wie het waren. Er waren overlevenden en er zijn ook mensen verdronken. Er was nog een bootramp zonder overlevenden, maar toen dreven er wel lichamen in het water, en dan weet hun familie het tenminste. Maar zeggen dat mensen verdwenen zijn… ook als ze verdronken zijn, kunnen ze niet zomaar verdwijnen.”

Hij heeft gelijk. Er zinken zeker boten in de Middellandse Zee, en hun passagiers verdrinken ook zeker. Er zijn zelfs meer dan 20.0000 mensen in zee gestorven sinds de ongedocumenteerde migratie van halverwege de jaren 90 uitmondde in een crisissituatie.

Ondanks opsporings- en reddingsoperaties als Mare Nostrum — na Lampedusa ingezet door de Italiaanse marine ingezet — of opvolger Triton, zijn er nog steeds duizenden sterfgevallen.

In 2014, het jaar waarin de Ghost Boat verdween, verdronken zo’n 3.000 mensen in de wateren tussen Noord-Afrika en Europa. Dit jaar overstijgt dat aantal nu al.

Ook zonder overlevenden bleef er na al die tragedies altijd wel iets achter: lichamen, brokstukken, verhalen, getuigen. Zo kapseisde afgelopen augustus een vissersboot met 400 mensen aan boord, anderhalve kilometer uit de Libische kust. De dagen erna spoelden ongeveer 200 lichamen aan, inclusief die van 40 mensen die in het scheepsruim opgesloten hadden gezeten.

De identificatie van de lichamen van schipbreukelingen is een enorme opgave. Vluchtelingen reizen meestal zonder papieren, en de lichamen zijn vaak behoorlijk aangetast doordat ze lange tijd in zee hebben gelegen. Zouden we de beschikbare sporen of lichamen misschien kunnen vergelijken met forensische gegevens van de opvarenden van de Ghost Boat? Kunnen we daarmee achterhalen wat er gebeurd is?

De vissers in de Zuid-Tunesische haven van Zarzis, zo’n 80 kilometer van de grens met Libië, zien de mensenstromen al 20 jaar over de watervlakte aan zich voorbijtrekken. Wie in deze wateren werkt, vindt het heel gewoon om de op boten opeengepakte vluchtelingen in de verte te zien langsvaren — soms wel duizend mensen in een paar dagen tijd.

Het gebeurt geregeld dat de vissers een boot in moeilijkheden treffen. Dan bellen ze de Tunesische of Italiaanse hulpdiensten en helpen ze bij de reddingsactie.

Soms is het geen boot die ze tegenkomen. Ze weten precies wanneer er in de buurt een lichaam drijft door de lijkenlucht die over het water hangt.

Houcine Mlich, visser in de haven van Zarzis, Tunesië.

“Je ruikt de lijken van 800 of 900 meter afstand”, vertelt Salah Eddine Bchareg, een stevige, zonverbrande schipper met grijze stoppelbaard als we met een groepje vissers in een eenvoudig cafeetje in de haven van Zarzis zitten.

In het verleden — vóór Lampedusa, en vóór de stroom migranten en vluchtelingen van de afgelopen tijd — waren er helemaal geen opsporings- en reddingsacties. Er kwamen minder mensen om, maar er dreven wel meer lichamen in de Middellandse Zee, omdat niemand er aandacht aan besteedde.

“In de periode tot [2003] zagen we eigenlijk veel vaker lichamen in het water drijven. Hoeveel lijken we toen zagen, en de stank, dat was vreselijk… Ik kan die lucht niet omschrijven. Het is de walgelijkste lucht die ik ooit heb geroken”, zegt Bchareg.

Salah Eddine Bchareg, voorzitter van de Vereniging van Vissers van Zarzis.

Op zeker ogenblik meden de vissers een bepaald gebied op zee, waar veel lichamen bij elkaar dreven. Toen de opsporings- en reddingsacties in 2013 van start gingen, kwam er verbetering in de situatie. Hoe dichterbij Libië de acties worden uitgevoerd, hoe minder lichamen er zijn.

Maar ze zijn er nog wel, de lijken die in zee drijven — opgezwollen, verkleurd, in staat van ontbinding en met ontbrekende vingers, armen en soms zelfs zonder hoofd. Ze spoelen één voor één, of in groepjes, aan op de stranden van Tunesië en Libië, of vissers komen ze tegen op zee.

In Tunesië spoelen lichamen meestal aan op de stranden ten noorden en zuiden van Zarzis. In de maand juni van dit jaar zijn meer dan 70 lichamen uit het water of van het strand gehaald. Zo gaat het al jaren.

Misschien kunnen de onbekende lichamen die in 2014 in Tunesië zijn aangespoeld ons meer vertellen over het lot van de Ghost Boast en haar passagiers. Ik ga naar Zarzis om het uit te zoeken.

Fouad Gamoudi, projectleider voor Artsen Zonder Grenzen, zette een opsporings- en reddingstraining op voor de vissers in Zarzis.

De avond van mijn aankomst ontmoet ik Fouad Gammoudi, hoofd van de missie van Artsen Zonder Grenzen in Tunesië en Libië. AZG gebruikt trainingsprogramma’s om vissers, kustwachten en anderen te leren reddingsacties uit te voeren, of assistentie te verlenen. Ook leren ze op een verantwoorde manier met lijken om te gaan.

Aan tafel op de binnenplaats van het AZG-kantoor laat Gammoudi wat filmpjes zien op zijn laptop. De eerste opname toont een aantal lichamen op een strand. Waar de huid is weggerot, zijn de schedels zichtbaar geworden. Het beeld verspringt naar een andere opname. Medewerkers van de Civiele Bescherming vouwen een aangespoelde, leeggelopen rubberboot open. Binnenin ligt een opgezwollen lichaam, naast een tas met persoonlijke bezittingen.

Een ander filmpje toont hoe een Tunesische kustwacht bij de kade aanmeert, met een rottend lichaam aan een treeplank op het achterdek gebonden. De huidskleur is zo verschoten dat je niet kunt zien of de overledene een donkere, getinte of blanke huidskleur had. De joggingbroek is nog steeds felblauw, en de witte letters aan de zijkant zijn goed leesbaar.

Wijzend op het scherm zegt Gammoudi: “Een detail zoals de tekst op die broek, alles wat aanduidt of het om een man of vrouw gaat, leidt soms tot de identificatie van een persoon.” Foto’s van een gebit, een tas of persoonlijke bezittingen kunnen ook essentiële informatie verschaffen.

Hielden de autoriteiten in Zarzis — of waar dan ook in Tunesië of Libië eigenlijk een archief bij over de lichamen uit zee, dat zou kunnen helpen bij hun identificatie?

“In 2014 bestond er helemaal geen identificatie- of bergingsprocedure voor stoffelijke overschotten”, antwoordt Gammoudi.

Wat deden ze dan met de honderden lichamen die in Zarzis waren aangespoeld?

“Volgens de wet moet een lijk in een ambulance vervoerd worden, maar de overheid staat dat niet toe, en je krijgt die ambulance gewoon niet mee”, zegt Mohammed Trabelsi, vrijwilliger bij de commissie voor behandeling van stoffelijke overschotten van de Tunesische Rode Halve Maanbeweging.

Overheidsinstanties hebben geen zin om de verantwoordelijkheid voor de berging van de lichamen op zich te nemen, en daarom draait de lokale overheid ervoor op.

Rond het hele gebeuren hangt een sfeer van angst en afkeer. Mensen willen niet dat de lijken in hetzelfde mortuarium liggen als hun familieleden, en al hadden ze daar geen problemen mee, dan nog kan het mortuarium in Zarzis maar zes lichamen herbergen; soms spoelen er wel 30 lijken tegelijk aan.

Het mortuarium van het ziekenhuis in Zarzis kan zes lichamen herbergen. Aangespoelde lijken worden meestal rechtstreeks naar een massagraf aan de rand van de stad gebracht.

Als die naar het ziekenhuis worden gebracht, begint de lokale bevolking te morren vanwege de stank en angst voor ziekten. Ze willen niet dat de lichamen op een van de begraafplaatsen binnen de stad worden begraven.

Bij gebrek aan een ambulance, passende opslag of een afgebakende begraafplaats worden de lijken in een gemeentelijke vuilniswagen gekieperd en linea recta naar een braakliggend stuk grond zo’n 8 kilometer buiten Zarzis gebracht, wat door de gemeente is aangewezen als begraafplaats.

“De lichamen worden in stapels begraven. Ze graven gewoon een gat en stoppen ze erin”, zegt Trabelsi.

Wettelijk gezien moet na de vondst van een lijk een verslag worden ingediend bij het kantoor van de procureur-generaal. Een arts die de lichamen medisch onderzoekt, vertelt me echter dat er maar drie zaken van belang zijn: eventuele geweldsporen op het lichaam, de doodsoorzaak, en wanneer de dood is ingetreden. De inspectie wordt gedaan bij de vindplaats van het lijk, of onderweg naar de begraafplaats. Er wordt niets gefotografeerd of genoteerd over fysieke details die later van pas zouden kunnen komen bij identificatie van het lichaam.

De begraafplaats buiten Zarzis is een kaal, stoffig stuk grond, bezaaid met afval en omgeven door een lage muur van rommel. Bij de ingang staan twee stenen pilaren. Er is niets wat erop duidt dat hier doden worden begraven.

In de verte ligt nog een stuk land met massagraven. Het werd gebruikt totdat in 2011 zilt water de droge aarde in begon te sijpelen, en daar geen lijken meer ter aarde besteld konden worden. “Er liggen daar honderden mensen begraven”, vertelt Shemseddine Marzouk, ook vrijwilliger bij Tunesische Rode Halve Maanbeweging.

Marzouk wijst naar een vers tractorspoor op de nieuwe begraafplaats. Daar ligt een lichaam zonder hoofd begraven, dat hier minder dan een week geleden is aangespoeld.

Hij blijft maar niet onooglijke stukjes grond en hoopjes aarde aanwijzen. Op één plek liggen 14 mensen begraven. Ergens anders liggen er twee — of vier. Alleen uit de lichte verzakkingen, waar de aarde om de lichamen heen naar beneden is gezakt, is op te maken dat hier graven liggen.

De Tunesische Halve Maanbeweging probeert deze werkwijze aan te passen. Ze willen individuele graven bouwen, materieel aanschaffen om de lichamen op de juiste wijze te kunnen behandelen en inspecteren, en de gegevens vastleggen die noodzakelijk zijn in het identificatieproces. Toen de Ghost Boat verdween, werkte het niet zo — en nu nog steeds niet.

Trabelsi staat skeptisch tegenover een spoedige verbetering van de werkwijze, omdat het de overheid toch niets kan schelen. Hij is gefrustreerd door de situatie.

“In mijn ogen zijn die lijken nog steeds mensen — met mensenrechten. Ze zouden met respect behandeld moeten worden. Per slot van rekening weet niemand hoe de dingen kunnen lopen, en dit kan ons ook gebeuren.”

Lopend over de naamloze grond stel ik me voor hoe de lichamen onder mijn voeten in stapels begraven liggen. Die lichamen hadden een identiteit — het waren mensen. Die mensen hadden gezinnen, vrienden, geliefden, misschien kinderen, die, net als de Ghost Boat families zweven: aan het lijntje gehouden door knagende onwetendheid.

Als de Ghost Boat is gezonken, zijn één of meer passagiers misschien wel bijgezet in dit grimmige oord– of op een vergelijkbare, anonieme vluchtelingenbegraafplaats ergens langs de Tunesische en Libische kust.

Een van de vissers in de haven zei eerder die dag tegen me: “De lichamen die we op dit moment tegenkomen, zouden best van de mensen kunnen zijn die jullie zoeken. Dat zou best kunnen. Die lichamen hebben duidelijk een poos in het water gelegen.”

Gezien de uitgestrektheid van de zee tussen Libië, Tunesië en Italië, en het aantal mensen dat er passeert — en sterft — lijkt die kans al zeer klein. Zonder enige vorm van forensische documentatie kun je er echter helemaal nooit achter komen. Hoe zou je dan ooit iets kunnen afsluiten ?

In Libië is het nog erger. Daar spoelen nog veel meer lijken aan dan in Tunesië. Door gewapende conflicten en de ontbinding van de centrale overheid is het nog moeilijker om aantallen bij te houden, forensisch bewijs te documenteren en enigszins systematisch lichamen te begraven. Gammoudi vertelde me dat er in 2013 en 2014 maar één iemand was in het hele land die de lichamen van drenkelingen inspecteerde — en dat was een veearts. Dit jaar voert niemand die taak uit.

In Italië is het Mare Nostrumprogramma stopgezet — het vervangende Triton heeft een kleiner bereik — maar er wordt wel geprobeerd forensische sporen na te gaan. Een laboratorium aan de Universiteit van Milaan bouwt een database op met DNA en ander bewijsmateriaal van incidenten in het Middellandse Zeegebied, met de opsporing en identificatie van vermiste personen als doel. Het schiet alleen niet echt op: bijna 200 van de gestorven schipbreukelingen bij Lampedusa moeten nog officieel geïdentificeerd worden.

Terwijl ik over alles nadacht, moest ik weer aan Segen en Abigail denken. Ik zag een foto voor me die Yafet me had gestuurd. Zijn twee dochter zaten in een badje. Shalom, de oudste, waste Abi met een sponsje. Abi keek recht in de lens. Achter een lief lachje kwamen kleine witte tandjes tevoorschijn. Yafets woorden spookten door mijn hoofd: “Het zijn toch mensen, ze moeten wel drijven.”

Gezien de afwezigheid van forensische documentatie vroeg ik me af waar we nu nog konden zoeken naar aanwijzingen over het lot van de Ghost Boat. Was het blije kleine meisje op de foto nog in leven?

Om erachter te komen, hebben we jouw hulp nodig.

Het frustrerende is dat we niet weten wat zich heeft afgespeeld, of waar de mensen van de Ghost Boat nu zijn. Daarom onderzoeken we al het bewijs op zoek naar antwoorden — en vragen we jou om mee te doen.

Momenteel onderzoeken we de vaarroutes van boten in hetzelfde gebied, en proberen we iets te weten te komen over het vertrek van de boot door mogelijke zoekgebieden te bepalen.

Je kunt nú iets doen.


Dit verhaal is geschreven door Eric Reidy en Meron Estefanos. Het werd begeleid door Bobbie Johnson, gefactcheckt door Rebecca Cohen en geredigeerd door Rachel Glickhouse. De art-direction is van Noah Rabinowitz. Fotografie en video: Gianni Cipriano. ‘Cinemagraphs’: Sam Cannon.