Stoicijns zijn

Dat klinkt ouderwets en dat is het het ook en je moet minstens eindexamen Latijn hebben gedaan om er niet van te gaan gapen. Maar ja, dat heb ik.

Ik kwam “stoicijns” (daar moet denk ik een soort accent op, anders staat er stoj-cijns) weer tegen toen ik een boek over Montaigne las. Montaigne is een gigant van de wereldliteratuur die types als ik graag gelezen zouden hebben, maar dat oude Frans is natuurlijk niet om door te komen. Gelukkig heeft Sarah Bakewell een boek over Montaigne en zijn essays geschreven in modern Engels, dat helpt een stuk.

Zijn Essais, voor het eerst uitgegeven in 1580, was de eerste bundel columns. En onder een column versta ik dan een los tekstje dat over jezelf en je ideeën gaat, zonder al te veel argumenten. Eigenlijk ben ik daar natuurlijk tegen. Je emoties hou je maar voor je, tenzij je er iets evidence baseds over te zeggen hebt.

Maar die essays zijn toch wel leuk. Ze gaan alle kanten op (een desultorische schrijfproces, heet dat), maar er zitten toch wel wat thema’s in. Hoe je moet leven bijvoorbeeld. Montaigne had van de ene kant een makkelijk leven, want hij was de zoon van een grootgrondbezitter (waar de Chateau Eyquem vandaan komt),dus zijn kostje was wel gekocht (en hij ging op zijn 33e ook met pensioen), van de andere kant leefde hij in een behoorlijk ingewikkelde tijd: een en al godsdienstoorlog en bovendien stierven mensen om het minste of geringste. Zoals bijvoorbeeld al zijn kinderen, op een na.

Amor fati hielp dan, liefde voor het noodlot. Wat ik er van begrijp is dat het accepteren van je ellende (het accepteren van meevallers lukt ook wel zonder filosofie) je helpt om niet van slag te raken. “Het is zoals het is”.

Hij was een skepticus. Hij geloofde niet dat je dingen echt zeker kon weten (daar maak je geen vrienden mee in een periode dat je land wordt geteisterd door godsdienstoorlogen), dat je je niet mee moest laten slepen door emoties (dus niet naar voetbalwedstrijden kijken) en dat je je kon wapen tegen narigheid door je niet te veel te hechten.

Hij zag ieder mens als een individu, een ik. Als je zo kijkt wordt het al een stuk lastiger om iemand de hersens in te slaan. Dieren zag hij trouwens ook als een wezens met een ik. (“Speel ik met mijn hond of speelt mijn hond met mij?”).

Als een mediator avant la lettre probeerde hij conflicten op te lossen door uit te vissen waar partijen het wèl over eens waren.

Dat klinkt allemaal heel verstandig.

Maar toen las ik daarna The Jungle van Upton Sinclair (rare voornaam), uit 1906. Dat gaat over de vleesindustrie in Chicago en met name over de totale uitbuiting van de mensen die daar in moesten werken (als je een minuut te laat kwam, kreeg je je eerste uur niet uitbetaald, als je werk een minuut voor het uur klaar was, kreeg je het laatste uur niet uitbetaald, als je een ongeluk kreeg was je gewoon de pineut en je kon elk moment ontslagen worden. As je thuis kwam was je te moe om je schoenen uit te doen en donderde je zo je bed in. En je verdiende te weinig om van te leven. Om een jas te kopen bijvoorbeeld en die heb je in Chicago echt wel nodig. Probeer je voor te stellen hoe het is om van een boerderij in Litouwen te komen en dan jarenlang tussen de industrie te leven in een gebied waar maar een grasveldje is, voor het hoofdkantoor).

Doffe ellende kortom en met dat vlees werd ook gerotzooid (daardoor had het boek nogal een impact, want Sinclair spelde gewoon uit hoe het vlees van zieke dieren werd gemengd met dat van gezonde, hoe rattenpoep in de spam terechtkwam en aardappelmeel in de worstjes).

Het is allemaal even vreselijk om te lezen en het komt pas aan het eind goed als de hoofdpersoon zich bekeert tot het socialisme, wat een slap einde is, maar tegen die tijd ben je al zo ver meegesleept dat dat niet zo erg is. Ik was sowieso al verbaasd dat ik een boek uit 1906 zo ademloos uitlas. Ik ben het wel eens met Louis Paul Boon die vindt dat alle grote literatuur eens in de 50 jaar opnieuw geschreven moet worden (zijn we eindelijk van Shakespeare af, maar wel jammer van Op weg naar het einde)(Ook een goed idee voor muziek trouwens, zijn we eindelijk van alle klassieke muziek af, hoewel daar weinig meer voor nodig is, als zie hoe weinig mensen van onder de 40 naar de Mattheus gaan).

Prachtboek dus, maar ik vroeg me af wat de meatpackers in Chicago gehad zouden hebben aan de ideeën die Montaigne stoïcijns achter zijn schrijftafel bij elkaar heeft gepend.

Niet veel, denk ik. Als je voortdurend bang moet zijn om van honger om te komen, gaat skepticisme je niet helpen en als je dreigt dood te vriezen omdat je geen huis en geen warme jas hebt, denk je ook niet: Ach ja, het is zoals het is. Laat ik maar het beste van maken.

Dat vind ik dan wel weer jammer van dat boek van Montaigne.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.