Veertien februari

Ze stond er maar. Treurig Whatsappend bij de deur van het café. Dronken mensen buitelden over haar heen, een sorry was er niet. Mooi bruin haar had ze, met van die bijpassende bruine ogen. Het was tegen tweeën, de horeca ging sluiten. Dat gekke punt, waar nieuwe plannen werden gesmeed, maar tegelijkertijd nog veel meer plannen tot een einde kwamen. Naar huis, of een nieuw avontuur zoeken? De meeste bezoekers van het etablissement leken voor het laatste te kiezen.

Maar zij niet. Driftig bleef ze op haar touchscreen drukken. Stuurs keek ze naar de grijze vinkjes die maar niet blauw werden. ‘Heb jij een vuurtje?’, waagde iemand haar te vragen. ‘Nee sorry, ik rook niet’, was haar antwoord. De man liep door, zij startte een bel-poging. Ze leek geen gehoor te krijgen. ‘Kutzooi’, klonk het binnensmonds. Het paste niet bij haar elegantie.

Ze keek om zich heen. Leek iemand te zoeken. Slechts een paar mensen waren nog in het café waar ze voor stond. Na een blik op hen keek ze weer ongeïnteresseerd van ze weg; daar stond haar target dus ook niet tussen. Een dame met een kortpittig ‘lekker-gek, lekker-mezelf’-kapsel liep voorbij. “Hee Gerda!”, begroette de brunette haar. De wat corpulente oudere dame hoorde het niet. Stug beende ze door. Dat kon er ook nog wel bij. De vinkjes bleven grijs, net zoals het kortpittige haar.

De laatste blondine liep het café nu ook uit. “Hee, jij nog hier!”, riep ze in herkenning van haar vriendin. “Ja, maar ik ga nu net. Jack is al weg. Tot morgen goed?” En foetsie was ze. Tweehonderd meter verder stond een grijze Mercedes-taxi op haar te wachten. De hemel begon te huilen. Een eenzaam Valentijnsontbijt, voor die arme prachtige meid. Het zou verboden moeten worden.