Arie Storm over de briefwisseling tussen Willem Brakman en Simon Vestdijk

Op 12 juni werd in Athenaeum boekhandel Gaven, giften en vergiften gepresenteerd: de briefwisseling tussen Willem Brakman en Simon Vestdijk, bezorgd door Brakman-biograaf Nico Keuning. Auteur, literair criticus én Brakman- én Vestdijk-liefhebber Arie Storm werd benaderd om bij deze gelegenheid een toespraak te houden. Dit is de tekst van zijn feestelijke rede.

Brakman en Vestdijk

Arie Storm

Tegenwoordig schrijft niemand nog een brief. Dat is een goede ontwikkeling. Ik heb een hekel aan brieven. Ik houd tot op zekere hoogte wel van e-mails: als het goed is zijn die kort, ter zake en vaak minder aanstellerig. De meeste mensen kunnen nu eenmaal niet zo goed schrijven, dat was vroeger ook al het geval, dus op een lange brief van hen zit je niet te wachten; een mailtje is dan misschien net te harden. Met verschrikking en ergernis denk ik terug aan de brieven die ik vroeger nog weleens kreeg. Briefschrijvers waren ook altijd zeikerds, de schrijvers van brieven verlangden altijd een antwoord terug, en dan ook weer in de vorm van een brief. Het was vreselijk. Brieven werden vaak gebruikt om andere mensen op te lichten, om de schrijver van de brief beter te laten lijken dan hij was, ze werden ingezet om je te proberen te manipuleren en om rookgordijnen op te werpen, kortom, voor van alles en nog wat, maar ze zorgden er nooit voor dat er meer onderling begrip tussen de mensen kwam.

Ik heb — ik ben nu toch bezig — ook een hekel aan biografieën. Ik lees niet graag over het leven van een schrijver. Een keer bevond ik me in boekhandel Athenaeum op het Spui en ik zag Jan Kuijper (de redacteur van Willem Brakman gedurende vele jaren) binnenkomen en zelfs schuifelde hij mijn kant al op. Een ontmoeting was niet meer te vermijden. Voor de duidelijkheid: ik heb helemaal geen hekel aan Jan, en dan ook echt niet, maar ik probeer altijd iedereen te ontlopen. Is een ontmoeting onvermijdelijk, dan wil ik wel altijd een goede indruk maken. Ik verplaatste me snel van de tafel met literatuurwetenschappelijke werken, dat soort boeken lees ik graag maar ik geloof dat ik daar vrij alleen in sta, naar de kast met de biografieën — die manoeuvre kon ik nog net maken. Om de een of andere reden meende ik dat het wel Jans goedkeuring zou hebben als ik belangstelling zou hebben voor biografieën. Ik geloof zelfs dat ik trots ‘Kijk!’ zei toen Jan me zag. Of misschien zei ik zelfs: ‘Kijk, allemaal biografieën!’ Jan groette me, keek langs me heen en zei toen: ‘O, biografieën, verschrikkelijk. Ik lees nooit een biografie.’ Waarop ik snel zei: ‘O, ik heb ook zo’n pesthekel aan biografieën.’

Nico Keuning werkt aan de biografie van Willem Brakman lees ik op een van de flappen van dit brievenboek, Gaven, giften en vergiften. Een tijdlang ging ik door het leven als de biograaf van Frans Kellendonk. Het was gruwelijk. Mensen belden me dat ze in het boek wilden komen, ze stuurden mails dat ik contact met ze op moest nemen, ik kwam ongevraagd dingen over Kellendonk te weten die ik liever niet te weten was gekomen, het, zo heette dat toen nog, Letterkundig Museum werkte me tegen, ik mocht niets inzien, de Stichting Frans Kellendonk Fonds, die het archief beheerde, bleek uitsluitend uit halvegaren te bestaan… Uiteindelijk besloot ik om dan maar een roman te schrijven over Kellendonk, die in 2015 onder de titel Het laatste testament van Frans Kellendonk is verschenen bij Athenaeum — Polak & Van Gennep. Dichter bij Kellendonk komt denk ik niemand. De romanvorm is de beste manier om iets over een medemens te weten te komen. Tijdens het schrijven van die roman wás ik Kellendonk en Kellendonk was mij.

Ik besloot de briefwisseling tussen Willem Brakman en Simon Vestdijk te lezen alsof het een roman betrof. Ik hou enorm van de romans van beide schrijvers: als het maar fictie is, dan is het bij hen waar, dan leer je dingen over het leven, dan léés je het leven. Buiten die romans om waren het enorme fantasten. Brakman heeft me door mijn militaire dienst heen geholpen. Ik ging in militaire dienst ná mijn studie Nederlands en mijn leermeester Frans de Rover leerde me Brakman lezen. De eerste die ik las was De oorveeg. Na veertig bladzijden hield ik ermee op, maar Frans zei dat ik door moest zetten, en opeens was ik om. Brakman is de grappigste Nederlandse schrijver die ik ken, misschien is hij zelfs wel de beste. Mijn favoriet is Het doodgezegde park, maar ik vind ze allemaal goed.

Lees je Gaven, giften en vergiften alsof het een roman is, dan knapt het boek er enorm van op. Het is een goed geschreven roman over twee mannen die van het leven houden maar die het leven tegelijkertijd eigenlijk niet aankunnen. Brakman, een arts immers, vertelt dat hij moet worden bijgeschoold. Hij moppert: ‘In dit vervloekte land blijkt men slechts gelukkig wanneer men weer iemand een cursus in zijn maag heeft gesplitst.’ Hij zit tijdens de cursus voortdurend op de wc om daar te lezen en te schrijven. Verontwaardigd schrijft hij: ‘Ik word steeds gestoord […].’

Ik ken geen levendiger schrijver dan Vestdijk. Zijn romans brúísen van het leven. Dat zit in die gekke lange zinnen van hem, de rare perspectiefwisselingen, de plotselinge uithalen die hij kan hebben, door de aandacht voor alledaagse zaken die er in zijn boeken is, tandheelkundige problemen, stoelgangmoeilijkheden, busreizen naar rare oorden, nu ja, de hele rataplan, maar thuis leefde hij eigenlijk uitsluitend, zo komt het beeld naar voren, als hij zat te schrijven. Hij had pillen nodig om zijn depressie te bestrijden, om de door hem gevreesde impotentie te lijf te gaan, tegen de algehele fysieke en geestelijke aftakeling — en Brakman levert hem die pillen met graagte.

Ze hebben een gemeenschappelijke vijand, Nol Gregoor, de running gag in het boek, van wie ze op een rare manier ook wel weer houden. Maar over het algemeen wordt in Gaven, giften en vergiften één lange strijd beschreven die erop neerkomt dat iedereen zo lang mogelijk buiten de deur gehouden moet zien te worden. Je valt een ander nergens mee lastig, want een ander moet jou ook niet lastigvallen. Brakman merkt op een gegeven moment op dat hij niet houdt van mensen die hem boeken willen laten lezen. Vervolgens raadt hij Vestdijk een boek aan, maar daar gaat het niet om, want zo is het wel! Er is bijna niets ergers dan dat iemand zegt dat je dit of dat boek moet lezen. Het zijn altijd slechte boeken die ze je aanraden. Behalve dan die keer dat Frans de Rover me zei dat ik dóór moest lezen in Brakman. Ik ben hem nog steeds dankbaar.

Hier, zoals we nu bij elkaar zijn, leest iedereen al Brakman en Vestdijk. Op Twitter schreef een boekhandelaar: ‘Anton Wachter: saaaaai…; Victor Slingeland: saai…; […] Heel saai.’ En in steenkolennederlands voegde hij eraan toe: ‘Oeuvres als dat van Hermans en Reve zijn veel minder bederfelijk gebleken.’ Nooit luisteren naar een boekhandelaar. Nooit luisteren naar wie dan ook, alleen naar Frans de Rover. Ik heb genoten van Gaven, giften en vergiften. Het loopt slecht af. De laatste woorden in de laatste brief luiden: ‘Dokter, ik ben zo…’ Ik vind dat een mooi einde.

copyright tekst: Arie Storm