De ethiek van de redelijke kant bekeken

Redactie der VGST
Aug 23, 2017 · 17 min read

“Maar nog afgezien daarvan denk ik dat het begrip van de waardigheid enkel in ironische zin van toepassing kan zijn op een wat de wil aangaat zo zondig, wat de geest aangaat zo beperkt, wat het lichaam aangaat zo kwetsbaar en vergankelijk wezen als de mens.” — Arthur Schopenhauer

Met Ethics Ltd. hebben we de tweede helft van dit jaar het boek Fundering voor de metafysica van de zeden [1] behandeld, een vertaling van Immanuel Kants Grundlegung zur Metaphysik der Sitten. Hij is vooral bekend van de versimpelde weergave van zijn belangrijkste ethische stelling: ‘je mag iets alleen doen als je wilt dat iedereen het doet’. Een stelling die regelmatig door semi-intellectuele humor belachelijk wordt gemaakt. Maar om voorbij te gaan aan deze en andere versimpelde weergaven, was het hoog tijd dat we het werk van de beste man zelf eens gingen lezen. Om de ethiek van Kant niet in de leegte te plaatsen, zal ik nu eerst een introductie geven van enkele hoogtepunten uit de ethiek. Dit overzicht poogt overigens niet volledig te zijn, het is zo wel lang genoeg.

Geschiedenis van de ethiek

Ethiek is al zo oud als het kwaad in de wereld. In vroege tijden werden deze ideeën niet op schrift gezet, maar uit beschrijvingen van volgelingen en ontkrachtingen van tegenstanders is toch nog enigszins een beeld te vormen van de eerst bekende ethische werken. Omdat deze ideeën de basis zijn geweest voor de eerste grote ethische systemen, gaan we eerst kijken naar het vroege Griekse denken.

Rond 600 v.Chr. zijn er de Milesische wijsgeren [2], ook wel natuurfilosofen genoemd. In deze tijd gaat men ervan uit dat de wereld is opgebouwd uit één of meerdere elementen (bijvoorbeeld: water, aarde, vuur, lucht) en als er al zoiets is als een ziel, dan is deze ook uit die elementen opgebouwd. Dit verandert met de komst van Pythagoras (580–500 v.Chr.), die naast een bekende wiskundige stelling ook de ziel introduceert als iets dat in het lichaam gevangen zit. Door zuivering is deze hieruit te bevrijden. Heraclitus (535–475) ziet alles als beweging en een harmonie van tegenpolen, maar is wel op zoek naar een grondbeginsel, dat hij logos noemt. Met Xenophanes (570–480 v.Chr.) uit Elea wordt een stap gezet in het Griekse denken van het veelgodendom naar één godheid die alles is. Dit is verder onderbouwd door Parmenides (540–475 v.Chr.), met de notie dat de werkelijkheid één is en dat er dus geen onderscheid is tussen een geestelijke en een materiële dimensie. Hun opvolgers, de Eleaten, komen uiteindelijk tot de visie dat alles is opgebouwd uit kleinere zaken: atomen. De ziel is niet iets fundamenteels anders dan materie, maar bestaat uit de kleinste deeltjes.

Protagoras (490–420 v.Chr.) heeft als bekendste stelling dat de mens de maat is van alle dingen. In deze tijd loopt ook Socrates (469–399 v.Chr.) rond, die net als Protagoras meer over de mens ging denken. Zijn centrale idee is dat de zoektocht naar kennis leidt tot deugdzaamheid. Goed en kwaad hangt niet af van menselijke willekeur, maar van het ‘inzicht’, en is dus universeel. Voortbouwend op zijn naam en denkkracht ontstaan er twee scholen: de cynische school en de school van het hedonisme. De cynische, van Antisthenes (445–365v.Chr.), leerde dat niets de mens vreugde of smart mag geven. Hij moet zichzelf genoeg zijn, en zijn levensdoel zien in het volledig onafhankelijk zijn van mensen en hun wetten. De school van het hedonisme, van Aristippos (435–355 v.Chr.), zag genot als het doel. Het gaat hier wel om genot op lange termijn, dus men moet rekening houden met de gevolgen van een keuze of handeling.

Plato (427–347 v.Chr.), bekend van zijn grot-metafoor, was van mening dat we uit de waarneming het veranderlijke kennen, de zintuiglijke realiteit, zoals bijvoorbeeld een handeling. Uit het denken kennen we het onveranderlijke ‘zijn’, het Goede: wie dat bereikt ziet dat de zintuiglijke realiteit slechts een schaduw hiervan is. Het is moeilijk om tot dit Goede te komen, omdat mensen zo sterk overtuigd zijn van hun waarnemingen, dat ze moeilijk kunnen beseffen dat er een hogere waarheid is. Het denken krijgt van hem ook de leidende rol in de ethiek: een volwaardig menselijk leven gaat om een actieve deelname aan de gemeenschap. Hiertoe moet de rede (als hoogste deel van de ziel) door middel van de hogere gevoelens (deugden) de lage gevoelens (begeertes) in bedwang houden.

Het eerste grote ethische systeem wordt ontworpen door Aristoteles (384–322 v.Chr.). Hij is een teleologische denker, wat betekent dat alles gebeurd vanuit een doel [3]. Zo is ook zijn ethiek opgebouwd: het menselijk handelen heeft altijd een doel. Als alle doelen worden geanalyseerd, komt men uit bij het hoofddoel, het goede. Hij noemt dit doel ‘geluk’. Door goede handelingen te verrichten wordt men deugdzaam. Leidraad hierin is matiging: de goede handeling houdt het juiste midden tussen twee slechte uitersten. Zo is moed bijvoorbeeld een midden tussen roekeloosheid en lafheid. Alleen goden kunnen volgens Aristoteles het perfecte leven bereiken, mensen niet.

Plato en Aristoteles (Rafaël)

Na Aristoteles ontstaan er drie grote stromingen: het Epicurisme, de Stoa en de Skepsis. Het Epicurisme is genoemd naar Epicurus (34–270 v.Chr.). Zijn ethiek wil mensen gemoedsrust brengen. We moeten niet bang zijn voor goden (die bemoeien zich niet met ons) of dood (er is niets na de dood), en we kunnen zelf ons lot bepalen. Ons doel is geluk, hiervoor is soms matiging nodig. De ideeën van de Stoa zijn zeer in beweging. Wat ze in het algemeen delen is de notie dat er geen ‘kwaad’ is. Wat kwaad lijkt te zijn, is onderdeel van de harmonie van de wereld. Het goede leven is leven in harmonie met de wereld en jezelf. De hoogste deugd is aanvaarding van het eigen lot. Het perfecte leven is bevrijd zijn van hartstochten. Het Scepticisme, in navolging van Pyrrho (360–275 v.Chr.), zegt: zeg maar niets, want we kunnen van ‘de dingen zelf’ niets weten. Alleen op die manier kunnen we de gemoedsrust vinden en bewaren. [4]

In de periode die volgt, wordt er veel op Plato teruggegrepen [5], zowel in de Griekse als in de joodse/christelijke filosofie. Zo was er buiten de Kerk bijvoorbeeld Plotinus (204–270): de mens is een ziel die tijdelijk een lichaam gebruikt. ‘Goed’ is wat bijdraagt aan identificatie met de hogere zelf. Er zijn drie soorten deugden: burgerlijke (controle van begeertes) en louterende deugden (bijdragen aan scheiden van individu en lichaam) en als hoogste de intellectuele deugd (de activiteit van filosofie). Gescheiden van het lichaam kan met opgaan in ‘de ware ik’: de denker. Binnen de Kerk zijn er de Griekse en Romeinse kerkvaders, waarvan sommigen wel en anderen niet de Griekse filosofie als iets goeds en nuttigs voor christenen zagen. De Griekse patristiek (=leer van de kerkvaders) had in het algemeen als standpunt dat het kwaad niet iets op zichzelf is, maar het ontbreken van het goede. Een voorbeeld van een Griekse kerkvader was Origenes (185–254), die in navolging van Plato de stelling aanhing dat een staatsman mag liegen als hij daarmee iets nuttigs zou kunnen doen voor de gemeenschap. De Latijnse patristiek is beter bekend. Zo is daar Tertullianus (160–230), die zeer streng was: er is een grote tegenstelling tussen christelijke levensstijl en ‘de wereld’. Een terugval naar een wereldse levensstijl betekent uitsluiting van de christelijke gemeenschap. Nog bekender is Augustinus (354–430), die kwaad zag als bederf van het goede. Een wil die gericht is op God is goed, een wil gericht op zichzelf is fout. Het goede komt voort uit de wil van God, de menselijke wil is juist bron van kwaad: erfzonde. Hij was van mening dat je nooit mag liegen. Indien nodig, onderga dan het lijden dat het gevolg kan zijn van de waarheid spreken. De ziel is immers veel belangrijker dan het lichaam. [6]

In de scholastiek (de filosofie in de Middeleeuwen) zijn een paar grote denkers aan het werk geweest. Te beginnen met Abaelardus (1079–1142), die als doel van de mens de liefde tot God zag. In een ethisch oordeel gaat het daarmee alleen om de intentie van de handeling. Alleen God kan dus een zuiver ethisch oordeel vellen, aangezien mensen elkaars intentie nooit volledig kunnen kennen. Na hem traden de ‘grote drie’ op: Van Aquino, Scotus en Ockham. Thomas van Aquino (1225–1274) zag kwaad als afwezigheid van het goede. Zijn ethiek bevatte naast de kardinale deugden (wijsheid, rechtvaardigheid, moed, gematigdheid) de deugden geloof, hoop en liefde. Het is zonde om er niet naar te leven, dit in tegenstelling tot Aristoteles die een ondeugdzaam leven slechts als een vergissing zag. Liegen is volgens Aquino altijd fout. Als je bijvoorbeeld een onderduiker verbergt mag je die informatie achterhouden, maar je mag niet zeggen dat je niet weet waar hij is. Als een zieke man een vraag stelt waarbij het antwoord hem de dood in zou jagen, is dat nog altijd te verkiezen boven het beschadigen van je ziel door een goedbedoelde leugen. Johannes Duns Scotus (1266–1308) was van mening dat de liefde voor God een maatstaf voor goed en kwaad is. In contrast met Aquino vond hij dat Gods geboden niet per se goed waren voor het geluk van mensen. Morele keuzes moeten dus niet gemaakt worden op basis van gevoel voor wat voordelig is, maar uit gevoel voor wat rechtvaardig is. Willem van Ockham (1288–1347) is vooral bekend van zijn ‘scheermes’: een theorie niet moeilijker maken dan nodig is. Op ethisch gebied was hij met Scotus eens dat goed en kwaad volstrekt contingent (=waar, maar niet noodzakelijk) is, en Gods keuze. Of een daad goed of slecht is, hangt af van de bedoeling [7].

In de periode die volgt (de Renaissance) wordt er eerst vooral veel bereikt op het gebied van wetenschap en staatsrecht. Dan komt René Descartes (1596–1650), bekend van ‘ik denk dus ik besta’, die vaak gezien wordt als het hoogtepunt of eindpunt van de Renaissance en het begin van de vroege Verlichting. Wat betreft ethiek ziet hij als centrale deugd om over een krachtige wil te beschikken om te doen wat we het beste achten. Het gaat om wat wij in onze eigen ogen betekenen door te handelen. Hij onderscheidt zes passies van de ziel: liefde, haat, verlangen, vreugde, verdriet en verwondering. Deze zijn goed, maar moeten beheerst worden om het kwaad dat ze kunnen veroorzaken te verminderen, of zelfs om vreugde te geven. Onder invloed van de Stoa en Epicurus komt hij tot het begrip ‘edelmoedigheid’: perfectie van wil (deugd) en intellect (wijsheid). Een goed persoon leeft in de wetenschap dat de vrije keuze het enige is dat echt aan iemand toebehoort, dat hij alleen geprezen of afgekeurd mag worden over hoe hij deze vrijheid gebruikt, en hij moet de wil hebben de juiste keuzes ook altijd uit te voeren.

René Descartes

Een jongere tijdgenoot van Descartes is Blaise Pascal (1623–1662). Naar zijn idee is er een ‘natuurlijke wet’, die resten reflecteert van het betrouwbare morele richtsnoer dat God voor de zondeval gaf. De rede is een onbetrouwbare gids, die de natuurlijke wet niet zal kunnen vinden: de menselijke natuur is immers verdorven. Moraliteit is niet afhankelijk van de persoonlijk gedachtes of intenties die iemand bij een actie heeft: het gaat om wat natuurlijk volgt uit de actie. Een andere bekende tijdgenoot is Baruch de Spinoza (1632–1677), volgens wie de mens zelfverwerkelijking moet zoeken in denken. Hij was van mening dat een mens geen uitzondering mag maken op de regel om niet te liegen, aangezien dit anderen ook tot wet zou geven om te bedriegen. Dit zou de wet om niet te bedriegen dus vernietigen [8].

Thomas Hobbes (1588–1679) was een empirist, denken over ethiek moet volgens hem voortkomen uit hoe de menselijke natuur is. Daarvoor geldt volgens hem ‘homo homini lupus’ (de mens is een wolf naar andere mensen). Het leven zonder een staat is daarom “solitary, poor, nasty, brutish and short”. Hij schrijft daarom in zijn boek Leviathan dat de staat een absolute heerser moet zijn, om de oorlog van iedereen tegen iedereen te voorkomen. Wat betreft de persoonlijke ethiek ziet hij het goede als dat wat goed is voor het individu (egoïsme). Een object van afkeer is kwaad, een object van verlangen is goed. Er is bij commentatoren geen eenduidigheid of dit volgens Hobbes ook de ideale situatie is, of slechts realiteit waar we ons bij neer moeten leggen.

John Locke (1632–1704) had een heel ander mensbeeld. Hij zag de mens als een tabula rasa, een onbeschreven blad. Goed en kwaad verbond hij met pijn en genot, maar moreel goed zijn alleen die genotsbrengers die in overeenstemming zijn met de eeuwige wet. Wetten zijn er in verschillende soort: de goddelijke wet (hierin staat zonde tegenover plicht), de burgerlijke wet (crimineel tegenover onschuldig) en de wet van de reputatie (deugd tegenover ondeugd).

De Verlichting bracht David Hume (1711–1776) voort. Hij was een empirist die openbaring of diepere oorzaken afwees. Hij zag ethiek als een sociaal construct. Een handeling is verplicht als het nalaten ervan wordt afgekeurd door onbevooroordeelde waarnemers. Lord Shaftesbury (Anthony Ashley Cooper, 1671–1713) meende dat het goede datgene is wat bijdraagt aan het bestaan en welzijn van het grotere geheel. Gevoel voor moraliteit (ethische intuïtie) is aanwezig door middel van sentiment. Hiermee is moraal dus empirisch te bepalen. Hiermee staat hij tegenover tijdgenoten die rationele ethische intuïtie aanhangen, waarbij het niet de sentimenten zijn die de intuïtie vormen, maar gedachtes. Voltaire (François-Marie Arouet, 1694–1778) kwam onder invloed van Shaftesbury ook uit op een hedonistische calculus, dat wil zeggen een ethiek waarin het maximaliseren van genot centraal staat. Ook had hij invloed op Jean-Jacques Rousseau (1712–1778). Die zag de mens van nature als goed, maar bedorven door cultuur. Moraal moet op basis van het geweten, dat rechtvaardigheid en moraliteit waardeert. Hij zag de leugen als een teken van beschaving, omdat het zaken bedekt en diplomatiek kan zijn.

Gottfried Wilhelm von Leibniz (1646–1716) zag de oorzaak van kwaad in wat hij het ‘metafysische kwaad’ noemde: eindigheid, of het niet-God zijn. Fysiek kwaad (lijden) en zedelijk kwaad (zonde) vloeien hieruit voort. De mens moet ernaar streven dit kwaad op de verwerkelijking van het goede te richten. Hij ziet drie graden van rechtvaardigheid: strikt recht (doe niemand pijn), billijkheid (geef ieder het zijne) en vroomheid (liefde voor anderen). Christian Wolff (1679–1754) werkte de ideeën van Leibniz verder uit. Waar veel verlichtingsdenkers empiristen waren, was Wolff een rationalist. De oorsprong van moraal was volgens hem niet te vinden in openbaring of Gods geboden. Ook moreel sentiment is geen goede bron van moraal. Om te weten wat het goede is om te doen, moeten we zoeken naar de hoogste perfectie van ons en anderen. Handelingen die ons naar deze perfectie leiden zijn goed, handelingen die hier niet aan bijdragen zijn slecht. [9]

De ethiek van Immanuel Kant

Immanuel Kant leefde van 1724 tot 1804. Vlak voor en in zijn tijd bloeiden de kampen van het empirisme en het rationalisme. Beide kampen gaven voor Kant echter geen bevredigend antwoord op vragen over wetenschap en hoe een mens tot kennis van de werkelijkheid kan komen. Desondanks voegde hij zich in eerste instantie in het rationalistische kamp. In 1781 nam hij daar weer afscheid van door het schrijven van zijn Kritiek van de zuivere rede (Kritik der reinen Vernunft). Niet lang daarna, in 1785, schrijft hij zijn Fundering voor de metafysica van de zeden. Zoals Kant in zijn filosofie zowel het empirische als het rationalistische kamp afschrijft, zo wijst hij de ethiek die in deze stromingen geschreven wordt ook af.

Kant’s Kritk der reinen Vernunft

In de kern van de zaak draait Kants ethiek om autonomie. De mens is een redelijk wezen, en bestaat daarom in de wereld van het verstand. De mens bestaat echter ook in de wereld van de zintuigen, de waarneembare wereld. De mens heeft een wil: hij kan keuzes maken in de verstandelijke wereld en daaraan gevolg geven in de zintuiglijke wereld. Dit noemt Kant ‘causaliteit’. Vrijheid van die wil betekent dat deze wil kan werken zonder bepaling van buitenaf. Het begrip causaliteit brengt wetten met zich mee: regels van oorzaak en gevolg. De vrijheid van de wil bestaat erin dat hij zichzelf tot wet kan zijn: autonomie. De tegenhanger van autonomie is heteronomie: de wetten worden door iets van buitenaf bepaald. Dit kan bijvoorbeeld gaan om zaken als gevoelens, waarnemingen of kennis van hoe de menselijke natuur in elkaar zit. De ethiek van Kant is volgens hem dan ook niet alleen voor mensen relevant, maar voor alle redelijke wezens: bijvoorbeeld God, intelligent buitenaards leven of een koe, indien dat een redelijk wezen zou blijken te zijn.

Autonomie betekent niet dat iemand onbeperkt elke keuze zou mogen maken. Het is juist een enorme uitdaging om volstrekt autonoom te handelen, aangezien de persoonlijke omstandigheden in de zintuiglijke wereld al snel een grote invloed hebben op iemands verstand. Kant heeft daarom een centrale stelling waarmee af te meten is of een keuze daadwerkelijk een autonome keuze is.

Hiervoor hebben we eerst een paar definities nodig. Volgens Kant handelen redelijke wezens door maximes. Een maxime is een subjectief principe van de wil om te handelen. Het is een regel die aangeeft welke handeling volgt op bepaalde omstandigheden. Bijvoorbeeld ‘wanneer ik honger heb, eet ik een boterham’, of ‘wanneer ik te weinig geld heb om voedsel te kopen, ga ik stelen’.

Er zijn ook objectieve principes van de wil. De formuleringen hiervan heten imperatieven. Een imperatief heeft altijd een dwingend karakter. Ze duiden een verhouding aan van een objectieve wet van de rede tot een wil die niet per se naar die wet handelt. Een voorbeeld van een imperatief is ‘wanneer iemand tandarts wil worden, moet hij studeren’, of: ‘lieg nooit’. Deze regels hebben een dwingend karakter. Enerzijds omdat ze objectief geldig zijn voor ieder redelijk wezen. Anderzijds omdat de wil er lang niet altijd aan voldoet, wanneer hij er niet toe verplicht is.

In het eerste voorbeeld is er sprake van een voorwaarde, hij geldt namelijk alleen voor mensen die tandarts willen worden. Dit soort imperatieven noemt Kant hypothetisch. Hij wil alle omstandigheden uit de moraal houden, dus volgens Kant zijn dit soort imperatieven ethisch neutraal. Voor de moraal is hij op zoek naar regels die altijd, onvoorwaardelijk en voor iedereen geldig zijn. Dit noemt hij het categorische imperatief. Kant noemt drie manieren om het categorische imperatief te bepalen:

Als eerste: handel alleen volgens die maxime, waardoor je tegelijkertijd kunt willen dat zij een algemene wet wordt. Een voorbeeld van deze test, is iemand die in geldnood verkeert. Stel dat hij besluit geld te lenen, terwijl hij weet dat hij het nooit terug zal kunnen betalen. Wanneer hij dit als algemene regel accepteert, zou iedereen die in nood verkeert beloftes doen met de opzet deze niet te houden. Hierdoor zou niemand deze beloftes nog geloven en is dit dus een zinloos maxime. Deze formulering van het categorische imperatief test dus de objectiviteit (de algemene geldigheid) van je maxime.

Een ander belangrijk aspect van moraal is volgens Kant dat alle redelijke wezens een doel op zichzelf zijn. Om hier rekening mee te houden in de categorische imperatief, gebruikt hij deze formulering: handel zo dat jij het menszijn, zowel in eigen persoon als in de persoon van ieder ander altijd tegelijk als doel, nooit louter als middel gebruikt. Een ander persoon mag wel als middel worden gebruikt, zolang hij ook als doel wordt gebruikt. Zo mag iemand een bakker gebruiken als middel om aan brood te komen, maar moet hij wel betalen voor dit brood. Ga dus altijd uit van de waardigheid van de mens.

Vanwege de algemene geldigheid van de categorische imperatief, moeten deze twee formuleringen overeenstemmen. Maximes moeten dus zowel algemeen geldig zijn, als redelijke wezens als doel beschouwen. Hieruit leidt Kant een derde principe af, namelijk de idee van de wil van elke redelijke wezen als een algemeen wetgevende wil. Wanneer de wil aan een morele wet wordt onderworpen, moet hij tegelijk beschouwd worden als de wetgever. Hiermee zijn we terug bij het begrip autonomie. Een autonome wil is dus wetgever aan zichzelf en alle andere redelijke wezens, en vice versa.

Omdat de mens zowel in de verstandelijke als de zintuiglijke wereld bestaat, zal de wil niet altijd in overeenstemming zijn met de categorische imperatief. De mens heeft last van neigingen, zoals bijvoorbeeld honger en angst. Toch moet de wil voldoen aan de categorische imperatief. Er is dus sprake van plicht. Kant gaat zelfs zo ver, dat hij geen morele waarde ziet in handelingen, behalve als ze vanuit plichtsbesef gebeuren. Niet-stelen heeft geen morele waarde wanneer iemand dit doet uit medelijden met het slachtoffer, of angst om gepakt te worden. Pas wanneer iemand de neiging heeft om te stelen, maar hier alleen van af ziet vanwege achting voor de plicht, heeft dit morele waarde.

Om de formuleringen van het categorische imperatief duidelijk te maken, gebruikt Kant steeds vier voorbeelden, die ook de verschillende onderdelen van de plicht beschrijven. Er is sprake van noodzakelijke tegenover verdienstelijke plicht en deze kan tegenover zichzelf of een ander zijn.

Immanuel Kant

Als voorbeeld van de noodzakelijke plicht tegenover zichzelf geeft Kant het niet mogen plegen van zelfmoord. De natuur kan nooit tot wet hebben zichzelf te vernietigen, terwijl die wet bedoeld is om het leven te bevorderen. Daarnaast gebruikt iemand bij zelfmoord zichzelf slechts als middel, en niet tegelijk als doel.

De noodzakelijke plicht tegenover een ander is bijvoorbeeld dat je nooit mag liegen of stelen. Dit voorbeeld is hierboven geïllustreerd.

De verdienstelijke plicht tegenover zichzelf houdt het gebod in tot zelfontplooiing. Als iemand talenten heeft, maar liever op de bank zit dan deze te ontwikkelen, is er een algemene wet denkbaar die deze keuze legitimeert. Een redelijk wezen kan echter nooit willen dat het een algemene wet wordt. Ook kan dit weliswaar overeenstemmen met de negatieve kant van zichzelf nooit slechts als middel te zien, maar wanneer hij zichzelf als doel ziet, zal hij in positieve zin dit doel willen ontwikkelen. Het verschil tussen noodzakelijk plicht en verdienstelijke plicht zit dus in de manier waarop een maxime afgekeurd wordt door de categorische imperatief.

De verdienstelijke plicht tegenover anderen illustreert Kant tenslotte met het helpen van iemand die in nood is. Hoewel er een algemene wet denkbaar is die inhoudt dat deze verplichting er niet is, zal een redelijk wezen deze nooit kunnen willen. Ook gaat het opnieuw niet samen met een positieve formulering van de ander als doel zien.

Omdat deze moraal volledig voortkomt uit autonomie, ziet Kant heteronomie van de wil als bron van alle onechte ethiek. De invloed van buitenaf die de autonomie bedreigt, deelt hij op in empirische en rationele invloed. De empirische principes zijn gebaseerd op geluk: men gaat af op fysieke gevoelens zoals genot zoals bijvoorbeeld Epicurus of op morele gevoelens zoals bijvoorbeeld Shaftesbury. De rationele principes zijn gebaseerd op een beeld van volmaaktheid: men hangt de ethiek op aan een ontologisch idee van perfectie zoals bijvoorbeeld Wolff, of aan een theologisch begrip van volmaaktheid, waarbij de ethiek wordt opgehangen aan Gods volmaaktheid. Kant besteedt overigens niet zoveel aandacht aan de ontkrachting van deze theorieën omdat dat zo makkelijk zou zijn ‘dat daardoor enkel overbodige arbeid zou plaatsvinden’.

Nabeschouwing

Het begrip ‘autonomie’ is nog steeds in gebruik, maar er is een groot verschil tussen de betekenis die eraan gegeven wordt en hoe Kant het bedoelde. Zeker, de kern van het begrip behelst dat de wil zonder invloed van buitenaf morele keuzes moet maken. Maar dat betekent dus ook: zonder de eigen gevoelens in ogenschouw te nemen. Het betekent dat iedere morele beslissing die je neemt, ook voor andere redelijke wezens de regel zou moeten zijn. Zo leidt autonomie tot een volkomen universele en objectieve ethiek, en blijft het altijd interessant om door te spreken over verschil in morele oordelen. Autonomie in de stijl van Kant betekent ook een opdracht om niet zelf te kiezen welke grond je kiest voor morele oordelen, want je bent pas vrij als die volledig op de ‘praktische rede’ gegrond is. En daarmee is de relativistische bijsmaak, die het woord ‘autonomie’ heeft gekregen, volledig aan de kant gezet.

Andere zaken die door veel mensen tegenwoordig zonder scrupules opzij gezet worden, zijn Kants overtuigingen dat er een God is en een onsterfelijke ziel. Deze zaken introduceert hij als aannames, omdat hij ze fundamenteel onbewijsbaar acht maar wel overtuigd is van hun waarheid. Moderne mensen laten zich graag overtuigen door het eerste, maar laten vervolgens het tweede na.

En hiermee zijn juist alle zaken verdwenen die het begrip ‘autonomie’ beschermden tegen de zelfgerichtheid van de mens.

Dat wil niet zeggen dat ik in Kants ideeën de ideale ethiek zie. Tijdens onze vergaderingen hebben we gemerkt hoe extreem het morele oordeel vaak wordt, wanneer de resultaten van een handeling niet meegenomen worden. Een gemis vind ik ook het gebrek aan een moreel oordeel over het karakter. Sterker nog, een daad uit liefde voor de naaste is volgens Kant geen morele handeling. Het is immers een handeling die je fundeert op je neigingen. Alleen wie met tegenzin, puur uit plichtsbesef, de handeling uitvoert, handelt moreel. Ongetwijfeld zal er veel goeds gebeuren als iedereen uit plichtsbesef de strenge toets van Kants ethiek probeert te doorstaan. En zou het heilzaam zijn als onderbuikgevoelens niet meer de boventoon voeren. Maar Kant, die de moraal ziet als einddoel van de rede, mist hiermee het uiteindelijke doel van moraal: een God welgevallig offer te zijn, want alles heeft in Hem zijn doel. [10]

Dit artikel is geschreven door T. Dubbink en verscheen eerder in het Kleintje VGST (34.7).

Bronnen:

[1] Fundering voor de metafysica van de zeden, I. Kant, vert. T. Mertens, Amsterdam 1997

[2] Beknopte geschiedenis van de wijsbegeerte, B. Delfgaauw en F. van Peperstraten, Kampen 1993

[3] Rechtvaardigheid, M. Sandel, Kampen 2010

[4] Filosofie voor de zwijnen, K. Rozemond, Diemen 2007

[5] https://www.britannica.com/topic/ethics-philosophy/The-history-of-Western-ethics

[6] 101 ethische dilemma’s, M. Cohen, Amersfoort 2003

[7] https://seop.illc.uva.nl/entries/ockham/#7

[8] Ethica, Baruch de Spinoza, deel 4 stelling LXXII

[9] https://plato.stanford.edu/

[10] Romeinen 12:1,36

)
Redactie der VGST

Written by

Redactie verenigingsorgaan @vgst: Kleintje VGST. Online publicatie van een selectie artikelen.

Welcome to a place where words matter. On Medium, smart voices and original ideas take center stage - with no ads in sight. Watch
Follow all the topics you care about, and we’ll deliver the best stories for you to your homepage and inbox. Explore
Get unlimited access to the best stories on Medium — and support writers while you’re at it. Just $5/month. Upgrade