Beste Heleen,

Mijn collega Heleen Booy en ik schrijven elkaar, net als de leerlingen, brieven over de inhoud van de filosofieles. Centraal staat het thema kennisleer. Dit is mijn reactie op de brief van Heleen die je hier kunt lezen.

Bedankt voor je mooie brief. Wat een goed voorbeeld van hoe tijdens een filosofieles opvattingen kunnen gaan schuiven. Je eindigde met een vraag, namelijk:

‘Is het probleem van het scepticisme een belangrijk probleem of een non-probleem?’

Dat is een terechte en goede vraag, voor onszelf als leraren en natuurlijk ook voor onze leerlingen. Nu heb ik geleerd dat een filosoof vaak het volgende doet, als hij een lastige vraag krijgt: hij stelt een wedervraag. Bijvoorbeeld ‘wat bedoel je precies met een probleem of non-probleem?’ Soms helpt dat ons verder, maar soms is het ook gewoon wat flauw en komt het voort uit het gegeven dat de respondent het antwoord zelf ook niet kent.

Om eerlijk te zijn ben ik er zelf nog niet over uit of ik het een probleem vind of niet (wat je trouwens ook als een sceptische positie zou kunnen betitelen). Ik zal hier daarom een andere strategie kiezen, namelijk door met de ogen van een andere filosoof naar het vraagstuk te kijken. In dit geval door samen met de filosoof David Hume naar jouw vraag te kijken.

David Hume (1711–1776)

Deze Schotse verlichtingsfilosoof staat bekend als een ‘sceptische empirist’. Herman de Regt en Hans Dooremalen hebben over hem een uitstekend stuk geschreven in ons tekstboek ‘Durf te Denken’, net als Tim de Mey in het eerste hoofdstuk van ‘Het voordeel van de twijfel’.

In de les zullen we een stuk van zijn beroemde tekst ‘Traktaat over de menselijke natuur’ lezen, uit 1738. Over het probleem van het scepticisme schrijft hij:

‘Welnu, als de zintuigen onze indrukken zouden weergeven als iets buiten ons en onafhankelijk van ons, dan moeten de objecten en wijzelf duidelijk blijken aan de zintuigen. Anderes zouden die ons niet met de objecten kunnen vergelijken. De moeilijkheid is dan in hoeverre wijzelf een object voor onze zintuigen zijn.
Het is zeker zo dat de meest duistere filosofische kwestie gaat over identiteit en de aard van het verenigende principe dat een individu uitmaakt. Het is er verre van dat onze zintuigen in staat zijn om deze kwestie te beslissen, en we moeten onze toevlucht zoeken tot de diepzinnigste metafysica om hiervoor een bevredigend antwoord te vinden.’

Uiteindelijk komt dat ‘bevredigende antwoord er niet echt. Ten minste, dat is mijn oordeel.

Hume zou jou denk ik namelijk antwoorden dat het scepticisme een filosofisch probleem is maar een psychologisch non-probleem. Wat Hume hiermee wil zeggen is dat de wijze waarop ons kenvermogen werkt er voor zorgt dat wij er vanuit gaan dat de wereld zich zo zal gedragen als wij tot nu toe hebben ervaren. Dit wordt ook wel aangeduid als het uniformiteitsprincipe of gewoontevorming. Psychologisch is dat noodzakelijk om te kunnen leven, filosofisch valt het echter niet te bewijzen. Bekijk dit filmpje met uitleg door onze collega Jasper Beckeringh maar eens.

De vraag blijft nu: is deze sceptische positie afdoende om het werkelijkheidsprobleem als ‘opgelost’ te beschouwen?

Ik heb de indruk dat Hume er zelf wel vrede mee had en dat hij zijn filosofische oordeel op heeft geschort. Zelf vind ik dat wat te makkelijk of onbevredigend. Herken je dat?

Met filosofische groet,

Simon