Beste Simon,

N.B. Mijn collega Heleen Booy en ik schrijven elkaar, net als de leerlingen, brieven over de inhoud van de filosofieles. Centraal staat het thema kennisleer. Dit is de reactie van Heleen op mijn eerste brief die je hier kunt lezen.

Dankjewel voor je brief! Het liefst reageer ik uitvoerig op elke zin die je schrijft, maar laat ik selectief zijn. Ik begin met René Gudes benadering van de twijfel van René Descartes, uit het filmpje waarmee je eindigde.

Ik zie inderdaad dat Gude op een heel praktische manier met de twijfel van Descartes omgaat. Gek genoeg kan ik het filmpje niet terugspoelen, dus wat hij precies zei weet ik niet meer, maar het was in de trant van ‘we kunnen de wereld zoals hij is niet veranderen, omdat die los staat van de geest. Maar de wereld zoals die ons toekomt is gevormd middels ons verstand, en daar hebben we wel invloed op.’Dan refereert hij nog aan mindfulness.

Ik vraag me meteen af: is dat echt de benadering van Descartes zelf of is dit een nieuwe — ook interessante maar niet oorspronkelijke — benadering? Ik dacht namelijk dat Descartes juist puur theoretisch te werk ging: omdat het scepticisme zo’n bedreiging was voor de wetenschap, moest daar maar zo gauw mogelijk een antwoord op komen, en wel op een wetenschappelijke, methodische manier. We moeten onze vooroordelen en verkeerde gewoontes loslaten. Waarom moet dat? Om tot juiste inzichten te komen. En niet omdat dat leidt tot prettig leven!

Sterker, hij noemt het twijfelen in de Meditaties juist heel moeizaam: ‘Ik val vanzelf weer terug in oude meningen en ik ben bang om wakker te worden, om mijn kalme rust te moeten inwisselen voor het moeizame werk van het opstaan, om aan de volgende dag te beginnen; en dat niet bij licht, maar in de onontwarbare duisternis van de eerder opgeroepen problemen.’ Met dat laatste doelt hij op de losse schroeven waarop al onze overtuigingen plots staan, of zelfs de afwezigheid van schroeven, waardoor ze allemaal vallen. Deze passage is te parafraseren als: ‘help!’.

Dat dat twijfelen ongemakkelijk is en alleen maar meer vragen oproept, dat heb ik wel gemerkt in mijn filosofielessen over kennisleer tot nu toe. We voerden een socratisch gesprek over de stelling: ‘ik weet zeker dat ik nu in de filosofieles zit’. Aan het begin van het gesprek waren er vijf leerlingen die het daarmee eens waren, en één scepticus.

De redenering van de vijf niet-sceptici kwam neer op: twijfelen heeft te grote consequenties (we kunnen nergens van op aan) en het wordt wel erg onpraktisch; we doen immers veel dingen vanuit ogenschijnlijke zekerheden. Ik kom mijn bed uit omdat ik zeker weet dat er een school is, en een klas die het eerste uur van mij les heeft. Twijfel aan dit soort dingen werkt verlammend. (Als ik dinsdag niet op school ben weet jij waarom, Simon.)

Toch bewoog het gesprek zich op zo’n manier dat er aan het einde van het gesprek (waarin mijn rol louter leidend was en dus niet participerend) vijf sceptici waren, en één leerling die het nog steeds zeker wist. Zijn argument was: ‘ik vertrouw mijn zintuigen’; ik voel nu en ik zie witte muren, ik hoor jullie, dus ik ben in het filosofielokaal. (Wat is voelen in het Latijn? En filosofielokaal? Senso ergo sum in locala philosophicae, zoiets.) Vervolgens was een leerling kritisch naar deze jongen die dit zeker wist: ‘Als je dit soort dingen niet betwijfelt, kun je dan wel een filosoof zijn? Zie je wel in dat we met een probleem te maken hebben?’

En dit is de vraag die ik nu aan jou wil stellen: is het probleem van het scepticisme een belangrijk probleem of een non-probleem? Er is niks aan de hand wanneer we hier nooit over nadenken, maar dat lijkt me niet de voorwaarde voor het niet-bestaan van een probleem. Misschien weten we bij voorbaat dat we nooit een stap verder zullen komen, maar ook dat lijkt mij geen voorwaarde voor het niet-bestaan van een probleem.

Dit linkt natuurlijk ook aan de vraag die jij stelt: waarom stellen we filosofische vragen? Zoals je zegt: enerzijds zijn filosofische vragen essentieel, anderzijds zijn het vragen die we ons hele leven kunnen negeren. Ik ben het daarmee eens, maar ik wil ook weten: waarom zou zo’n vraag belangrijk zijn? Worden we gelukkiger wanneer we dichterbij een antwoord komen? Is het puur het voeden van een onstilbare honger naar inzicht in hoe de dingen zijn? En waar komt die honger vandaan?

Enfin, ik eindig dus met deze vraag over het scepticisme: hebben we te maken met een belangrijk probleem, of met een non-probleem?

Filosofische groet!

Heleen