Op de koffie bij Open Data Gent

Diensthoofd data- en informatiemanagement Bart Rosseau veert spontaan recht wanneer hij zijn naam hoort. We hebben afgesproken in zijn kantoor op de tiende verdieping van het oude Belgacomgebouw. Op die hoogte heb je een prachtig, panoramisch uitzicht op de stad. Rosseau noemt het een inspirerend decor. Hij werkt al twintig jaar als ambtenaar en richt zich sinds een jaar of zeven op ‘open data’.

“Hoe ik met open data in aanraking ben gekomen? Eerst werkte ik aan de communicatiestrategie van de stad. In die periode stonden social media en digitale tools nog in hun kinderschoenen. Toch hadden we snel begrepen dat daar veel potentieel in zat. We besloten vervolgens om in te zetten op drie pijlers: social media, apps en open data. Later zijn die begrippen gegroepeerd onder de term ‘smart city’. Die keuze om een slimme stad te worden, sluit naadloos aan bij de aanpak van Gent: transparantie en samenwerken met de burgers. Met een handvol studenten hebben we dan eens geprobeerd om open data te publiceren. En vandaag, zeven jaar later, zijn we daar nog steeds mee bezig.”

Waarom is open data belangrijk?

“Het is een manier om eerlijk en transparant te communiceren. We delen letterlijk de basis van ons werk. Bovendien kunnen we data ook gebruiken om beslissingen met feiten te staven. Neem nu de hondenpoeptellijst. Waar de viervoeters geregistreerd zijn, bepaalt op welke locatie de hondentoiletten komen. Op basis van het aantal meldingen van hondenpoep op het trottoir, kunnen we zien of de voorzieningen gebruikt worden of niet. Die tastbaarheid van feiten vind ik erg belangrijk.”

Hoe wordt een dataset precies gemaakt?

“Er bestaan verschillende soorten data en elk type vraagt een aangepast proces. Onze informatie komt meestal van een andere dienst of organisatie. Als eerste stap controleren we daarom de betrouwbaarheid van de bron. Vervolgens bekijken we of er eventueel nog aanpassingen moeten gebeuren. Omdat we transparantie hoog in het vaandel dragen, beschrijven we de totstandkoming van een set ook gedetailleerd in de metadata.

Voor onze verzameling straatnamen hebben we bijvoorbeeld met verschillende collega’s overlegd. Wanneer mag een straat opgenomen worden in de lijst? Als ze gepland is, gebouwd is of pas wanneer ze een naam krijgt? Die drie momenten leveren uiteindelijk een andere reeks op. We kunnen dus stellen dat een dataset voor ongeveer 80% uit goede afspraken bestaat.”

Krijgt u soms tegenstand bij het maken van een dataset?

“Absoluut. Die weerstand vloeit meestal voort uit angst. Mensen zijn bang om afgerekend te worden voor het delen van privacygevoelige informatie of zelfs negatieve cijfers. Het lijkt mij nochtans beter om minder positieve data te duiden dan te verbergen. Dat is een andere discussie, maar tegenstand is er soms zeker en vast.”

Zijn ambtenaren voldoende op de hoogte van welke data opvraagbaar zijn?

“Nee, maar de regels zijn ook bijzonder complex. Als ambtenaren twijfelen, kiezen ze meestal voor een defensieve houding: ‘het is niet duidelijk of het mag, dus doen we het vooral niet’. Daarnaast weten ze soms gewoonweg niet waar ze specifieke data in het systeem kunnen vinden. Daarbovenop zit veel oudere informatie nog steeds opgesloten in onbruikbare formaten. Gelukkig is er op dat laatste vlak wel een stevige mentaliteitsverandering.”

Data zitten vaak verspreid bij verschillende organisaties. Is er nood aan een overkoepelend orgaan?

“Voor dat probleem bestaan al enkele oplossingen. In Finland gieten verschillende partners alle beschikbare informatie samen in een lijst. Daarna bepalen ze welke data complementair zijn of niet. Dat is geen gemakkelijke opdracht, want datasets kunnen soms ongelofelijk vuil zijn. Het is dus van cruciaal belang om met algemene standaarden te werken. In België passen we dat principe ook toe. De lokale verkeersinformatie wordt bijvoorbeeld op dezelfde manier gemeten om de resultaten later te vergelijken.

Zelf werken wij ook met linked open data, semantisch web en rdf. Dat zijn drie technische manieren om data van verschillende bronnen samen te voegen. Met internationale afspraken als basis is het makkelijker om sets later aan elkaar te toetsen.

In Gent staan we in ieder geval voor een gigantische uitdaging. We weten nog niet welke informatie er al dan niet voorhanden is. Onze jonge dienst werkt hard om de beschikbare data op te lijsten. Pas dan kunnen we bepalen of we onze sets in de toekomst anders moeten samenstellen of niet.”

Zijn data vandaag al toegankelijk genoeg? En hoe kan het beter?

“Het is niet omdat we open data publiceren, dat ze toegankelijk zijn. Integendeel. We slagen er als dienst in om data in bruikbare formaten aan te bieden, maar niet iedereen kan een XML-bestand ontcijferen. Als het gaat over het begrijpelijk maken van die informatie voor zij die de taal van data niet spreken, hebben we nog een lange weg te gaan. Persoonlijk denk ik dat journalistiek en storytelling die kloof al deels kunnen dichten.”

Waarom moeten journalisten met data aan de slag?

“In mijn ogen kunnen ze op die manier hun vak redden. Al begrijp ik best dat journalisten amper tijd hebben om datageletterdheid onder de knie te krijgen. Net daarom moeten we de handen in elkaar slaan. Misschien kunnen journalisten wel sneller aan de slag met een ander bestandsformaat? We moeten eigenlijk eens dringend rond de tafel gaan zitten om te bepalen hoe we elkaar kunnen helpen.”

Show your support

Clapping shows how much you appreciated Aaike Geusens’s story.