Waarom we een hoge prijs betalen voor gratis geld.

Het hoofdkwartier van de Europese Centrale Bank, in Frankfurt, aan de flanken van de Main.

We worden de laatste jaren om het hoofd geslagen met nieuwsberichten over het monetair beleid van centrale banken alsof het lot van de mensheid in hun handen ligt. We fronsen onze wenkbrauwen wanneer we banken de minimumgrens van 0,11% (!) rente op een spaarboekje in twijfel horen trekken en bedrijven zelfs negatieve rente op hun fondsen zien aanrekenen. Een explainer.

I’ll pay you back!!!

Het lijkt een bijzondere tegenstelling; na de ‘credit crunch’ crisis in 2007 probeerden grootbanken wereldwijd het hoofd boven water te houden door geld bij te drukken, in de sector ‘quantitative easing’ genoemd. Er is nu veel meer geld in omloop wereldwijd zonder noemenswaardige toename in inflatie en toch swingen de huizenprijzen de pan uit, hebben de financiële instellingen het nog steeds moeilijk en lijkt het alsof jonge mensen geen lening meer kunnen krijgen.

Dat komt omdat het oude verdienmodel van de banken onder druk staat. En dat is niet alleen maar ‘l’affaire de l’autre’: Hoe graag we bankiers ook zien als immorele graaiers die weinig toevoegen aan de samenleving, ze hebben wel degelijk een functie waar u en ik afhankelijk van zijn; het laten draaien van de economie. Dat zit zo: banken verdienen het meeste geld met leningen uit te schrijven op lange termijn. Daarvoor betaalt de consument immers het meeste rente. Met die opbrengsten kunnen banken leningen over kortere termijnen uitschrijven aan minder rente. Beiden zijn cruciaal voor… wel … ieder project waarvoor je de vereiste fondsen niet cash kan neertellen.

In de wereldwijde financiële sector zwaait het intra-bancaire lenen de scepter in de machtsstrijd tussen risico en conservatisme

Een voorbeeld: het gloednieuwe fitnesscentrum waar ik sinds enkele weken met veel plezier sta te zweten, opgericht door jonge dertigers, had er nooit kunnen komen zonder een lening van de bank. Dat klinkt evident: enkele honderdduizenden euro’s kunnen maar weinig mensen zo direct neerleggen. Maar toch: denk eens aan alle waardevolle onderzoeks-, bouw- of winkelprojecten die je pad kruisen op een dag. Zonder leningen hadden deze het vermoedelijk niet gehaald.

A Bitch called NINA

Voor een bank is het verschil in rente tussen de korte- en lange termijnlening cruciaal. Deze waarde wordt in het wereldje de yield genoemd. Hoe hoger deze yield curve, hoe beter. Maar alvorens een rentevoet te kunnen bepalen naar de consument toe, is het belangrijk om te weten tegen welke condities de grootbank dit geld heeft verkregen van de Europese Centrale Bank. En daar wringt het schoentje.

In de jaren voorafgaand aan 2008 maakten de grootbanken in de Verenigde Staten de vergissing om op een sluwe manier heel complexe hypothecaire leningen (bvb. NINA-loans) te verkopen aan kwetsbare mensen die geen snars van hun contract begrepen en al heel snel de maandelijkse aflossingen niet meer konden betalen. Maar in tegenstelling tot wat doorgaans wordt aangenomen was het niet dit tekort aan inkomsten dat uiteindelijk cataclysmisch zou blijken voor Wall Street… Wel een acute daling in het vertrouwen tussen de banken onderling.

Kijk, banken lenen elkaar voortdurend krankzinnig grote sommen geld. Banken zijn dus steeds zowel schuldeisers als schuldenaars. Maar in de wereldwijde financiële sector zwaait dit intra-bancaire lenen de scepter in de machtsstrijd tussen risico en conservatisme. Het is een bijzonder maar vooral psychologisch spel… En wanneer er door een totaal onvoorziene serie van gebeurtenissen (een zwarte zwaan, zou Nassim Nicholas Taleb zeggen) een einde komt aan de quasi-garantie van uitgeleende liquiditeiten, houden banken met een tijdelijk surplus de vinger op de knip en gaan banken met een in normale tijden volstrekt ongevaarlijk tekort kopje onder. Dit is wat in 2008 gebeurde met Lehman Brothers in de Verenigde staten. Het was de eerste echt zichtbare aanzet tot de crisis.

Het is best ironisch dat het beleid van de Centrale Banken, oorspronkelijk bedoeld om de sector te redden, nu stevig schudt aan de fundamenten van het verdienmodel van de instituties die het wou helpen.

Om te vermijden dat banken wereldwijd hun activa angstvallig voor zich zouden houden, verlaagde de Europese Centrale Bank in samenspraak met hun equivalent in de Verenigde Staten de rente tot nagenoeg nul om banken met een activa-probleem (denk wijlen Fortis-bank) de kans te geven zich uit de problemen te lenen aan bijzonder gunstige voorwaarden.

Strak plan, toch? Wel, wanneer de wereld voor uitdagingen staat zonder precedent is het wel vaker kiezen tussen de pest en de cholera, en ook bij dit plan bleken er meer addertjes onder het gras te zitten dan aanvankelijk begroot. Het is namelijk zo dat wanneer banken hun geld krijgen aan een bijzonder lage rente, het heel moeilijk wordt om de doorgerekende rente aan de consument te differentiëren tussen de eerdergenoemde leningen op korte- en die op lange termijn. Een natte droom voor een bank die alleen opereert in zijn sector, maar een ‘race to the bottom’ voor een gezelschap banken dat de concurrentie aangaat met elkaar in een vrije markt. De enige manier om de rente naar de consument toe hoog te houden, en dus inkomsten te genereren, zijn prijsafspraken. En die zijn bij wet verboden.

Barney and Chris… laying down the law

Niks dat een dure advocaat of beter nog een lobby niet kan fixen, hoor ik u denken… maar prijsafspraken in de financiële sector liggen gevoelig sinds 2012, toen het LIBOR-schandaal losbrak. The Financial Times onthulde toen een illegale afspraak tussen banken om de voorwaarden van intra-bancaire leningen kunstmatig vast te leggen. Angstvallig wordt nu eenzelfde scenario voor ‘customer intrest rates’ vermeden.

Het verdienmodel van banken staat dus onder druk, al is een lage rente van de grootbanken niet het enige obstakel naar een beter functionerende sector. Vroeger konden banken in moeilijke tijden nog terugvallen op de zekerheid van staatsobligaties, maar ook dat kussentje verdween samen met de beslissing van overheden om zich borg te stellen voor banken die door de vertrouwenscrisis in moeilijk vaarwater waren terechtgekomen.

Bovendien zijn grootbanken in de VS sinds enkele jaren onderhevig aan de Dodd-Frank act, een presidentieel besluit dat de banken verplicht veel meer geld dan voorheen in reserve te houden, om nieuwe doemscenario’s waarbij een veelvoud van de vaste activa ‘in kas’ aan andere banken uitgeleend staat te vermijden.

Als u nu denkt: “Heerlijk! Het verdiende loon voor de schuldigen van de crisis!”, dan geef ik u in eerste instantie groot gelijk. Maar bij nader inzicht blijken er ook heel wat nadelen voor ons aan dit monetair anachronisme vast te hangen. Denk maar aan uw spaarboekje, dat nu al een hele tijd nauwelijks nog geld opbrengt. De 5% van vroeger lijkt misschien niet indrukwekkend, maar dat zijn op het einde van een mensenleven duizenden euro’s. Verdiénde euro’s, dat zeker, want de bank maakte een veelvoud aan winst met dat geld.

Maar de kaarten zijn nu zodanig omgedraaid dat banken niet langer zitten te wachten op ons spaargeld. Meer nog, ze zitten verveeld met de miljarden cashoverschotten die ze maar deels kunnen omzetten in kredieten, want ze moeten nu een veel groter deel in kas houden dan vroeger (Dodd-Franck), mogen met de overschot niet langer de casinokapitalistische spelletjes van voorheen spelen (post-crisis FSA regulering) plus ze zijn zodanig panisch dat ze het deel dat uiteindelijk, na scrupuleus onderzoek, tóch uitgeleend wordt nooit gaan terugzien omdat ze op het einde van de rit terugvallen op de vruchten van een arbeidsmarkt die erg onder druk staat door een toenemende dependentie op week- en dagcontracten.

Het is dus best ironisch dat het beleid van de Centrale Banken, oorspronkelijk bedoeld om de sector te redden, nu stevig schudt aan de fundamenten van het verdienmodel van de instituties die het wou helpen.

Maar hoe verbeteren we die arbeidsmarkt? Juist, investeringen die leiden tot werkgelegenheid. En wat is daar voor nodig? Oei… investeringen.

Een langetermijnvisie is, zoals bij alle zaken in het leven, een mogelijke oplossing.

Door de lage rente van de Europese Centrale Bank concurreert de financiële sector niet alleen zichzelf kapot voor de kruimels van de markt, maar elimineert het ook een perspectief op nieuwe economische zuurstof voor ons allemaal. Niet alleen ondernemers, maar ook jonge gezinnen die een huis willen bouwen of kopen worden door een lage rente getroffen. Prijzen op de huizenmarkt schieten de hoogte in. Woningbouwcorporaties zijn immers slim genoeg om de prijs die jonge gezinnen uitsparen aan rente bij de aankoopprijs van de woning te tellen. Als de overheid dan ook nog eens weinig doordachte maatregelen neemt zoals bv. de hypotheekrenteaftrek, komen we in een situatie terecht waarbij de staat zowel rechtstreeks als onrechtstreeks een cash transfer uitvoert naar woningbouwcorporaties en de consumenten in de kou laat staan.

Notionele-interestaftrek to the rescue?

Wat dan te doen? Ondertussen is er al een hele tijd internationale consensus dat de rente terug omhoog moet, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De financiële pers verwijt Frankfurt vaak een gebrek aan ballen in hun onderdanige houding naar de markten. Maar iedere indicatie van een verhoging van de rente wordt met een zondvloed aan angstzweet onthaald op de beurzen wereldwijd; een nog moeizamere globale kredietverstrekking zou, vooral op korte termijn, bijzonder nefast zijn voor een heel aantal economische indicatoren. Geld lenen zou duurder worden en bedrijven zouden nieuwe investeringen en de aanwerving van nieuwe werknemers uitstellen. Er zouden alleen maar jobs verloren gaan en geen nieuwe vacatures bijkomen. De economie zou krimpen, samen met het BBP.

Een langetermijnvisie is, zoals bij alle zaken in het leven, een mogelijke oplossing. Een overgangsplan waarin er genoeg checks and balances zijn die ervoor zorgen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen in de transitieperiode, zodat we er uiteindelijk allemaal op vooruit gaan. Ik heb persoonlijk altijd bijzonder veel merites gezien in de notionele-interestaftrek-wet van de regering Verhofstadt in 2005; een mogelijkheid voor bedrijven om niet belast te worden op het deel van de winst dat ze opnieuw investeren in hun onderneming. Het was een legislatieve zet met veel goede bedoelingen, maar door een slechte implementering bleek de maatregel enkel voordelig voor diegenen die het niet nodig hadden.

Maar zou het geen idee zijn om op Europees niveau de lasten op arbeid te verlagen om zo op een effectieve manier de impact van een stijgende rente op de arbeidsmarkt te minimaliseren? Werknemers aanwerven wordt op die manier voordeliger voor bedrijven, wat de hogere kosten voor hun lening tegemoet komt. Voorts kan men op supranationaal niveau de nationale regeringen van Europa een quota van maatregelen opleggen waar er ‘tax breaks’ komen voor bedrijven die (hun winst her-)investeren in mensen en op die manier de economie op een inclusieve manier laten groeien.

Vooruitgang is tenslotte vooral wat je ermee doet.