De mens en zijn natuur: naar Aristoteles

In het eerste boek van zijn werk ‘Politica’ beschrijft Aristoteles de gemeenschap als een fenomeen dat in de natuur van de mens verweven zit: de mens is een groepsdier dat sociaal contact nodig heeft niet alleen uit zelfbehoud, maar om zich tot in haar volste potentie te kunnen ontwikkelen. Inherent aan deze gemeenschap is de natuurlijke verdeling van ‘heerser’ en ‘overheerste’. Binnen de volgens Aristoteles ‘goede’ staat zien we dit onderscheid aan de monarch, aristocraten of grondwet die zich in autoriteit onderscheiden van het overheerste volk, en zelfs binnen de familie — die Aristoteles als meest oorspronkelijke ‘gemeenschap’ beschouwde — is het te onderscheid vinden in de verhouding kind-ouder, heerser-slaaf en man-vrouw. Het zijn deze laatste twee verhoudingen waarop ik me in deze blog kort wil richten.

“It is clear […],” schreef hij in ‘Politica’, “that some of men are by nature free, and others slaves […]”: het al dan niet slaaf-zijn zou in de natuur van eenieder vervat zitten. Enerzijds blijkt uit deze opmerking het gemak waarmee slavernij destijds gerechtvaardigd werd, maar tegelijkertijd geeft het wel aan dat men ook toen geneigd was het te rechtvaardigen überhaupt. Om zijn ‘rechtvaardiging’ extra kracht bij te zetten gebruikte Aristoteles het onderscheid tussen lichaam en ziel:

“[…] if men differed from one another in the mere forms of their bodies as much as the statues of the Gods do from men, all would acknowledge that the inferior class should be slaves of the superior. And if this is true of the body, how much more just that a similar distinction should exist in the soul?”

Eerder al had Aristoteles namelijk betoogd dat de ziel noodzakelijk heerst over het minderwaardige lichaam. Wanneer we op grond van een helder verschil in lichaamsbouw slavernij konden rechtvaardigen, konden we dat op grond van een verschil in ‘zielensoort’ dus enkel meer.

Welnu: dat er zielen bestaan die als voornaamste potentie hebben om slaaf te zijn is natuurlijk een belachelijk idee, welke reden hebben we om aan te nemen dat de ziel in essentie ongelijkwaardig is? Toch is het een redelijke rechtvaardiging van slavernij op het moment dat je een dergelijke potentie daadwerkelijk aanneemt. Redelijker dan een verschil in lichaamsbouw, als jet het mij vraagt, en Aristoteles is het daarmee eens. Het is daarom ook extra opvallend dat deze immer heersende ziel bij het verschil tussen man en vrouw geen rol meer lijkt te spelen: op grond van biologische verschillen plaatste Aristoteles de zowel fysiek als mentaal sterkere man boven de zwakkere vrouw. Door te stellen dat binnen deze man-vrouwverhouding het lichaam plots wél boven de ziel stond zou hij zichzelf tegenspreken, en de enige manier om de gegeven hiërarchie toch te rechtvaardigen zou daarom zijn door te suggereren dat het lichaam van de man de mannenziel erin vertegenwoordigt. Eerder echter schreef Aristoteles dat de gecorrumpeerde natuur het lichaam dikwijls over de ziel liet heersen, was hij dit vergeten? Hoe wist Aristoteles ineens zo zeker dat een mannenlichaam ook daadwerkelijk een mannenziel bezat?

Óf ik mis iets binnen de filosofie van Aristoteles, óf hij is hierin inderdaad weinig consequent. Ikzelf hoop van harte op dit laatste — opdat hij zich omkeert in zijn graf. Mocht hij hier, meer waarschijnlijk, toch een verklaring voor hebben — dan beroep ik me maar weer op het geloof dat ieder ziel gelijkwaardig is. En aangezien deze ziel van nature overheerst, hebben we dan geen reden meer om aan te nemen dat wie dan ook om uiterlijke verschillen minder waard is. Toch, Aristoteles?