De mens, een politiek dier?
De staat komt, volgens Aristoteles, voort uit de noodzaak tot overleven en blijft bestaan omdat de mens van nature ‘het goede leven’ nastreeft. Al het handelen van van de mens is immers gericht op een doel. Dat doel is geluk, een doel op zichzelf. In boek 1 van de Politica stelt Aristoteles: “Hence it is evident that the state is a creation of nature, and that man by nature is a political animal. And he who by nature and not by mere accident is without a state is either a bad man or above humanity (…)”. De staat geniet als zodanig voorrang op het familieverband en het individu omdat het geheel belangrijk is dan het onderdeel. Slechts in gemeenschapsverband kan de mens tot volledige ontplooiing komen.
Maar is Aristoteles’ teleologische mensbeeld in de 21e eeuw nog gerechtvaardigd? Reeds in de 17e eeuw was Thomas Hobbes een van de eerste politiek denkers die radicaal brak met het Aristoteliaanse idee dat de mens van nature een politiek wezen is. Voor Hobbes blijft de rechtvaardiging van de gemeenschap hangen op de noodzaak tot overleven en bereikt het nooit Aristoteles’ tweede niveau, namelijk dat de staat blijft bestaan omdat deze het ware goede leven faciliteert. De mens is, volgens Hobbes, van nature veeleer geneigd tot zelfbehoud dan tot het bereiken van het hoogste geluk in gemeenschapsverband. De afspraak van de staat is een menselijk contract en geen doel op zichzelf dat van nature bestaat. In politieke denkstromen kunnen deze mensbeelden tegenover elkaar geplaatst worden in het communitarisme (Aristoteles) en het liberalisme (Hobbes).
Wellicht kan worden verdedigd dat de polis waar Aristoteles over sprak veel kleiner en minder complex was dan de huidige gemeenschappen waarin de mens leeft. Er was dan ook bijna geen sprake van een strijdigheid van belang tussen polis en burger. Vandaag de dag, en misschien ook al in de tijd van Hobbes, is dat anders. Als we bijvoorbeeld kijken naar de Verenigde Staten is het belang van de overheid veelal niet meer in overeenstemming met dat van de meeste burgers. De, volgens Aristoteles, irrationele accumulatie van geld als doel op zich is aan de orde van de dag. Burgers wantrouwen de overheid als gevolg en zien de gemeenschap veeleer als een noodzakelijk iets dat zich moet beperken tot de meest essentiële taken zoals veiligheid. Het standpunt van Aristoteles, dat de staat van nature voorrang geniet op het individu, lijkt dan moeilijk houdbaar.
Misschien kunnen mensen rationeel hun doelen en idealen aanpassen aan omstandigheden, is de menselijke ‘natuur’ in essentie vormbaar en maakt juist dit de mens als wezen zo succesvol. Eerst komt zelfbehoud en dus de rechten van het individu. Pas als aan die voorwaarden is voldaan geniet een eventuele ontplooiing als politiek wezen prioriteit. Aristoteles’ mensbeeld lijkt voorlopig utopie en zo staat in de 21e eeuw de mens misschien wel dichter bij ‘het beest’ dan Aristoteles ooit had kunnen denken.