De oorsprong van het kwaad volgens Augustinus

In ‘On the Free Choice of the Will’ probeert Augustinus, in dialoog met Evodius, de oorsprong van het kwaad te achterhalen. Want hoe is de aanwezigheid van het kwaad immers te verenigen met het bestaan van een almachtige, goede God? Of zoals Epicurus reeds opmerkte: “Is God willing to prevent evil, but not able? Then he is not omnipotent. Is he able, but not willing? Then he is malevolent. Is he both able and willing? Then whence cometh evil? Is he neither able nor willing? Then why call him God?”

Om deze puzzel op te lossen maakt Augustinus een opvallend onderscheid. Hij stelt: “We usually speak of “evil” in two ways, namely when someone has (a) done evil; (b) suffered something evil.” Als snel besluiten Augustinus en Evodius dat, als je gelooft in een goede God, deze geen kwaad zal doen. Hij zal echter wel mensen die kwaad doen bestraffen en zij zullen dit leed zeker ervaren als kwaad. Aangezien de wereld wordt geregeerd door goddelijke voorzienigheid besluiten ze dat God de oorsprong is van het kwaad van soort (b) maar niet van het soort (a).

Uiteindelijk zal Augustinus bepleiten dat mensen door hun vrije wil zelf de oorzaak zijn van het kwaad dat zij doen. Maar waarom heeft een almachtige en dus alwetende God de mens dan een vrije wil gegeven? Hij had dan toch kunnen voorzien dat kwaad zou ontstaan en is hij daarmee niet alsnog de auteur van het kwaad in de vorm van (a)? Augustinus biedt oplossing door de rede van de mens boven alles te stellen. Een mens heeft een wil die volledig onder controle is en de keuze voor rede of verlangen kan maken. Niemand valt deze keuze aan te rekenen behalve degene die de keuze maakt. Het is, denk ik, nog maar de vraag of deze oplossing uiteindelijk voldoet.

Maar ook al accepteert men deze verklaring lijkt het probleem van kwaad hardnekkiger. De bovengenoemde ogenschijnlijk heldere splitsing in de verschillende soorten kwaad en Gods bemoeienis daarin lijkt niet consistent. Natuurlijk zijn er de natuurrampen en ziektes die direct aan God zouden kunnen worden toegeschreven maar zelfs (of misschien vooral) in de tijd van Augustinus zou men al kunnen constateren dat het grootste kwaad dat door mensen wordt geleden veelal geschiedt door het toedoen van andere mensen. Aangezien God de auteur is van al het kwaad dat mensen lijden, zoals Augustinus in bovengenoemd citaat stelt, lijkt het onontkoombaar dat God dan ook de oorsprong zou moeten zijn van het soort kwaad dat mensen doen om deze mensen vervolgens te kunnen laten lijden. Dat lijkt toch lastig te combineren met een volledig vrije wil.

Like what you read? Give Rutger H. a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.