Wat is er allemaal aan de hand?

Op woensdag 4 januari 2017 gaf Ruud Koopmans, professor te Berlijn, een interview in het Algemeen Dagblad. Daarin stelde hij dat minstens 50 miljoen moslims wereldwijd bereid zijn om geweld te ‘accepteren’. In de kop van het artikel werd dat vervolgens: Is bereid om geweld te ‘gebruiken’. De discussie spitste zich vervolgens toe op de vraag of ‘geweld accepteren’ hetzelfde is als ‘geweld gebruiken’. Ook de onderbouwing van het aantal moslims dat daartoe bereid zou zijn riep vragen op.

Daarnaast bracht Ruud in het tweede deel van het interview wat ideeën naar voren als het ging om de aanpak van de problemen die samenhangen met de opvattingen van deze moslims. Verplichte inburgeringscursussen, het stellen van duidelijke eisen voor het verlenen van permanente verblijfsvergunningen en bij naturalisatie, en het handhaven van principes van de rechtsstaat. Zeg maar mainstream beleid in Nederland. Ook stelde hij dat het een politieke keuze is om de grenzen open te zetten. Dat zullen wij hier niet ontkennen!

Deze bijdrage is bedoeld als een kritische reflectie op het onderzoek en de uitspraken van Ruud Koopmans in het interview in het Algemeen Dagblad. Niets meer en niets minder.

Hoe zit dit soort onderzoek in elkaar?

De sociale werkelijkheid bestaat niet uit dingen die je kunt vastpakken. Geen koektrommel met daarin een zak speculaasjes die je op een weegschaal kunt leggen. Om in de werkelijkheid te kunnen meten, maken sociale wetenschappers gebruik van variabelen. Ruud Koopmans onderzoekt de relatie tussen de variabelen ‘fundamentalisme’ en ‘vijandigheid tegenover buitenstaanders’, en of verschillende religies hier verschillend op scoren. Beide variabelen zijn niet in de werkelijkheid waar te nemen, maar worden gemeten door tweemaal drie vragen te stellen.

Opvallend is dat deze vragen (met uitzondering van de vraag over homovriendschappen) aan het einde worden gesteld. Het zijn de laatste vragen van een vragenlijst die bestaat uit 151 vragen. Deze interviews duurden volgens Koopmans tussen de 15 en 25 minuten. Mag allemaal, kan allemaal. Als het je hierom te doen is, dan verdient wellicht het de aanbeveling om deze vragen eerder te stellen. Nu bestaat de kans dat deelnemers met hun antwoorden op deze laatste, voor het onderzoek essentiële, vragen vooral het beeld dat ze eerder hebben geschetst van zichzelf wensten te bevestigen.

In het onderzoek maakt Koopmans een vergelijking tussen christenen en moslims. De deelnemers moesten hun religie zelf rapporteren. Daarover bestaan enkele onduidelijkheden. Als iemand antwoordde dat hij/zij moslim is, kregen de telefonische enquêteurs expliciet de opdracht door te vragen: “If respondent replies ‘muslim’, ask which branch of Islam”. Dat geldt schijnbaar niet voor christenen. Als je als streng gereformeerde antwoordt dat je christen bent, wordt er dan niet doorgevraagd? Waar word je dan bij ingedeeld? Het gevaar bestaat dan dat conservatieve christenen in de groep met liberale christenen terechtkomen. De categorieën die Koopmans hanteert in de vragenlijst (‘protestanten’, ‘katholieken’, ‘jehovah’s’ en ‘christenen, overig’) lijken elkaar voorts niet zuiver uit te sluiten, hetgeen later mogelijk de resultaten vertroebelt als er onderscheid gemaakt wordt tussen katholieken en twee verschillende groepen protestanten (waar is de groep ‘christenen, overig’ dan gebleven?).

Fundamentalisme

Met drie vragen meet Koopmans ‘fundamentalisme’: het christendom/de islam moet terugkeren naar de roots, er is maar één interpretatie van de islam/het christendom mogelijk en die is bindend en religieuze wetten zijn belangrijker dan seculiere wetten.

Opnieuw: ‘fundamentalisme’ is geen koekje uit de trommel en dus had deze variabele ook op een andere manier gemeten kunnen worden. Het terugkeren naar de roots betekent binnen het christendom echt iets anders dan binnen de islam. Dat maakt het antwoord op deze vraag onvergelijkbaar. Voorts is binnen Europese landen, met Nederland voorop, al jaren een proces van secularisering aan de gang. Het is dus niet zo verrassend dat moslims veel hoger scoren op deze variabelen dan christenen.

Uit Koopmans’ resultaten blijkt trouwens dat er binnen de Europese groep christenen aanzienlijke verschillen bestaan in hun mate van fundamentalisme. Protestanten zijn gemiddeld genomen fundamentalistischer dan katholieken. In de VS is het verschil in fundamentalisme tussen christenen en moslims nog veel geringer. Hij schrijft daarover (p. 51): “Evidence from the USA, for instance, suggests that the difference between Muslims and Christians is much smaller there.” In Nederland zullen voor christenen die stemmen op de SGP de scores op fundamentalisme veel hoger liggen. Dat is misschien wel een kleinere groep. Het toont wel aan dat een groep met fundamentalistische waarden prima kan functioneren binnen een liberale seculiere democratie. Het is maar net wat je problematiseert.

Vijandigheid

Dan de afhankelijke variabele waar het onderzoek voor een groot deel om te doen is: outgroup-hostility. Opnieuw: vijandigheid is geen concept dat je kan vastpakken en waar je een thermometer in steekt. Je moet dus vragen stellen. Ruud Koopmans stelt er drie.

Allereerst een vraag over het hebben van vriendschappen met homoseksuelen. Erg fraai is het niet, maar geen vriendschap willen met homoseksuelen hoeft nog geen vijandigheid te betekenen richting homoseksuelen.

De tweede vraag stelt dat Joden niet kunnen worden vertrouwd. Als je deze vraag opneemt in een onderzoek waarin je christenen en moslims onderling vergelijkt, dan weet je op voorhand dat de verschillen enorm zullen zijn. Joden zijn geen belangrijke outgroup voor christenen (meer). Het was eerlijker geweest als de onderzoekers ook voor christenen een outgroup in het onderzoek hadden opgenomen. Moslims bijvoorbeeld!

Dan wordt aan moslims gevraagd: ‘Western countries are out to destroy Islam’. Aan christenen wordt gevraagd: ‘Muslims are to destroy western culture.’ Belangrijk is dat deze vraag niet wordt gesteld in een vacuüm. Al een jaar of 15 wordt er gesproken over een oorlog tussen Oost en West. West is in die oorlog de bovenliggende partij. Het Westen voerde en voert oorlogen in Afghanistan, het Midden-Oosten en het noorden van Afrika. Daarbij zijn ontelbare doden gevallen. Veel meer dan alle terroristische aanslagen in het ‘Westen’ bij elkaar. De ene partij is in de verdrukking, de andere niet. Tegen de achtergrond van de ‘war on terror’ zijn deze twee ‘vernietigingsvragen’ dus niet vergelijkbaar voor christenen en moslims. De uitkomsten zullen dat dus ook niet zijn.

Een andere vraag is wat er nu eigenlijk met ‘outgroup-hostility’ wordt bedoeld en of de vragen daarover wel meten wat ze beogen te meten. Koopmans definieert deze variabele (p. 41) als: “The degree to which the other group is seen as a hostile threat to the own group.” Maar volgen de gestelde vragen wel zijn eigen definitie? De vriendschappen met homoseksuelen bijvoorbeeld (een vraag die overigens niet aan het eind, maar op een andere plek in de vragenlijst staat). Als je geen homoseksuelen in je vriendengroep wilt, gaat dit over je eigen ‘vijandigheid’ jegens homoseksuelen. Als je vervolgens de vraag gesteld wordt of je denkt dat Westerse landen erop uit zijn de Islam te vernietigen, gaat het over de vijandigheid van de ander. En wat te denken van de stelling: Joden kunnen niet worden vertrouwd. Over wiens vijandigheid gaat het hier? Die van joden of jezelf? Ergo: wat wordt er hier nu wel of niet gemeten? Je eigen vijandigheid of de vijandigheid van de ander? Zijn deze drie vragen wel onder één concept te vangen?*

Tot slot blijkt uit de analyse van Koopmans dat (als je ervoor kiest fundamentalisme en outgroup-hostility te meten zoals hij ze meet), moslims gemiddeld genomen inderdaad hoger scoren op beide variabelen. Maar, hetzelfde geldt, zij het in mindere mate, ook voor protestanten. Bedenk ook hier weer dat we over de Europese context spreken. Stel dezelfde vragen in de VS en de verschillen zullen nog kleiner zijn.

Het interview

Koopmans meet ‘outgroup-hostility’ en dus niet de bereidheid om wapens op te pakken of dat te accepteren. Voor alle duidelijkheid nogmaals: zijn eigen onderzoek uit 2015 gaat dus helemaal niet over de bereidheid van moslims om geweld te plegen, maar alleen over de relatie tussen fundamentalisme en vijandigheid tegenover buitenstaanders, en of verschillende religies hier verschillend op scoren.

Zijn claim dat wereldwijd 50 miljoen moslims bereid zijn geweld te accepteren of te gebruiken, wordt dus niet door zijn eigen onderzoek ondersteund. In de krant legt Koopmans dus een relatie die in elk geval niet op basis van zijn eigen onderzoek is te rechtvaardigen. In het krantenartikel noemt hij verder geen andere onderzoeken bij naam. Andere onderzoekers uit Nederland en Denemarken zijn veel voorzichtiger in het interpreteren van hun eigen onderzoeksresultaten. Deze onderzoekers leggen geen directe causale relatie tussen de uitkomsten van hun onderzoek en het accepteren of gebruiken van geweld door moslims. Daarnaast komen deze onderzoekers ook niet uit op dergelijke grote aantallen moslims die het gebruik van geweld zouden accepteren of gebruiken.

Het voornaamste probleem met het interview in het AD is dat hij daar allerlei onderzoeken op tendentieuze manier door elkaar husselt. Als het ene (zie) onderzoek zegt dat bv. 8% van de Amerikaanse moslims geweld soms ‘gerechtvaardigd acht’ ter verdediging van de islam tegen vijanden en een ander onderzoek (met een andere methodologie!) zegt dat 11% van de Nederlandse moslims vindt dat hun religie ‘in sommige situaties’ toestaat geweld te ‘plegen’, dan kun je daaruit natuurlijk niet afleiden dat 8–10% van de moslims wereldwijd ‘bereid is geweld te plegen of het accepteert’. En dat je ‘dan weet waar die zelfmoordenaars vandaan komen’. Dat is goochelen met cijfers en heeft niks met wetenschap te maken. Daarnaast is het contraproductief dat Koopmans alle kritiek op zijn werk wegzet als extreem-linkse propaganda, terwijl ook tegen de methodologie en uitvoering van zijn eigen onderzoek (bv. de vraagstellingen en ook de hoge non-respons) natuurlijk wetenschappelijke kritiek ingebracht kan worden.

Kortom, Koopmans stelt zich in het interview op als bezorgde burger, niet als wetenschapper. Maar hij gebruikt wel zijn wetenschappelijke prestige om ongefundeerde en slordige uitspraken over miljoenen medemensen aan de AD-lezer te verkopen.

Opvallend is tot slot dat Koopmans in zijn wetenschappelijke werk voorzichtiger is. In de conclusie van zijn onderzoek (p. 53) schrijft hij: “Hostile attitudes towards other groups should not be equated with the willingness to employ physical violence. But the combination of a fundamentalist belief in the absolute truth and righteousness of the own cause, hostility and mistrust towards other groups, and a sense of threat based in the belief that others are out to destroy one’s own group may motivate a minority to act upon such beliefs.” En: “Obviously, even from such hypothetical statements it is still a long way to actual violence.” Inderdaad, Koopmans kan hier geen uitspraken over doen omdat hij dit niet heeft onderzocht.

Het wordt nog gekker (p. 51): “It would be foolish to interpret these findings as evidence of a fundamental and immutable difference between (liberal) Christianity and (fundamentalist) Islam. First of all, even in this study, some Christians display consistent fundamentalist worldviews. Second, many Muslim immigrants — most Alevites as well as a substantial number of Sunnites — do not subscribe to such views. Third, these results do not necessarily generalise to other parts of the world, both because Europe’s Muslim populations were disproportionately recruited from conservative rural regions in the countries of origin, and because European Christians tend to be less religious and socially conservative than those in other parts of the world.” Al deze nuances zijn in het interview met Wierd Duk verloren gegaan.

De zogenaamde ‘feiten’ die uit het interview en dit onderzoek naar voren komen, moeten wat ons betreft in een kritisch en genuanceerd perspectief worden geplaatst. Alleen dát helpt de discussie verder.

Willem Sonneveld en Joost Jansen

  • Vaak gaat er een factoranalyse vooraf aan de constructie van een schaal. Bij een factoranalyse meet je of er één factor ten grondslag ligt aan de drie vragen die betrekking hebben op outgroup-hostility. Deze analyse lijkt in het onderzoek te ontbreken.

@StefanPaas entameerde op Twitter een discussie over het wetenschappelijke werk van Ruud Koopmans. Wij zijn hem dank verschuldigd op het punt van het husselen van de data en het wegzetten van de kritiek als extreem linkse propaganda.