Astells ‘is/ought’ probleem

In deze blog zal ik betogen dat Mary Astell in haar ‘A Serious Proposal To The Ladies …’ te maken heeft met, en voorbijgaat aan, het ‘is/ought probleem’. Dit bekende filosofische probleem, opgeworpen door David Hume, attendeert ons op de schijnbare onmogelijkheid om uit een beschrijving naar een norm te redeneren, oftewel van descriptief naar prescriptief. Eerst zal ik kort betogen dat Astell dit wel doet, en vervolgens zal ik een paar verdedigingen weerleggen. Tenslotte zal ik concluderen dat het lastig is om Astells positie te verdedigen zonder dit probleem meer aandacht te geven.

Mary Astell beschrijft in A Serious Proposal de toestand van de vrouwen in haar tijd. Ze observeert hoe vrouwen hun rationele kant minder ontwikkelen dan mannen, hoe de nadruk bij vrouwen ligt op lichamelijke -en dus vergankelijke- eigenschappen en hoe zo een groot deel van de mensen tekort wordt gedaan. Ze onderzoekt of dit een natuurlijk danwel een sociaal/cultureel proces is. Op basis van een metafysisch argument, voortkomend uit Descartes’ dualisme, concludeert ze dat het niet natuurlijk is — en daardoor sociaal.

Merk op dat dit alles een beschrijving is van de status quo. Hier concludeert Astell echter dat dit alles ‘verkeerd’ is, en stelt ze een experiment voor waarin vrouwen worden opgeleid om te kijken of de ongelijkheid mogelijk toch een natuurlijke oorzaak heeft indien het geval blijkt dat vrouwen slechter kunnen leren. Is dit echter niet het geval, zal de samenleving moeten veranderen, lijkt sterk naar voren te komen uit haar tekst.

Hier introduceert Astell een norm. Deze prescriptieve stelling komt voort uit louter observaties van de realiteit. Zelfs het experiment dat ze voorstelt zal in het meest gunstige geval de uitkomst opleveren dat vrouwen in het geheel niet slechter kunnen leren dan mannen — wat, met andere woorden, slechts een volgende descriptie toevoegt aan de reeks die we al hadden. Hoe ze vanuit een beschrijving van wat is naar wat zou moeten zijn komt, blijft onduidelijk.

Een verdediger van Astell zou kunnen zeggen dat de status quo ook voortkomt uit een dergelijk retorisch probleem: de stelling ‘vrouwen mogen niet leren omdat ze daar van nature minder goed in zijn dan mannen’ is een naturalistic fallacy. Dat rechtvaardigt echter nog niet dat Astell daaraan voorbijgaat in haar eigen argumentatie.

Een ander tegenargument zou kunnen zijn dat Astell slechts het argument van het Patriarchaat (zie alinea hierboven) weerlegt met een empirisch toetsbaar experiment, en zo het fundament onder hun stelling vernietigt. Deze verdediging van het negatieve argument zou een goede zijn, ware het niet dat Astell oproept tot een verandering van de norm, en niet slechts een toetsing van de argumentatie van de oppositie. Ook deze verdediging blijkt zo onvoldoende.

Hoe natuurlijk en rechtvaardig de claims van Astell voor ons nu ook lijken, haar tekst gaat voorbij aan de onderbouwing ervan. Zelfs haar eigen metafysische argument stokt bij de vaststelling dat elk mens een denkend ding is, in wezen rationeel. De norm die daarna volgt -iedereen moet gelijke kans op ontplooiing van deze rationaliteit krijgen- komt voort uit een descriptie. Zo blijven er weinig argumenten en verdedigingen over om Astells positie zonder meer te verdedigen.