Borg bevrijd bij foutief handelen van bank

De borg is volgens art. 2037 B.W. ontslagen wanneer hij door toedoen van de schuldeiser niet meer in de rechten, hypotheken en voorrechten van zijn schuldeiser kan treden. De wetgever heeft hiermee een bescherming willen inbouwen voor wie zich voor een derde verbindt. De begunstigde van de borg moet zich gedragen als een normaal zorgvuldig persoon op straffe van bevrijding van de borg.

De rechtspraak past deze toetsing bij kredietverstrekking als volgt toe ten gunste van de borg.

De bankier die lange tijd na het faillissement van de hoofdschuldenaar conventionele intrest vordert van de borg die duidelijk de wettelijke rentevoet overstijgt handelt niet als een normaal zorgvuldig persoon. Dit vormt rechtsmisbruik.

De bankier kan aansprakelijk gesteld worden indien een krediet wordt toegekend waarvan hij redelijkerwijze diende te weten dat de hoofdschuldenaar niet over voldoende terugbetalingscapaciteit beschikte, zelfs indien middels de borg hij over voldoende garanties beschikte.

De bankier moet geen onderzoek doen naar de financiële situatie van de borg. Het stilzitten van de bank om zich te wenden tot de borg waardoor de schuld aan intrest abnormaal wordt verhoogd maakt wel een fout uit die wordt gesanctioneerd met de opschorting van interest.

De bankier schiet tekort aan zijn informatieplicht tegenover de borg wanneer hij redelijkerwijze wist dat de kredietnemer niet aan zijn terugbetalingsverplichting zou kunnen voldoen en de borg niet zelf over deze informatie beschikte. De toestemming van de borg is dan aangetast door dwaling.

Like what you read? Give Youri Steverlynck a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.