Een korte geschiedenis van de opstand zoals opgetekend door een kraanvogel

“De opstand die in ons hart plaatsvindt is niet de opstand die woedt op straat, maar we willen zo graag,” zei de man. De opstand wordt gevreesd. De opstand wordt opgezocht. Tot hier en niet verder. En verder. Er was een man die een opstand ontketende, er was een man die aan de opstand een einde maakte. Ze waren een en dezelfde man. Vanuit het niets komt de opstand, vanuit het niets. In luttele uren vond de opstand plaats. De piloot weigerde op te stijgen. Het kamermeisje weigerde de ogen neer te slaan. De student weigerde zijn opdracht in te leveren. De bocht verdween uit het zicht. De opstand maakte aan alle ongeluk een einde waarna het geluk alles vergalde. Schrijvers die zich waagden aan een huzarenstukje werden op de vingers getikt om het restauratiewerk dat ze meenden te verrichten. Ze deden het niets voor niets. Voor niets voor niets. Voor mijn ogen op een vrijdagavond achter een scherm gezeten kwam het bericht binnen dat de piloot had geweigerd op te stijgen. De piloot kwam in opstand, draaide zich om naar zijne hoogheid en zei dat het hem niks aanging, de zaken van de president, en toch was hij niet van plan op te stijgen. Haastig maakten ze zich uit de voeten. De opstand werkt wanneer hij onbeweeglijk blijft zitten. Ze zeggen dat hier geen opstand wortel schieten kan omdat de omstandigheden er niet naar zijn. Ik zag een opstand waar nog nooit een opstand was geweest. In een wolk van traangas gaven de gezichten geen krimp en toch krompen ze. De opstand verteert, bemint, verteert, bemint en geeft en deelt opdrachten uit. Jij doet dit, en jij doet dat, jij staat daar, en jij staat hier, jij bent deze en jij bent die. En voor wie de opstand geen positie heeft, hem rest niks anders dan zich tevreden te stellen met die ondankbare rol van figurant, van toeschouwer. Het zij zo. In die figurantenrol kan men uitgroeien tot chroniquer van de opstand zonder enig aandeel aan te hebben gehad, het beste werk wordt in stilte verricht, de opstand gedijt bij reuring, de nacht gedijt bij sterren, onder wiens bezielende blik wordt geschreven aan een afrekening van de Opstand. Zij die de opstand aanvoerden groeiden uit tot vijfde wiel aan het wagen, zij die de opstand vorm gaven zakten weg in hun eigen geklieder, zij die de opstand gebruikten als springplank naar een verlossende droom, stierven aan een kruis gemaakt van sate-stokjes. De opstand duurt zolang de muziek speelt maar waar zijn de goede muzikanten gebleven? Achteraan de opstand staan allang niet meer de vrouwen en de kinderen, zij hebben zich naar voren gewurmd en eisen op hoge toon niet hun rechten en hun plichten, eisen op hoge toon dat de voorste rijen voor de komende generaties leeg blijven. De beloning van privileges maakt de opstand vitaal, lenig en hard als een fitte atleet, klaar om de strijd met de fotofinish aan te gaan. De opstand kent tijd noch duur, begint midden in de nacht om halverwege het middag uur in de palm van een arbeidershand klaar te komen. Opstand. Uit deze beklonken vrijblijvendheid smeedt de opstand een plan waarin alles op alles wordt gezet om bij de toekomstige idealen te komen, naderbij te komen totdat alles zo goed is vastgeschroefd dat bij het minste of geringste de aderen in de nek beginnen te bloeden. Ja, zo is het goed. De opstand kwam op duivenpootjes koerend over een boom die eeuwig leven heeft, een groentemengseltje waarin alles naar zon smaakt – laat het niet te lang staan, dan wordt het hard en ongenietbaar. De opstand kende zijn schrijvers en zijn schilders en zijn muzikanten en zij die niet wisten wat ze over de opstand moesten zeggen, niet verder kwamen dan heel voorzichtig, soms een tikkeltje ontmoedigend de afstand tot de Opstand meten, zij werden de Opmeters van de Opstand, zij werden later schrijvers en schilders en muzikanten genoemd die het goed hadden gezien. Het schaamrood komt ons op de kaken. De opstand trilt ondergronds als een metro die niet van z’n plaats komt, bij elk pogen terugvalt in het station. Kan wel vervelend en negatief gaan doen over de Opstand, alsof de opstand daar wat aan heeft, de woorden rijgen zich als kuchjes aaneen totdat er een langgerekte kuch is dwars door de opstand heen, alsof de opstand daar wat aan heeft. De opstand van vandaag is de opstand van gisteren, de opstand van gisteren is voorbij houdbaarheidsdatum, gooi ‘m weg. Wat we op de staart trappen is geen gebrek aan een opstand, maar een teveel aan mensen. Op het plein loopt het leeg, vuurwerk sist nog wat na, boven in de daken kijken de wasvrouwtjes op de leegte van de opwinding neer, zij rijgen de was aan een lijn en vergeten aan hun man te vragen waar het precies allemaal om ging. De opwinding valt uit elkaar, als een krant die loslaat in de wind, de voorpagina vliegt de sloot in, de economie de laan uit en de cultuur daarvan weet niemand waar het naartoe ging. In voortdurende staat van ontbinding gedijt de opstand het best, over zichzelf heen vallend tot het punt gekomen waar niks te vallen valt, dan houdt het denken en het zuchten op, beginnen de dromen week en blauwig te worden, staat het zingen ons nader dan het schrijen, dan doen de polsen pijn en voelen we ons als mislukte saus. Dat is mijn Opstand, romig en babbelend, onverdroten in bezit van een blinde vlek zo groot als optimisme. Elke dag wordt de opstand wakker en prikt zichzelf blind, als de chirurg meldt dat de operatie toch weer geslaagd is, lacht hij, gaat naar bed om wakker te worden en zich blind te prikken. De opstand wil niet zien, wil alleen maar voelen, wil niet eten, alleen maar kotsen, wil niet horen, maar een langgerekt melodieus nee zijn. Zo’n Opstand, daar kan je me voor wakker maken.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.