Ochtendhumeur

Zal ik eens over depressie schrijven, bedacht hij op de vroege ochtend van Hemelvaartsdag 2017. Niet omdat zijn voetbalclub AJAX de avond ervoor de Europa-League-finale had verloren van Manchester United. Hij was en bleef trots op zijn club.

Ook niet omdat vele honderden toeschouwers deze week (verlekkerd) hadden staan toekijken hoe twee jonge homoseksuele mannen werden afgeranseld op een schavot voor een Indonesische moskee. Een publieke Sharia-vernedering, 85 stokslagen. Vanwege het voorarrest waren per persoon twee stokslagen in mindering gebracht.

De dag erna had een dolende moslim in Manchester een bloedbad aangericht onder tienermeisjes die een popconcert bijwoonden. Tweeëntwintig doden, tientallen gewonden.

Onderwerpen genoeg om over te schrijven, redenen te over om depressief te zijn, meende hij, neem nou de liquidatie van het Groot Dictee der Nederlandse Taal.

*

Zijn stemming was er niet op vooruitgegaan. Integendeel, zij viel nog het best te beschrijven als naar depressie neigende melancholie. Zijn gevoel van houvast was hij de afgelopen dagen geleidelijk kwijtgeraakt. Het bezoek aan zijn hoogbejaarde moeder had hem weliswaar opgebeurd, maar toen hij op de terugweg in Solomons Demonen van de Middag had zitten lezen, overviel hem weer de milde vertwijfeling die hem de laatste tijd weer vaker parten speelde.

We zien ouderdom als deprimerend, las hij. Omdat wij het daarom logisch vinden dat oude mensen zich beroerd voelen, hebben wij maar weinig oog voor hun eenzaamheid en andere misère. Traditionele zorgstructuren zijn uit onze samenleving weggevallen, of liever, ontmanteld. We hebben onze bejaarden het gevoel ontnomen dat ze nog van enig nut zijn, dat hun rol in ons leven nog betekenisvol is. Zo drijven we hen zachtjes richting de dood. Veel mensen brengen de laatste jaren van hun leven hierdoor in nodeloze pijn door, aldus Andrew Solomon.

Nodeloos. Inderdaad, dacht hij, een nodeloos ontbreken van empathie en compassie, daar lijden wij aan — de pijnlijke bijwerking van onze zelfzucht.

*

(Mentale notitie: of je nu in de derde, de tweede of de eerste persoon enkelvoud schrijft, op het platte platform dat Facebook heet zullen je woorden altijd gelezen worden als persoonlijke bekentenissen. Facebook-paradox: fictie is misplaatst.)

Hij noteert: om drie uur wakker geworden. Niet meer kunnen slapen. De dageraad verliep grillig: eerst werd het gewoon licht, toen kleurde de lucht goudoranje. Tegen halfzeven viel een onheilspellende duisternis over de stad; er kwamen zware onweerswolken uit het westen aanrollen. Om kwart voor zeven begon het in de verte wat te rommelen. Daarna een paar ferme donderslagen, een korte, fikse bui en dat was het weer. Code geel vond hij wel wat overdreven. Toch deed deze onverwachte onstuimigheid hem wel denken aan de recente fratsen van zijn gemoed.

*

Helemaal als grap was het niet bedoeld trouwens, die vermelding van het Groot Dictee der Nederlandse taal. Hij herinnerde zich de eerste uitzending ervan, toen hij had meegedaan vanuit een ziekenhuisbed in het AMC. Het had hem enorm opgebeurd toen hij het dictee nagenoeg foutloos gemaakt had. Later was het hem tot tweemaal toe gelukt het Dictee zelfs helemaal zonder fouten te maken.

Jaar in jaar uit vond hij het weer jammer dat hij niet werd uitgenodigd naar Den Haag, om in het gebouw der Eerste Kamer mogelijk (zo niet waarschijnlijk) een keer te winnen maar in elk geval die begeerde pennenset in ontvangst te nemen, waar het hem eigenlijk al die jaren om te doen was geweest.

Eén keer had hij zijn notitieblok en pen woedend door de kamer gesmeten, luid gevloekt en de televisie uitgezet. Hij haatte Kees van Kooten, die een sadist was met zijn holle ‘Een przewalskipaardenmiddel’. Met enig genoegen maar nog meer razernij had hij de volgende dag vastgesteld dat er fouten in de tekst zélf hadden gezeten. Vroeger zou hij er een opgewonden boze brief aan hebben gewijd, nu had hij het laten gaan.

Hij schepte er eer in om foutloze teksten te schrijven en andermans teksten tot perfectie te redigeren en corrigeren. Toen het Dictee ter ziele ging, leek het of hij een van de weinige solide pijlers van zijn gevoel van eigenwaarde was kwijtgeraakt.

*

Kleine tegenslagen kunnen hem al uit zijn evenwicht brengen. Ook het weer heeft al zolang hij weet een grote invloed op zijn innerlijk. Gelukkig schijnt deze zomer tot dusver vaak de zon. Dit betekent overigens niet dat zijn stemming niet aan schommelingen onderhevig is. Zo heeft de afgelopen week meerdere dagen gekend dat het huilen hem zonder aanwijsbare oorzaak nader stond dan het lachen. Er is maar weinig waar hij van geniet of voldoening uit put en hij is snel uit het lood geslagen.

Hij kent dit goed, maar begrijpt het niet. Hij weet: het is nu vooral zaak om kalm te blijven. Rust en regelmaat zijn geboden. Verlangen en afkeer uit de weg gaan, noteert hij. Eerlijk zijn. Geen sabotage toestaan. Probeer wat te lezen. Ga wandelen. Kook een lekker en gezond gerecht. Of probeer eens te huilen, wie weet biedt het soelaas.

De zon schijnt, ga fijn naar buiten! Fijn? schampert en sputtert het brein tegen, maar dat moet hij negeren, niet naar luisteren, in beweging blijven, alles komt en verdwijnt weer, alles verandert, alles is vluchtig en vergankelijk.

*

Nergens heeft hij die dag vertroosting kunnen vinden. Hij voelde zich steeds benauwder en buitengesloten. Voor het slapengaan las hij nog een van zijn lievelingsgedichten, “Alone” van Edgar Allan Poe.

From childhood’s hour I have not been

As others were — I have not seen

As others saw — I could not bring

My passions from a common spring —

From the same source I have not taken

My sorrow — I could not awaken

My heart to joy at the same tone —

And all I lov’d — I lov’d alone —

Then — in my childhood — in the dawn

Of a most stormy life — was drawn

From ev’ry depth of good and ill

The mystery which binds me still —

From the torrent, or the fountain —

From the red cliff of the mountain —

From the sun that ’round me roll’d

In its autumn tint of gold —

From the lightning in the sky

As it pass’d me flying by —

From the thunder, and the storm —

And the cloud that took the form

(When the rest of Heaven was blue)

Of a demon in my view —

Hierna was hij wat gekalmeerd. Terwijl Poe’s wolk, begeleid door donder en bliksem, de vorm aannam van een boze geest, schoten hem de woorden te binnen van zijn Vipassana-leraar: ‘Iedereen moet zijn eigen demonen bevechten, ik ook.’

Dat laatste had hem verrast maar tevens gerustgesteld. Nu zijn eigen demonen weer in opstand waren gekomen, herinnerde hij zich de vele keren dat zijn lichaam zich leek te hebben losgemaakt van de geest en de geest niet meer wilde gehoorzamen aan het lichaam. De meditatie vormde daar een adequaat medicijn tegen, gericht immers op een evenwichtig bewustzijn van de lichamelijke gewaarwording en geconcentreerde observatie ervan in het besef van voortdurende verandering. Verandering van zowel de gehele lichamelijke als de totale mentale structuur.

Dit inzicht had inderdaad geholpen, het besef dat alles eindig is, tijdelijk en vluchtig, zowel de pijn als het genot, zowel het lichaam als de geest. Hoe minder verwachtingen hoe beter.

*

De Hollandse zomer: een paar hete dagen, onweer en storm, dan een keldering van de temperatuur, regen en wind, geleidelijk weer klimmen van de temperatuur, een hittegolfje, et cetera.

Zondagochtend. Open ramen en balkondeuren. Tegen negenen zijn de enige levende wezens die hij vandaag heeft gezien enkele houtduiven — die hij verjaagt — een mannetjesmerel, musjes van beiderlei kunne, een pimpelmees en nu komt er ook een halsbandparkiet aanvliegen die van hem schrikt en in de plataan zijn kans gaat zitten afwachten. Het voeren van vogels is in de zomer natuurlijk overbodig, maar de af- en aanvliegende vogels maken hem blij. Kon het maar de hele dag zo blijven, alleen vogels.

Maar nee, de buurt ontwaakt al. Her en der hoort hij in de verte een deur slaan, een raam openschuiven, een stem, iemand hoest. Een fluitketel. Hij houdt de adem in. Ergens buiten zijn zicht rijdt een brommer. Verder nog alleen het getjilp van vogeltjes, het gezoem van insecten en elk kwartier de klok van de Westertoren.

Hij aarzelt of hij aan de voorzichtige stadsgeluiden het malen van koffiebonen en de espressomachine zal toevoegen. Kan geen kwaad, denkt hij maar wordt dan opgeschrikt door een claxonnerende auto. Dit geluid zet alles in beweging, heel langzaam komen er meer en nieuwe geluiden bij. Dan begint ook de onrust in zijn hoofd evenredig toe te nemen.

*

Ze moeten ergens een nest hebben, bedacht hij toen beneden een paar eksters met hun luide geratel de aanval openden op de zwarte buurtkat. Merels doen dat ook, met luid gekwetter de kat wegjagen van het pleintje als ze ergens een nest met jongen hebben, dat heeft hij vaak genoeg gadegeslagen. De andere vogels waren er altijd stil van.

Ooit had hij thuis op het landgoed verwonderd toegekeken hoe hoog in de lucht twee kraaien een buizerd opjoegen (en uiteindelijk verjoegen). Met zijn tweeën sta je sterker, dacht hij grimmig, als je maar vastberaden samenwerkt. Het was nog geen zes uur en buiten was het windstil en grijs. Het geringe daglicht werd gedempt door het weelderige groen van de bomen op het pleintje. Hopelijk brak de zon nog door.

Een paar weken geleden was zijn vriendin M. op bezoek gekomen. Die had zijn vriend op de man af gevraagd hoe het voor hem was om met een chronisch depressieve partner te leven. Zelf had zij het jarenlang moeten stellen met een ernstig geesteszieke echtgenoot, dus die vraag was niet alleen begrijpelijk maar ook terecht.

Deze morgen besefte hij dat hij, zoals meestal, beter zijn mond had kunnen houden — was hem iets gevraagd soms? — en goed luisteren, maar in plaats daarvan had hij zich met het antwoord van zijn geliefde bemoeid door hoog op te geven van diens geduld en de toewijding. Een verkeken kans.

*

Je kunt hem maar beter met rust laten als hij zo’n humeur heeft. Het gaat wel weer over. Zolang het duurt zal hij niet goed in staat zijn tot intelligente verbale handelingen, laat staan ironie of zelfspot.

De depressie maakt hem dom, zij beperkt zijn vocabulaire. Soms kan hij niet meer op namen komen, op gebeurtenissen. Film-, muziek-, zelfs boektitels verdwijnen. Zelf verdwijnt hij ten dele in een mist en vaak zie je hem afwezig staren in het niets. Het valt je op hoe getekend dan zijn gelaat is, hoe gekweld hij eruitziet.

En terwijl jij dat in stilte vaststelt, is in zijn hoofd allang de vaste litanie gaande van minderwaardigheid, twijfel en zelfhaat.

Maar depressie valt moeilijk uit te leggen (of te begrijpen) zonder zelfspot, ironie of zwarte humor. Het akelige is dat in de perceptie van niet-depressieve personen de depressieve medemens vaak te letterlijk wordt genomen: hij moet voor hen een eenduidig droefgeestig wezen verbeelden, wiens lijden ook nog eens aanstekelijk is. Iemand die je liefst uit de weg gaat.

Hoe vaak hoor je niet dat iemand tijdens zijn depressie ‘alle energie opslorpt’ als een duister zwart gat dat zich in de kamer bevindt. Het is maar de vraag door wie dit komt — misschien is het zwarte gat wel de leegte tussen de waarnemer en de beoordeelde.

*

Misschien helpt het als je je zegeningen telt, mompelt hij in zichzelf. Hij woont op een mooie plek, hartje stad. Aan drie kanten van zijn huis kan hij naar buiten kijken, aan de achterzijde heeft hij zicht op de Westertoren. Op het pleintje beneden is altijd veel te doen.

Vooral de vogels vermaken hem, de mussen, mezen, het winterkoninkje al helemaal. De wilde papegaaien, die eigenlijk halsbandparkiet heten, maken hem met hun capriolen aan het lachen. Ze gedragen zich als multidisciplinaire circusartiesten, zowel trapezewerker als clown en spreekstalmeester. De merels, vooral de mannetjes, ontroeren hem, met hun kalme vriendelijkheid en hun gezang. De gaaien, kraaien en eksters, hoe mooi ook om te zien, zijn treiteraars. Om in de houtduif iets anders te zien dan voedsel kost hem moeite, dat komt door zijn verleden. Hij vindt dat die in de stad niks te zoeken hebben en bovendien bevuilen ze soms zijn balkon en de ramen op een manier die elke beschrijving tart: wat een berg drek kan er uit zo’n beest komen! Ze zijn bovendien brutaal en vernielzuchtig.

(Zie, daar gaan we weer, denkt hij, ik dacht dat we zegeningen gingen tellen, maar binnen tien zinnen zitten we alweer in de vuiligheid.)

De vroege uren van het weekend zijn voor hem een godsgeschenk. Het zegeningen tellen gaat hem dan het makkelijkst af. Straks gaat hij, zelf al een aardig eind op weg naar de leeftijd der bejaarden, bij zijn hoogbejaarde moeder op bezoek. Die is altijd blij als ze komen. Op zaterdag kookt zij elke week een lunch voor wie maar aanschuiven wil. Als dat niet een geschenk van God is.

*

Hij had slecht geslapen. Buiten was het druilweer, maar dat deerde hem niet. In de vroege morgen had hij zelden een mopperhumeur; het gegrom begon meestal pas als de rest van de stad ook wakker was en er iets meer van hem werd gevraagd dan observeren: zodra hij een mening moest hebben.

Meningen te over! Over houtduiven in de stad, over de gezondheidszorg, de geschiedenis. Hondenbezitters. Homo’s. Hetero’s. Psychiatrische patiënten en verslaafden. Psychiaters. Over oorlog en vrede, het klimaat en het weer. Over politici en putjesscheppers. Over schrijvers en boeken. Over stompzinnigheid en onverstand. Over onkunde en moedwil. Excrementen, of die nou van vogels, honden of mensen afkomstig zijn. Weerwolven. Buitenaardse wezens. Alternatieve geneeswijzen. ‘Voltooid leven’. Vaccinatie. Hondsdolheid. Zwarte Piet. Of het koningshuis.

Al zijn misère kwam voort uit (doorgaans weliswaar gefundeerde) opinies. Van hemzelf en die van anderen. Volgens Aldous Huxley kwam alle ellende voort uit menselijke stupiditeit en kwaadaardigheid. En inderdaad, het afgelopen jaar had hij zich voortdurend lopen opwinden over (veelal Amerikaanse) ezelachtigheden. Het was duidelijk, dat doe je niet ongestraft; kun je je over stompzinnigheid eigenlijk wel een intelligente mening vormen?

*

God wat heeft hij een hekel aan domheid. Zelfs de goden zijn niet tegen domheid opgewassen, heeft hij ooit ergens gelezen. (Was het Schiller? Later opzoeken, noteert hij.)

Zijn afkeer komt niet zozeer uit arrogantie voort — op zich natuurlijk al een akelige vorm van domheid — als wel uit zijn ongeduldige natuur. Maar ook objectief vindt hij ruimschoots voldoende argumenten tegen stupiditeit.

Expressies ervan komt hij dagelijks tegen. Stuk voor stuk worden deze gekenmerkt door extremisme: of het nou om homohaat of racisme gaat, kwakzalverij, burenruzies of de cynische politiek van het zogenaamde ‘voltooid leven’, altijd gaat het over kleinzielige uitsluiting, van de ander, van ideeën, van kennis en verstand. Van ethiek.

Domheid gedijt het best bij gebrek aan empathie, in gezelschap van de leugen en niet op de laatste plaats ongebreidelde hebzucht. En altijd is zij de voorbode van rampspoed. Ja, hij verafschuwde domheid, die van hemzelf incluis.

*

Alles draait om het begrip dat men heeft van hoe men zich verhoudt tot zichzelf en tot de wereld, bedacht hij. Gaandeweg heeft hij ontdekt dat om dat begrip te verdiepen, absolute vrijheid nodig is. De vrijheid om het ene te kiezen en niet het andere. Dat hij morele verplichtingen heeft ten aanzien van zijn keuzes en handelen, niet vanuit opgelegde regels en algemeen geldende principes of codes, maar vanuit een kern ontdekt door kritisch zelfonderzoek. En dat hij vanuit deze kritische observatie in opperste vrijheid zou kunnen kiezen tot wat voor persoon hij zichzelf wil transformeren: gezond, vrij, ongebonden, ja misschien zelfs gelukkig, al kan hij zich bij dat laatste nog niet goed een beeld vormen.

Is hij ooit echt gelukkig geweest? Blij, ja. Opgelucht ook. Kalm. Opgetogen. Maar gelukkig? In zijn vroege kindertijd ongetwijfeld, maar daaraan bewaart hij slechts een enkele gefragmenteerde herinnering. Bij opa voorop de fiets door de velden en bossen. Met moeder naar haar kapper in het naburige dorp, ditmaal waarschijnlijk achterop. Heel diep in zijn geheugen weet hij zo nu en dan een verloren fragment op te vissen dat hem herinnert aan die paradijselijke, pre-limbische kindertijd. De gebeurtenissen die op die weinige jaren volgden hebben hem voorgoed veroordeelt tot leven in een onherbergzaam voorgeborchte, buitengesloten van ‘volledige en opperste natuurlijke gelukzaligheid’. Althans dat heeft hij lang geloofd, zo heeft hij dat lang ondergevonden.

Wat voor persoon wil hij nu worden? (Wat wil je worden als je later groot bent?)

Iemand die ademt, wil ik worden, denkt hij. Iemand die ademt, zonder afkeer of verlangen. Een man met een kalme, gelijkmoedige geest. Terwijl hij dit serieus opschrijft, schiet hij al in de lach. Luidkeels lacht hij zichzelf uit totdat hij buiten adem raakt. Hij kijkt naar buiten. De zon schijnt. De vogels vliegen af en aan en spelen op zijn balkon. Hun speelse vrijheid maakt hem blij. Vandaag wil hij een vogel zijn. Daarna zien we wel weer.

© Antony Oomen

5.VII/2017

Amsterdam