‘The Sick Child’ van Edvard Munch
Geboorte van een expressionist

Het is een droevig tafereel. In ‘The Sick Child’ van Edvard Munch toont de schilder de laatste momenten voor de dood van zijn oudere zus. Zij stierf aan tuberculose op de leeftijd van 14 jaar. Deze traumatische ervaring was een grote bron van inspiratie voor Munch. Hij heeft dan ook zes verschillende versies geschilderd, telkens met de dood van zijn zus als onderwerp.
Het werk van Munch toont zijn tante Karen naast het ziekenbed van zijn stervende zus Johanne Sophie. Het kind is duidelijk zwaar ziek. Ze is een magere, bleke verschijning. Kijk je dichter, dan zie je dat het haar van het kind erg dun is. Rond haar voorhoofd valt het zelfs uit. Zij kijkt langs de knielende vrouw naar het gordijn achter haar. Enkele kenners zijn van mening dat dit gordijn symbool staat voor haar naderende dood. Een dood die ze niet langer kan ontvluchten. De tante naast het ziekenbed buigt haar hoofd in gebed, rouw, of misschien zelfs beide. Zij kan het stervend kind niet in de ogen kijken.
Expressionisme
Munch zelf beschrijft ‘The Sick Child’ als zijn afscheid van het impressionisme. Het werk lijkt op een schets, op een onafgewerkt schilderij. De figuren zijn vervormd om de nadruk te leggen op de emoties van de kunstenaar. Munch gebruikte voor zijn originele werk harde penseelstreken en donkere kleuren. Vaak verfde hij meermaals over dezelfde plek. De bedoeling is om het verdriet en de wanhoop van de jonge artiest over te brengen aan het publiek. Met dit werk maakt Munch de overstap naar het expressionisme: een stroming waarvan hij nu als dé grote voorman wordt beschouwd.
Zes versies
De tragische dood van zijn zus bleef Munch nog lang achtervolgen. Het was een vormende ervaring voor de jonge schilder. Over een periode van 40 jaar schilderde hij zes verschillende versies van ‘The Sick Child’. Hij was 26 jaar toen hij de eerste versie schilderde in 1885. De laatste werd afgewerkt in 1927. Alle versies tonen zijn zieke zus met de treurende tante. Drie van de werken zijn terug te vinden in Oslo. De rest is verspreid over musea in Gothenburg, Stockholm en London.
