In gesprek met Rimpelgeweld

Door: Lodewijk Verduin

Michel Leiris zoekt in het voorwoord van zijn autobiografie Arena (1939) naar de belangrijkste functie van literatuur. Hij vraagt: wat moet een boek doen? Als eerste stelt hij dat de taal van het boek een oprecht beeld moet kunnen geven van de wereld die het beschrijft. Zijn tweede en belangrijkste punt is dat een tekst niet simpelweg een object mag worden: het boek moet een handeling zijn. Het is voor een literair kunstwerk niet genoeg om passief gelezen te worden, het mag zijn publiek niet onverschillig of onaangesproken laten. Het gehele bestaan van het boek moet dus een daad zijn. Om dat te bereiken moet het boek de lezer niet langer toespreken vanuit ijle hoogtes, maar moet de tekst direct met de lezer in dialoog treden.

De schrijver moet de lezer in het boek zien te trekken.

I
In Rimpelgeweld legt Menno van der Veen het ontstaan, de bloei en de aftakeling van een vriendengroep vast. In plaats van één mensenleven beschrijft hij een gedeeld knooppunt in vijf hobbelige en veranderlijke levenslopen. Het is echter niet Menno zelf die spreekt, maar Gijsbert, een werkloze en blowende dertiger wiens leven overhoop wordt geblazen door een verwoestend intieme vriendschap. Hij ontmoet Pierre, Richard, Britten en Ariëlle en een nieuw gezamenlijk leven begint: het leven van ‘ons’. Rimpelgeweld gaat dan ook niet over het leven van Gijsbert zelf, die zich als verteller nonchalant buiten beschouwing laat. Het gaat om het allesoverheersende verbond van die vriendschap, het absolute ‘ons’: het gedeelde bestaan van vijf mensen dat voor ieder van hen alles is geworden.

II

‘Ik was verliefd op ons.’

III

Gijsbert is in dit boek aan het woord, hoewel hij voor de lezer tamelijk ongrijpbaar blijft; de informatie die hij geeft is summier. ‘Ik ben gedesintegreerd,’ zegt hij in de openingspassage. ‘Ik ben druppelkunst.’ Zijn karakter en leven zijn opgebroken in stukjes die geen geheel meer kunnen vormen. De schrijver lijmt deze fragmenten niet samen tot een onvolledig beeld; in plaats daarvan geeft hij de lezer alleen de stukken die gedeeld zijn, die bijdragen aan het mozaïek van de relatie tussen deze vijf vrienden. Alle andere informatie wordt opzijgeschoven: het enige dat centraal staat is het ‘ons’, dat wat de individuele levens overstijgt.

IV

Gijsbert vertelt zo over een totale vriendschap die hij niet alleen vanuit zichzelf kan beschouwen. Hij kan immers niet alles overzien, omdat hij zelf deel uitmaakt van wat hij beschrijft. Rimpelgeweld is dan ook geen monoloog, maar een vertelling in vier losstaande dialogen: in ieder hoofdstuk vertelt Gijsbert in fragmenten over zijn ervaringen, steeds in de jij-vorm en steeds tegen iemand anders. Hij richt zich steeds direct tot deze vloeibare jij, dat persoonlijk voornaamwoord dat in dit boek naar een viertal mensen kan verwijzen. Een deel van de vriendschap wordt namelijk blootgegeven aan zijn zus, zijn jeugdvriend, zijn vader en, tot slot, aan een onbekende luisteraar. De verteller biedt de lezer geen pasklaar verhaal, maar dwingt hem het verhaal zelf samen te stellen uit de druppels informatie die tussen deze dialogen sijpelen.

V

‘Ik verwijt jou dat je alleman bent.’

VI

Als lezer zet dit je voor een probleem. In de eerste plaats kun je niet passief meelezen, maar word je direct aangesproken. Daar komt bij dat jij niet aangesproken wordt, maar dat je je moet verplaatsen in een van de vier personages die zich aan de andere kant van het gesprek bevinden. De lezer kan niet blijven wie hij is, maar moet zichzelf verplaatsen in een luisteraar: hij moet deel worden van het gesprek, van de daad. De lezer moet alleman kunnen worden.

VII

Wat is een vriendschap anders dan een voortdurende dialoog?

De dialoog die je nieuwe woorden en gedachten geeft om de wereld te begrijpen, vol antwoorden die je niet meer loslaten, ook wanneer je vrienden verdwenen zijn? Vriendschap ontstaat door de gesprekken die alles in het leven verlichten als vuurwerk en een golf van licht over de wereld achterlaten, zij krijgt vorm door het knisperend vuur dat de vrienden gezamenlijk aansteken en brandende houden, waarna zij overgaat in een kaarsvlam die zich met de jaren beheerst door het kaarsvet klieft, of onverhoeds zal doven.

VIII

Gijsberts taal en ritme weerspiegelen de beschreven roes van vriendschap: Rimpelgeweld bestaat uit korte zinnen die elkaar als cameraflitsen afwisselen. De taal is zintuiglijk, lichamelijk. Menno van der Veen laat de lezer niets zien of overdenken, maar proeven, horen, ruiken, voelen. Zijn zinnen fluisteren niet, zij kanaliseren een overweldigende energie. Je leest een vriendschap immers niet, je moet haar in je eigen lichaam kunnen voelen.

IX

Alle kracht van Rimpelgeweld komt samen in de fantasie. De lezer moet niet alleen een voorstelling maken van Gijsberts ervaringen, maar moet zich ook in de gedachtewereld van de vier verschillende ‘jij’s’ (zus, jeugdvriend, vader en onbekende luisteraar) verplaatsen. Gijsberts woorden geven alleen fragmenten weer, stukjes die vanuit het perspectief van de verschillende vertellers steeds nieuwe betekenissen krijgen, nieuwe verbanden aangaan met elkaar, nieuwe constellaties maken, als een caleidoscoop. Gijsbert legt je deze stukken niet voor, hij dwingt je ze te voelen. In de gesprekken geeft hij instructies, waarna je in je hoofd installaties moet maken. Menno van der Veen smeedt prachtige beelden maar levert ze niet pasklaar, eerder als een bouwpakket. Rimpelgeweld kan de lezer niet overspoelen: hij wordt gedwongen om het boek zelf in zijn fantasie tot een coherent geheel te maken.

X

‘Beschilder het beeld in bonte kleuren; gebruik in ieder geval okergeel, rood en groen. Zet het in je tuin en laat het daar net zolang staan tot de kleuren volledig zijn vervaagd door de regen en het beeld een statig witgrijze kleur heeft aangenomen. Let goed op dat de fijne trekken van het gezicht zijn ingedaald. De neus iets minder scherp, de mondhoeken in het marmer gesleten. De wapenhelm zet je af. Geef een vluchtige kus op de afdruk, op de oorlogszuchtige lijntjes in haar schedel.’

XI

Menno van der Veen geeft je in Rimpelgeweld de mogelijkheid om een unieke vriendschap niet alleen te volgen, maar ook te voelen.

Daarvoor moet je ontvankelijk zijn voor zijn scherpe, razendsnelle taal, die tussen lichamen ketst en alle zintuigen streelt. Je moet niet observeren, maar je moet je verplaatsen in de mensen die Gijsbert aanspreekt, je moet hun identiteiten aannemen. Je moet niet lezen, maar luisteren. Je moet tussen Gijsberts herinneringen door lezen om het verhaal te ontdekken. Je moet niet bewonderen, maar maken. Dit boek geeft je alle stukjes, maar zal je het geheel niet tonen. Je moet je fantasie laten lezen. Alleen dan zal het boek zijn unieke schoonheid openbaren.

XII

Rimpelgeweld is geen verhaal, maar een daad: een dialoog die pas gaat bestaan wanneer de lezer meepraat. Menno van der Veen heeft met deze roman een indrukwekkende handeling vormgegeven, een gesprek dat wacht op jou om het te vervolmaken.

XIII

Nu is het aan jou om je dit boek in te laten trekken.

Show your support

Clapping shows how much you appreciated Uitgeverij Atlas Contact’s story.