Maand van de geschiedenis: ‘Vrij man’ van Nelleke Noordervliet

Gedurende de Maand van de Geschiedenis publiceert Atlas Contact elke dag een nieuwe blog. Lees vandaag een fragment uit Vrij man van Nelleke Noordervliet. Ook beantwoordt Noordervliet een aantal vragen over het geluk van hoofdpersonage Menno Molenaar.

Volg ons op Facebook, Twitter en Instagram voor meer informatie en nieuws over onze schrijvers, boeken en De Maand van de Geschiedenis bij Atlas Contact.


Dit is het avontuurlijke, indringende en aangrijpende verhaal van Menno Molenaar, twijfelaar, arts, jurist en dubbelspion. Een man om van te houden, een man om mee in debat te gaan. Plaats van handeling: Nederland en de Nieuwe Wereld. Tijd: halverwege de Gouden Eeuw.

Nelleke Noordervliet over geluk in Vrij man:

Waarom wilde u het verhaal van Menno Molenaar vertellen? En is hij te omschrijven als een gelukszoeker?

‘Pas achteraf, als het verhaal verteld is, weet ik waarom ik het wilde vertellen. Het groeit langzaam. Menno Molenaar was voor mij het voorbeeld van een intelligente 17e-eeuwer, die nieuwsgierig is en een wetenschappelijke inslag heeft. De samenleving is doordrenkt van religie. Maar hij verliest het geloof en moet tegenover de van bovenaf opgelegde moraal van de godsdienst en de bijbel, zijn eigen ideeën van goed en kwaad plaatsen. Wanneer leid je een goed leven. Wat zijn de ingrediënten voor het menselijk geluk op aarde. Ben ik de enige die op deze manier zoekt naar een humanistisch geïnspireerd ideaal. ‘Gelukszoeker’ in egocentrische zin is hij niet. Hij stelt essentiële vragen aan leven en mens-zijn.’

Vooral tijdens de ‘ontmoetingen’ tussen uw personage en Menno Molenaar viel op hoe groot de verschillen tussen het heden en de 17e eeuw zijn. Voor Molenaar is het geluid van gemartelde gevangenen heel normaal, voor uw 21e-eeuwse personage niet. Is ook de perceptie van geluk veranderd? Was geluk in de tijd van Menno Molenaar anders dan nu?

‘In wezen zoeken mensen altijd hetzelfde. Hoe stel ik me te weer tegen de slagen van het lot? Hoe vergroot ik de vreugde in het leven van mijzelf en van mijn naasten? Omdat de maatschappij waarin mensen die vragen stellen is veranderd lijkt de perceptie van geluk veranderd. Maar uiteindelijk gaat het mensen altijd en overal om geborgenheid, veiligheid, liefde, vriendschap en erkenning.’


Fragment

De mannen waren goed, zelfs modieus gekleed, studentikoos, al leken ze ouder dan de gemiddelde student. Een van hen gebaarde heftig terwijl hij aan het woord was, en begon steeds luider te spreken. ‘Waarom zou God twijfel creëren als onderdeel van zijn volmaakte schepping? Twijfel is een ontkenning van volmaaktheid. God kan niet onvolmaakt zijn. Dat ik kan twijfelen aan God impliceert dus dat hij niet bestaat.’

[…]

Menno schoof met kloppend hart in hun richting, zoiets had hij nog nooit gehoord. Hij ving nog wat losse woorden op. ‘Niemand’, ‘kennis’, ‘godsdienst’, ‘bedrog’. ‘Gevaar’ kwam uit de mond van een ander, en ‘meesterlijk’.

[…]

Al pratend liepen de mannen de boekhandel uit en staken het academiepleintje over naar de Hortus. Menno volgde op een paar meter afstand. […] Ze verdwenen in het Ambulacrum, de lange gesloten wandelgang aan de zuidzijde van de tuin, waar tropische planten overwinterden. Enkele seconden later volgde hij hen. Voordat zijn ogen aan het gedempte licht hadden kunnen wennen, voelde hij een stevige hand in zijn nek.

‘Zo mannetje, volg jij ons?’ Het was de langste van de vier mannen. De andere drie stonden een einde verderop en keken geamuseerd naar zijn schrik.
‘Nee, ik zweer u, ik volg u niet.’
‘Wie ben jij?’
‘Ik ben Menno. Eh…. Molenaar.’
‘Ben je Menno of Molenaar, of ben je molenaar, Menno?’ De man liet hem los en keek hem met de handen in de zij uitdagend aan.
‘Ik ben Menno Molenaar.’
‘Maar ben je molenaar? Je ziet zo bleek als meel!’
‘Ik ben student.’
‘En wat studeer je?’
‘Theologie. Aan het Statencollege.’
Zijn tegenstander schoot in een hartelijke lach. ‘Een collegist! Vrienden, we hebben hier een collegist. Een echte broodrat. En een spion.’

Een van de anderen kwam naderbij. ‘Aha, een collegist. Nu eet hij van de Staten en straks van de gemeente. Een jaknikker. Een baantjesjager. Dat soort kunnen we missen als kiespijn.’
Voor het eerst hoorde Menno zo neerbuigend spreken over het college en de bursalen. Het was toch een prachtige instelling, en liever was hij afhankelijk van de Staten, een portemonnee zonder gezicht, dan van zijn oom Leonard. Hij dacht het en hij zei het. Daarna deed hij een stap naar voren en nam een net zo zelfbewuste houding aan als zijn opponenten.

‘Het is niet mijn moeders schuld,’ zei hij, ‘dat wij afhankelijk zijn van de luimen van een stompzinnige handelaar in versneden wijnen. God heeft mij een goed verstand gegeven maar deed daar geen kapitaal bij. Moet ik dat verstand dan maar ongebruikt laten? Ja, liever studeerde ik medicijnen, net als mijn vader, maar ik had geen keus. Ik acht mijn moeder te hoog om haar door haar eigen halfbroers te laten beledigen. Daarom nam ik de beurs van de stad Rotterdam met beide handen aan. Uw oordeel is niet alleen te haastig, maar ook liefdeloos.’

Het was even stil, terwijl de klank van zijn luide woorden tegen de muren kaatste en wegstierf. Aan het eind van de wandelgang met nissen en kasten in de achterwand stond een groepje andere studenten hun kant op te kijken. De man met het zuidelijke uiterlijk zei: ‘laat die jongen, Adriaan. Hij heeft gelijk.’
‘Hij volgde ons.’
‘Hij zegt van niet en hij mag hier zijn. Zoveel vrijheid gunnen we elkaar toch.’

Menno deed weer een stap naar voren en richtte zich nu rechtstreeks tot de ‘Italiaan’. ‘Om u de waarheid te zeggen: ik volgde u wel. Ik hoorde een deel van het gesprek in de boekhandel. Het onderwerp interesseerde me. Ik hoopte..’
‘Welk onderwerp was dat?’
‘Het ging over twijfel.’
‘Dat is een gevaarlijk onderwerp voor een collegist.’ De ‘Italiaan’ lachte fijntjes. Menno haalde verlegen zijn schouders op en sloeg zijn ogen neer onder de spottend onderzoekende blik van de ander. ‘Wat vinden jullie, vrienden? Zullen we onze jonge molenaar vragen naar zijn ervaringen met twijfel?’

De vierde man vroeg: ‘Je wilde medicijnen studeren net als je vader? Waarom?’
Het leek Menno vragen naar de bekende weg. Wat was er nu boeiender dan de werking van het menselijk lichaam? Zo raadselachtig, die zak met bloed en botten en daarin iets als de ziel en de vrije wil — hoewel daar strijd over was — en de twijfel. 
‘Ik kan het niet goed uitleggen,’ zei hij. ‘Alles wat de professoren ons leren over God en de ziel en het eeuwige leven, over Bijbel en recht, over planten en dieren, over de geschiedenis — alle kennis die bestaat komt voor uit dit lichaam dat kijkt en denkt en voelt. Ik wil weten hoe het werkt.’ Hij voelde dat hij bloosde. Nooit had hij tegen iemand zoiets geheims en intiems gezegd, en nu stond hij hier in een galmend gebouw en had het hart op de tong voor deze vier vreemdelingen.
‘Is de kennis van God niet een hoger doel dan kennis van de mens? Is theologie dus niet een verhevener bezigheid?’
‘Dat zou het misschien zijn als het werkelijk een studie was en niet een middel om een denkwijze op te leggen en uit te dragen.’
‘Je bent collegist en cartesiaan? Dat moet schiften.’
‘Mijn vader heeft Descartes ontmoet,’ zei Menno met kinderlijke trots, alsof de glans ook op hem zou afstralen.

De vier keken hem zwijgend aan. Toen zei de man dei Adriaan werd genoemd met een theatraal gebaar naar zijn borst en zijn voorhoofd: ‘Dit is een ongelukkig man. Hij doet wat zijn eer hem gebiedt te doen, maar zijn hart is er niet in. Zijn rusteloze geest zoekt een thuis. Laten wij ons over hem ontfermen. Hij mag een eindje meewandelen en een pijp met ons roken.’
‘En als hij nu eens een infiltrant is? Een spion?’
‘Kijk naar hem! Kan dit kind liegen?’ Hij sloeg zijn arm om Menno’s schouder en voerde hem mee. ‘Kijk, Menno Molenaar, dit is mijn broer Johannes, theoloog. Ikzelf ben Adriaan Koerbagh, medicus in spe. Daar staat Lodewijk Meyer, aankomend arts en schrijver, en ten slotte, die kleine Portugees, dat is Van Doorn. Bento van Doorn.’ De mannen lachten. Menno begreep niet waarom. Het was natuurlijk een grapje dat alleen zij snapten. Hij werd overvallen door een vurig verlangen bij hen te horen en een even grote angst dat hij — nog nauwelijks man met die drie vlasse haren die het begin van zijn baard vormden — altijd vruchteloos aan de poort van dit genootschap zou blijven kloppen, af en toe uit medelijden binnengelaten, maar permanent gewantrouwd.


Foto: Ernie Enkelaar

Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 1945) studeerde Nederlands in Leiden en Utrecht. Rond 1980 begon ze aan een fictief dagboek van Multatuli’s eerste vrouw, barones Everdina Huberta van Wijnbergen. Het boek verscheen uiteindelijk in 1987 als Tine of De dalen waar het leven woont. Meteen werd Noordervliet erkend als een van de belangrijkste hedendaagse Nederlandse schrijvers. Vervolgens publiceerde ze veelgeprezen romans als Het oog van de engel, De naam van de vader, Uit het paradijs, Pelican Bay, Snijpunt en Zonder noorden komt niemand thuis, verhalen en novellen die bijeengebracht werden in Veeg teken. Behalve in romans en verhalen uitte Noordervliets belangstelling voor geschiedenis zich ook in boeken als Altijd roomboter, over haar overgrootmoeder, en in boeken die ze schreef voor het Rijksmuseum en voor de Amstelhof. In 2012 verscheen de roman Vrij man, de geschiedenis van de 17e eeuwse Menno Molenaar, jurist, arts en dubbelspion. In 2013 schreef Nelleke Noordervliet het Boekenweekessay, getiteld De leeuw en zijn hemd en publiceerde ze Schatplicht, een essaybundel over de actualiteit van het verleden en de historiciteit van het heden.Haar laatst verschenen roman is Aan het eind van de dag, dat volgens NRC NEXT een ‘uitstekende en bijzonder onderhoudende roman is geworden.’ Nelleke Noordervliet is columniste voor Trouw en voor OVT. Haar boeken zijn meermaals genomineerd en bekroond en in verschillende talen vertaald.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.