Het witte plein

Als een gekwetste ziel geconfronteerd wordt met schoonheid, dan verschuift er iets vanbinnen. Dat overkwam mij toen ik haar voor het eerst zag. Ze fietste voorbij, met haar rok lichtjes omhooggeschoven waardoor haar dijen zichtbaar waren, haar honingkleurige lange haren wapperden in golven achter haar aan, het tipje van haar tong tegen haar lippen, blik gefocust op wat voor haar lag.

En toen was ze weg.

In mijn oren klonk trompetgeschal. Ik voelde me op wolken drijven. Het was alsof ik Sinterklaas had gezien, of Maria magda lena. Dat heb ik van kleins af aan een topwijf gevonden.

De volgende avond liep ik doelloos door de stad. Misschien zou ik een pilsje gaan pakken in The old fisherman. Misschien ook niet.

Toen ik op het witte plein kwam bevroor ik. Daar stond ze. Zomaar. Helemaal alleen. In haar witte jurk en op blote voeten leek ze net een engel. Ze keek niemand aan, maar had ze nu een binnenpretje, of wat? Ik wilde net naar haar toelopen toen het gebeurde.

Het waren geen duiven. Tientallen, honderden papegaaien doken uit alle richtingen op het meisje af, tot ze helemaal bedekt was.

Flitslichten, geklik van fototoestellen. De papegaaien vlogen weer weg. Het meisje was verdwenen.

Weer was ze weg.

Ik was aan de grond genageld. Rondom mij barstte er tumult los. Mensen stoven naar de plek waar het meisje stond, uitten ongelovige kreten, stootten elkaar aan, keken naar de lucht om te verifiëren of ze daar niet ergens aan een touw bungelde of zoiets.

Opnieuw flitslichten en geklik van fototoestellen. Dit keer van een lege plek.

Of nee.

Ik kwam dichterbij. De mensen fotografeerden geen lege plek, maar een papegaai. Een enkel overgebleven, overdreven gestylede vogel.

Altijd een hekel gehad aan papegaaien.

Altijd.

Dus draaide ik me al om om mijn wandeling verder te zetten, toen een zaadje van een gedachte mijn hersenpan bereikte en aanzwol tot een idee.

Was het meisje veranderd in een papegaai?

Was het meisje veranderd in een fucking papegaai?

Nee. Doorlopen. Niet belachelijk doen.

Ik keerde terug naar de plaats delict. Geen smerissen of lijk te zien. Alleen een stomme papegaai die poseerde voor de foto. Langzaam knielde ik naast hem neer. Correctie: naast haar neer. En stak mijn vinger uit. Alsof de vogel nooit iets anders had gedaan, ging ze erop zitten. Applaus barstte los. Het publiek herademde. Van langs alle kanten werden munten naar me gegooid. Wat diffuus verzamelde ik ze, maakte enkele buigingen en verdween in de nacht met een papegaai op mijn vinger.