De maakbaarheid van bezieling

Mijn zoektocht naar de taal om over bezielde organisaties te kunnen praten bracht me bij Jaap Voigt. Deze 76 jaar levenswijze man begon als organisatie adviseur in 1972; één van de eerste ZZPer’s. Hij verdiepte zich vanaf toen in de oosterse filosofie en vanaf 2009 woonde hij de helft van het jaar in een Ashram in Noord India waar hij studeerde en mediteerde.

Met veel plezier deel ik hier het fascinerende derde gesprek over bezielde organisaties met hem.

Jaap Voigt

Boodschap: Zorg dat je zelf bezield blijft. Zoek mensen op die ook bezield zijn. Blijf voluit Leven.

Gesprek over de maakbaarheid van bezieling

C: Wat is de eerste associatie van je bij een bezielde organisatie?
J: Dat heb ik als mijn werk beschouwd! Er zijn periodes geweest waarin het een thema was. In de jaren ’70 was het er nog wel, als een uitvloeisel van de jaren ’60, de jaren ’80 ging meer over niet lullen maar poetsen, toch kwam daaruit het transformatie principe. In de jaren ’90 groeide de bomen tot aan de hemel en kon er uitgebreid over bezieling gepraat worden. Maar dat was een soort luxe, “iets extra’s” in plaats van een noodzakelijkheid. In de jaren ‘70 en ’80 waren cultuuronderzoek en transformatieprocessen in organisaties mijn werk op basis van een soort methode die ik ontwikkeld had.

Samen met anderen richtte ik een school op “Het Instituut voor Toegepaste Integrale Psychologie (ITIP)”. Vanaf 1980 tot 2000 gaven we op die school en ook in vele organisaties les aan een paar duizend mensen. Na 2000 werd het stil en na 2008 werd het doodstil, de angst regeerde en dan kan er niet vrij nagedacht en onderzocht worden. Het kan nu weer mondjes maat, omdat de crisis van het ontbreken van de “menselijke maat” steeds nijpender wordt. In de praktijk komt bezieling meestal ter sprake als het goed gaat.

“Als het oorlog is ga je naar de kerk.”

C: Is dat ook hoe het zou moeten zijn?
J: Nee, het zou juist andersom moeten zijn: als het slecht gaat, ga je over bezieling praten. “Als het oorlog is ga je naar de kerk.” Wijsheid is een luxe product geworden, het komt in de marges. Die is er alleen in goede tijden. Voor mij is de ontwikkeling van wijsheid een noodzaak en geen luxe.

In het oude China waren twee grote stromingen, die eigenlijk ook hier te herkennen zijn: Confucianisme en Taoïsme. Confucius richtte zich op: menselijkheid, rechtvaardigheid en fatsoen. Zijn methode waren onderwijs (later werd dat “indoctrinatie”) tradities en rituelen. De taoist heeft zich daar altijd tegen afgezet, en richt zich juist op het terugtrekken en het “handelen door niet-te-handelen’. Het eerste speelt zich af in het horizontale vlak en leert je om te gaan met de ‘wereld van tienduizend dingen’, oftewel de chaos van alle dag. Het Taoïsme richt zich op de verticale lijn en gaat over de vraag waar bezieling en inspiratie ontstaat en hoe die zich uiteindelijk in de wereld manifesteren. Het menselijk “zuiveringsproces” (het stilstaan bij en het transformeren van de opgelopen conditioneringen) staat hierbij centraal. Het taoïsme, de verticale wereld heeft zich altijd tegen institutionalisering afgezet, waar het Confusianisme institutionalisering oproept.

In China heeft de focus altijd op het confucianisme gezeten, behalve tussen dynastiën in. Op momenten van chaos en verandering kwam er de behoefte om aandacht te besteden aan de verticale lijn, de bezieling. Eigenlijk is dat in het Westen nu ook het geval; er is behoefte aan vernieuwing, verjonging te midden van de brekende structuren waarop onze samenleving rust.

“Voor mij is de ontwikkeling van wijsheid een noodzaak en geen luxe.”

C: Als je institutionaliseert, wat gebeurt er dan met bezieling?
J: Dat wat formeel wordt verliest zijn bezieling, is mijn standpunt. Ook wordt er over bezieling in organisaties gepraat alsof het los kan staan van mensen. Zoals antropologen zeggen dat elke organisatie zijn eigen ziel heeft. Dat is in mijn ogen niets anders dan een mentale constructie ten behoeve van eigenbelang. De meeste organisaties zijn helemaal niet met bezieling bezig, het is een verzameling ego’s die uitsluitend met hun eigenbelang bezig zijn.

Als je niet wilt institutionaliseren dan is het verstandig om heel klein en flexibel te organiseren. Het punt is vooral dat zodra er een vorm is het over de vorm gaat en niet meer over de bezieling. In groepen die groter zijn dan 16 ontstaat er als vanzelf al meerdere lagen en dan ga je al richting institutionalisering.

Het grote probleem is dat we, als iets stroomt en bezield is, de sterke neiging bestaat dat toe te eigenen, alsof je het zelf gedaan hebt. Alsof de gedachten die we krijgen van ons zijn. We zouden er gewoon over moeten doen en er dankbaar voor dienen te blijven. Niet: “ik ga een bezielde organisatie maken”, want dan steek je het in je zak voor je begonnen bent en verhardt je meteen in structuren, vormen en procedures.

“Het gaat bij vele mensen in een organisatie om het opgebouwde recht iets te krijgen.”

C: Heb je daar een voorbeeld van?
 J: Ik heb samen met anderen een school opgezet, het ITIP, met echte bezieling. Met iedereen die daar als docent / trainer kwam werken heb ik de afspraak mee gemaakt dat ze over 3 tot 5 jaar weer weg zouden zijn. Dan hebben ze hun bezieling aan de organisatie gegeven, hebben ze er zelf van geleerd en groeien ze weer door naar hun volgende fase. Het is alweer decennia geleden en de meeste mensen zitten er nog steeds. Als mensen hun veiligheid gevonden hebben dan blijven ze toch. Dan gaat de boel vast zitten.

C: Moet iedereen dan ook bezield zijn?
J: Nee dat hoeft van mij helemaal niet, maar doe dan ook niet alsof.

C: Hoe zou je een bezielde organisatie of persoon beschrijven? Wat is dat?
 J: Het begint met het besef dat het Leven, met een grote l, iets mystieks is, iets on-voor-stel-baars. Dat besef dat wordt tijdens je leven alleen maar groter, niet kleiner. Dat is de grond van bezieling. Je geeft vorm aan die bezieling uit dankbaarheid. Dan blijft bezieling echt en vernieuwd zich steeds en ligt dus niet “op de plank”.

C: Hoe werkt dat voor organisaties?
J: Als organisaties al bezield zijn, dan zijn er vele niet bezield; er heerst meestal geen dankbaarheid, geen “ontvankelijkheid”; het gaat bij vele mensen in een organisatie om het opgebouwde recht iets te krijgen. Ik zie vandaag-de-dag niet meer goed hoe dat kan blijven functioneren, het is hopen dat het niet te erg wordt. Er is veel “uitval” in de vorm van “burn-out”, ziekte en verzuim. Ik kan ook steeds minder over organisaties zeggen, ik sta met lege handen te kijken. Wat ik nog te zeggen heb is: “jongens, hou het klein, wees voorzichtig, zorg dat je een kwalitatief hoog product hebt waar je van houdt en institutionaliseer zo min mogelijk.” Als bezield mens vind ik het verbijsterend dat mijn “droom-organisatie”, die we al kunnen omschrijven, er nog steeds niet is. De collectieve weerstand is heel erg groot en de maatschappelijke conditionering heeft de grens van de waanzin bereikt.

C: Hoe kunnen we dan verder?
 J: Jij moet bezield blijven en ik moet bezield blijven en we moeten kijken wie we ook weer bezield kunnen maken, één voor één. Zo klein, zoals we hier nu zitten, samen bezieling aanwakkeren. Bezielde organisaties bouwen moet je doen als je de kans krijgt om je ermee te bemoeien. Maar vanaf de jaren ’90 werkte het voor mij niet meer en ben ik het in steden gaan opzoeken; over biografie en identiteit van steden en de manier waarop binnensteden aangepakt moesten worden. Ik had daar soort aanleg voor en ik werd ontvangen. Hoe maak je een plein goed? Hoe leid je het verkeer? Wat zijn plekken die gevaarlijk zijn? Een oude vestingmuur, naast een station, wat moet je daarmee? Zo raakte ik de ziel van de stad en die van mijzelf. Ik heb mezelf er wel altijd heel alleen bij gevoeld. Ik kon niet met politici praten, ik begreep ze niet en dat was wederzijds.

C: Ja, dat herken ik. Hoe krijg je mensen mee in je eigen visie van bezieling, zonder ze iets op te leggen?
 J: Dat is een groot probleem. Soms werkt het gewoon en dan gebeurt het, je doet niet echt iets. Maar bezieling kan je niet afdwingen. Wat echt belangrijk is, is dat jij bezield bent. Je kan wel kijken naar mensen die ook bezieling brengen. Daar kan je dan goed mee praten. Maar de echte vraag is: “Hoe blijf ik zelf Levend?”

“Jij moet bezield blijven en ik moet bezield blijven en we moeten kijken wie we ook weer bezield kunnen maken, één voor één.”

C: Maar hoe breng je dat over op iemand anders?
 J: Dat gaat altijd op basis van een vraag. Als iemand me vraagt: kan je me over de I Tjing leren? of; kan je me helpen met mijn organisatie? Dan kan je beginnen. Geen vragen, geen antwoorden. Geen onderzoek, geen vernieuwing.

C: Waar put jij hoop uit?
J: Mensen die een vraag hebben en die onderzoek in hun eigen leven willen plegen; mensen die “open zijn”, die niet al een vaststaande mening hebben, die zichzelf serieus nemen, het niet weg relativeren. Iemand die niet “weg kijkt” en die de werkelijkheid die zich voor onze ogen afspeelt durft te zien, zonder lul verhalen. Zo iemand tegenkomen, dat geeft hoop.

Jij vraagt naar bezieling, daar ben ik decennia mee bezig geweest. Tegen jou zeg ik; blijf ermee bezig. Praat erover, betrek mensen. Zorg dat je levend blijft, wordt niet verbitterd, blijf uit de ideologie. Zoals jij al aangaf, de nieuwe generatie gaat veel meer zijn eigen weg en dat heeft zijn eigen nadelen, maar het is zeker ook hoopvol. Het geeft een stuk meer denkruimte dan werken op de zuid-as in Amsterdam, kan ik je vertellen.

Nou. Ik had je graag een gestructureerd verhaal verteld over bezieling, maar dit is mijn worsteling met het onderwerp. Verteld vanuit mijn leven.

C: Ikzelf zie er veel kansen voor en ben best hoopvol. Bezieling is veel belangrijker voor het kenniswerken van vandaag de dag en in de toekomst met de robotisering en basisinkomen gaan werk en loon ook verder uit elkaar staan. Dan dringt de vraag zich direct op: wat wil je dan? en dan is de bezieling er eigenlijk al.
J: daar ben ik het helemaal mee eens.