Waarom ik zes jaar op Skid Row gefotografeerd heb

Désirée van Hoek

Meestal zijn mensen gewoon nieuwsgierig, maar soms proef ik iets van een verwijt. ‘Waarom kom jij ­– een relatief rijke, blanke vrouw uit Amsterdam — elke zomer aan de andere kant van de planeet de armen en daklozen van Los Angeles fotograferen?’

Die achterdocht is best begrijpelijk. Waarom kom ik hier? Wat wil ik precies? En wat hebben de bewoners van Skid Row eraan? Het zijn vragen die ik mezelf ook stel. Wie in een buurt als Skid Row fotografeert, moet zich voortdurend afvragen waar zijn verantwoordelijkheden liggen.

Skid Row is een buurt in Downtown Los Angeles met zo’n 15.000 inwoners, voornamelijk Afro-Amerikanen. Ze verblijven in goedkope appartementjes, (christelijke) opvangcentra, uitgewoonde hotels, of gewoon op straat. De meesten hebben een verslaving, psychische problemen of een combinatie daarvan.

De buurt bestaat al ruim honderd jaar, maar is vooral de laatste maanden weer in het nieuws. Deze zomer leidde een filmpje waarop te zien was hoe de politie buurtbewoner Charly ‘Africa’ Keunang doodschoot, tot wereldwijde ofhef. Onlangs maakte burgemeester Eric Garcetti bekend dat hij 100 miljoen dollar beschikbaar stelt om de dakloosheid in buurten als Skid Row aan te pakken. En ook de razendsnelle veryupping van Downtown LA — die de grenzen van Skid Row bedreigt — zorgde voor krantenkoppen.

Ik ontdekte de buurt bij toeval in 2007. Op vakantie in Los Angeles passeerde ik elke dag een dakloze familie, die in een betonnen goot naast ons appartement woonde. Hun bezittingen bestonden uit een paar matrassen, goe dkope keukenspulletjes, en wat speelgoed. Op een dag woedde er een brandje en was het allemaal in een klap verdwenen. Het gezin stond er beteuterd bij, de buurt leek er niet rouwig om.

Vanaf dat moment zag ik ze overal in de stad: de provisorische ‘woningen’ van daklozen. In parken en tunnels, onder viaducten, langs de freeways, op verlate parkeerplaatsen of gewoon, midden in het zicht: op de stoep. Het waren er geen tientallen, geen honderden, maar tienduizenden, verspreid over de hele stad.

‘Wonen’ in de breedste zin van het woord was mijn onderwerp geworden sinds ik was overgestapt van mode- naar documentaire fotografie. Dus toen iemand me erop wees dat er een hele wijk bestond waar mensen op deze manier leefden, wist ik dat ik erheen moest.

Ik was niet de eerste fotograaf die op Skid Row aan het werk ging, maar eigenlijk was nog nooit iemand erin geslaagd om de buurt succesvol in beeld te brengen. De beroemde straatfotograaf Weegee deed ooit een poging, maar maakte zijn boek nooit af. Op internet vind je veel foto’s van de buurt, maar de meeste zijn genomen vanuit een auto of met een telelens.

Dat fotografen gewoonlijk afstand houden is niet voor niets: Skid Row kan een gevaarlijke plek zijn om te werken. Veel bewoners zijn niet dol op fotografen; sommigen zijn onvoorspelbaar en agressief.

Ook zelf ben ik soms flink bang geweest, maar meestal verliep alles rustig. Ik ging nooit alleen de straat op, maar altijd samen met buurtbewoners. Vaak was dat Kevin: een grote, vriendelijke voormalige advocaat die de buurt op zijn duimpje kende en wist hoe hij met de heethoofden moest omgaan.

Wat ook hielp was dat ik altijd om toestemming vroeg voor ik een foto maakte. Veel bewoners schamen zich begrijpelijkerwijs voor hun situatie, en dat respecteerde ik. Ook als het betekende dat ik een goede foto misliep.

Misschien is het mijn modeachtergrond, maar ik denk dat schoonheid vaak in de details zit. Vandaar dat ik inzoomde op de bezittingen van de bewoners. Ik fotografeerde hun winkelwagentjes, slaapzakken, tenten, kledingstukken, kartonnen dozen, toiletartikelen, en zelfs een perfect gerangschikt ‘ontbijt’ dat iemand op een dienblad had achtergelaten.

Pas toen de bewoners me begonnen te kennen, vroeg ik of ik portretten van ze mocht maken. Dat bleek niet makkelijk. De meesten wilden niet op de foto, anderen gingen stoer doen of de clown uithangen.

Toch was het juist dit menselijke contact dat maakte dat ik verliefd werd op Skid Row. Hoe langer ik er rondliep, hoe meer ik begon te houden van deze warme, vriendelijke gemeenschap, die er het beste van probeerde te maken. Als ik me eenzaam voelde, nam ik de bus naar Skid Row, waar ik altijd wel iemand vond om mee te praten.

Het werd zelfs nog gekker: tijdens donkere winterdagen in Amsterdam, betrapte ik mezelf erop dat ik verlangde naar het warme Skid Row. Daarom bleef ik teruggaan, jaar na jaar. Ik verdiepte me in de architectuur en geschiedenis, las over het Million Dollar Hotel en Crabby Joe’s, de stamkroeg van schrijver Charles Bukowski.

En toch — ook al voelde ik intussen allang geen toeschouwer meer — ging de vraag nooit helemaal weg: maakte ik geen misbruik van deze mensen? Was het wel oké om dit in een galerie of een boek te laten zien?

Aan de andere kant, was het niet ook juist heel belangrijk om het menselijke gezicht te tonen van een buurt die meestal negatief in het nieuws komt, en waar de meeste Angelino’s met een grote boog omheen rijden?

Op een dag besloot ik Kevin de kwestie voor te leggen. Die moest hartelijk lachen om mijn bevoogdende vraag. Net als iedereen op Skid Row probeerde ik een centje te verdienen, meende hij. Daar was niets verkeerds aan. Wat was mijn probleem?

Ik weet niet of ik zijn antwoord helemaal overtuigend vond. Maar ik was er blij mee, en ik heb tot nu toe geen beter gehoord.

Désirée van Hoeks fotoboek Skid Row — vormgegeven door Mevis en Van Deursen en met een inleiding van LA Times-journalist Gale Holland — is verkrijgbaar bij de betere boekhandel, of via www.desireevanhoek.com.