Een dubieuze redenering voor de verkieslijkheid van het goede in Augustinus’ verhandeling over de vrije wil

Augustinus, boek 1, On the Free Choice of the Will (~395 nC.).

Augustine: Well, is there any way you can avoid judging that the unhappy life schould be avoided?
 Evodius: No. That is exactly what I think should be done. 
 Augustine: But surely you do not think that a praiseworthy life should be avoided, do you?
 Evodius: If nothing else, it should be eagerly pursued.
 Augustine: Therefore, a praiseworthy life is not unhappy.
 Evodius: That does indeed follow. (1.13.28.94)

Wat gebeurt hier? Het lijkt erop dat de redenering als volgt verloopt. Het ongelukkige leven moet worden vermeden; maar het prijzenswaardige leven moet niet vermeden worden. Nu: als het ongelukkige leven vermeden moet worden, dan kan dit niet het prijzenswaardige leven zijn; want dat moest nu juist niet vermeden worden. Maar er is iets niet helemaal in de haak met deze redenering. Plato geeft vaak dit soort redeneringen, maar vaak lijkt hij zich bewust van hun zwakheid, hetgeen blijkt uit de zichzelf overschreeuwende instemmingen van de gesprekspartners. En het onvertwijfelde ‘That does indeed follow’ van Evodius, lijkt precies op zo’n reactie. Maar afgezien van stilistische overwegingen: wat betekent deze passage in de tekst?

Een centraal element in Augustinus’ verhandeling over de oorsprong van het kwaad, waaruit deze passage is gehaald, is het menselijk streven naar geluk. Iedereen wil geluk, dat is duidelijk. En iedereen heeft een vrije wil, hij kan het geluk willen en daarnaar handelen (1.12.26.86–88). — Maar niet iedereen wil het goede. Of preciezer: niet iedereen wil deugdzaam zijn. Vlak vóór deze passage legt Augustinus uit dat mensen met een goede wil, vanwege die wil, noodzakelijk ook deugdzaam zijn (1.13.27.89–90). Vlak ná de passage geeft hij aan hoe het kan dat niet iedereen gelukkig is, ondanks hun vermogen daar vrijwillig voor te kiezen (1.14.30.99–102). Hij onderscheid mensen die slechts geluk willen, en mensen die rechtvaardigheid willen, en daardoor gelukkig zijn. De hier behandelde passage kan als zodanig worden opgevat als de sleutel tussen beide beweringen. De eerste: mensen met een goede wil zijn deugdzaam. De tweede: mensen die deugdzaam willen zijn, zijn gelukkig. Het tweede volgt niet vanzelf uit het eerste, behalve door de redenering dat zowel deugdzaamheid als geluk na te jagen doelen zijn, zodat het niet zo kan zijn dat ze elkaar uitsluiten.

Maar erg overtuigend is het niet. Uit het feit dat het ene nastrevenswaardig is, en het andere niet, kun je niet met noodzakelijkheid afleiden dat ze verschillen van elkaar. Stel, bijvoorbeeld, dat ongeluk in dit tijdelijke leven een voorwaarde is voor eeuwig geluk, en dat de goede ziel dus voorlopig moet lijden, en het lijden voor hem dus, in zekere zin, nastrevenswaardig is. Zo’n mens kan Augustinus’ goede wil hebben, en dus volledig rechtvaardig zijn, maar voor hem is het niet wenselijk het ongeluk te vermijden: hij wil rechtvaardigheid en ongeluk; en alles dat hem hiervan weerhoudt is de geciteerde redenering over nastrevenswaardigheid. En het vervelende is: het tegenovergestelde wordt hierdoor ook mogelijk. De onrechtvaardige mens kan zeggen: ‘ja, jullie deugdzamen zijn misschien wel goed, maar ik ben tenminste gelukkig’. En dit kan nooit Augustinus’ bedoeling geweest zijn.

Like what you read? Give David van Loon a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.