Op Curaçao is voor eurocentrisme geen tijd of plaats

Over het algemeen probeer ik me niet te bemoeien met de gedrochten die het gros van de media in Nederland voort brengt. Als ik me druk zou moeten maken om de anti-intellectuele columns en artikelen die vrijwel dagelijks geplaatst worden door onze kranten zou ik hier een voltijd baan aan over houden. Nederlandse media zijn, in de woorden van één van mijn favorite twitteraars @disruptia, een #IntellectualWasteland. Een plek waar het publieke debat graag nogmaals haar vraagtekens zet bij seksisme of racisme, want wie is Judith Butler of Frantz Fanon eigenlijk? En waarom zou je een debat voeren op de fundering van decennia aan intellectuele ontwikkeling, als je ook gewoon je eigen mening kunt publiceren.

Maar vandaag is er een column gepubliceerd op de Correspondent[1], wat op zo veel manieren de plank mis slaat, dat het vraagt om een reactie. Sarah Sluimer, de kersverse correspondent seksisme[2] publiceerde de column “Op Curaçao is voor twijfelfeminisme geen tijd of plaats”.

Nu is het belangrijk om te weten dat Sarah Sluimer deze column baseert op maar liefst drie maanden ervaring op Curaçao, waarin ze duidelijk aangeeft dat het voor haar moeilijk was om met de lokale bevolking in contact te komen. Waarop zij haar expertise met betrekking tot het feminisme op Curaçao baseert is dus vanaf het begin volledig onduidelijk.

Wat nog belangrijker is dat — naast een zeer beperkte kennis van het land, de bevolking en het feminisme in het Caribisch gebied — de column barst van de vooroordelen en generalisaties over een land wat onderdeel is van het Nederlands Koninkrijk en wat systematisch onderbelicht wordt door de Nederlandse media. De NTR heeft het Caribisch Netwerk, waar dagelijks nieuws uitgebracht wordt over de voormalige Nederlandse Antillen, maar grote landelijke kranten besteden vrijwel nooit meer dan een kolom aan nieuws uit Aruba, Bonaire, Curaçao, St. Maarten, Saba of St. Eustatius. Dit staat in schril contrast met de Nederlandstalige kranten op de eilanden, die vaak 2 tot 4 pagina’s per dag besteden aan Nederlands nieuws. Als ik nieuws tegen kom via bekende media in Nederland over het eiland waar mijn vader opgegroeid is ben ik dus altijd benieuwd.

Sluimer start haar column met een tegenstelling tussen de twee groepen die zij waarneemt op het eiland: de Hollanders (of zoals wij ze noemen, de Makamba’s) die nog steeds denken dat ze op de Nederlandse Antillen zijn, en de lokale bevolking die het binnen drie zinnen mag bekoren met een positie die op niks anders uitkomt dan ‘armoedig’ en ‘uitzichtloos’. Ze gaat verder met het constateren van sociaal-economische problemen op het eiland en treed hiermee direct in de voetsporen van de politici in Den Haag die maar al te graag wijzen op de “problemen” in het Caribisch gebied maar die vlug hun ogen en oren sluiten als we het willen hebben over de herkomst van dergelijke problemen: het kolonialisme.

Ik hoor de Hollandse scepticus vanaf mijn bureau in New York zuchten: gaan we weer, het is altijd kolonialisme dit en kolonialisme dat. Maar geef mij alstublieft de ruimte om u erop te wijzen dat die ‘raffinaderij’ die in de derde alinea genoemd wordt als één van de grootste symbolen van de problemen op Curaçao, in 1985 verkocht is door de Shell. Dat is slechts 30 jaar geleden, en de uitbuiting van de grondstoffen en vervuiling van de omgeving die is aangericht door de Royal Dutch Shell, heeft een directe impact op de huidige socio-economische ontwikkelingen van het land[3].

Ook in de rest van de column ontkomt Curaçao, en vooral de Curaçaoënaar, de stereotypering niet. De vrouwen met lange nagels, de mannen die kinderen voortbrengen maar geen vaderrol aannemen, we heard it all before Sarah… Menig socioloog en antropoloog is naar Curaçao gertrokken om allerlei conclusies te verbinden aan “de Curaçaoënaar” gebaseerd op dit soort oppervlakkige observaties, en ik heb maar één verzoek aan al deze mensen: blijf alsjeblieft thuis.

Ik waag me nu op ingewikkeld terrein, want ik wil deze observaties graag bekritiseren als anti-feministisch, maar het wordt aan het einde van de column ook duidelijk dat het in de ogen van de correspondent seksisme(!) vervelend is dat feministen onderling iets te zeggen hebben over feminisme. Ik wil graag niet te lang stil staan bij wat het betekent als een correspondent seksisme het feministische debat schuwt, maar voor de meeste feministen is dit debat juist de kern van wat we doen: we bekritiseren onze beweging in de zelf-reflectieve houding die we in alle lagen van het sociale, politieke en culturele domein bepleiten.

Zo is in de ogen van Sarah Sluimer Nederland een voorloper op Curaçao als het gaat om feminisme, bij ons is immers “in de tweede generatie arbeidsongelijkheid al aangekaart”. Dat Nederland consequent zakt in de ranglijst voor gender gelijkheid, slechts 10% van de topfuncties in Nederland bekleed worden door een vrouw (en we hiermee de 1-na slechtste ranking hebben van alle rijke landen in de wereld!) en dat er nog steeds een loonkloof bestaat tussen mannen en vrouwen in Nederland, wordt in deze vergelijking niet meegenomen. Als vervolgens ook beargumenteerd wordt dat er in de Randstad gelijkwaardig ouderschap beoefend wordt, vraag ik me af over welke Randstad dit gaat. Aangezien dit zeker niet kan gaan over de Randstad waar ik zelf in opgroeide. Belangrijker nog: terwijl in Nederland de ‘tweede golf’ aanbrak, impliceert de column dat feminisme op dit moment niet bestond op Curaçao, een uitspraak die ook niet onderbouwd kan worden.

Deze eenzijdige visie van de ontwikkeling van feminisme op een globale schaal, legt ook een veronderstelling bloot die nog veel dieper indruist tegen feministische idealen: het zet de ‘ander’ weg als ‘simpel’ en ‘onderontwikkeld’. Dit terwijl een dergelijke hiërarchie tussen de ‘Ik’ en de ‘Ander’ juist précies is wat al die decennia aan feministische en postkoloniale theorie probeert te bekritiseren. En dit maakt het des te schrijnender dat dit artikel voortkomt uit de pen van de correspondent seksisme. Tegenover de complexe seksualiteit van vrouwen in Nederland, zet zij de “eenduidige” seksualiteit van Caribische vrouwen. Alsof de Caribische vrouw niet minstens zo multidimensionaal is als de Nederlandse.

Naast de seksualiteit, kan ook de ambitie van de Curaçaoënaar niet ontkomen aan de hiërarchie tussen ‘Hier’ en ‘Daar’. Ambitie in Curaçao rijkt volgens de column namelijk niet verder dan de grenzen van het eiland. Naast de oneindige vraagtekens die ik heb over de feiten waarop deze uitspraak gebaseerd is, vraag ik me ook af waarom de ambities van de Curaçaoënaar niet gelijkwaardig zijn aan Nederlandse ambities als zij zich richten op het eigen land. Het is toch zeker niet de Nederlandse ambitie die voor globale verandering of gelijkheid zorgt.

En terwijl deze generalisatie van de cultuur en het gedrag van de Curaçaoënaar zo uit het partijprogramma van de VVD zouden kunnen komen, is het vooral de Curaçaose vrouw zelf die afwezig is gemaakt in deze column over feminisme op Curaçao. Buiten een afspiegeling als moeder die vooral veel met haar “kont zwaait”, is er geen ander soort vrouw in de column aanwezig. Na het lezen van de column, zou je niet denken dat Curaçao een rijke feministische traditie kent. Denk bijvoorbeeld aan feministisch schrijfster, academica en activiste Joceline Clemencia die het cruciale werk Mundu yama sinta mira: womanhood in Curaçao gepubliceerd heeft. Maar denk in Nederland ook aan prof. Gloria Wekker, één van de meest bekende en vooruitstrevende feministische denkers die ons land voortgebracht heeft, en die eveneens belangrijke feministische analyses heeft gemaakt vanuit een Caribisch perspectief. Door deze toevoegingen aan het feministische gedachtegoed constant links te laten liggen, blijft het westen zichzelf centraal stellen in vrouwenemancipatie en derhalve zichzelf profileren als meer vooruitstrevend, meer progressief, complexer en verder ontwikkeld.

Het superioriteitsgevoel wat naar voren komt uit deze uitspraken wordt in de laatste alinea’s nog even flink aangedikt. Na een betoog tegen de complexiteit van feminisme in Nederland, stelt Sluimer dat Curaçaoënaars “zich die ingewikkeldheden niet [kunnen] veroorloven”. Op deze manier zet zij Curaçao nog een laatste keer weg als een één-dimensionaal ontwikkelingsproject. Het zijn uitspraken die veel vaker voorkomen in de Tweede Kamer, in academisch werk en in kranten, en die samen de stereotypering van de ‘Antilliaan’ vormen. Maar als het feminisme zich niet verzet tegen deze negatieve stereotypering van de positie van de Curaçaose vrouw in de Caribische samenleving, wat betekent het dan om je te uiten als feminist?

[1] Dezelfde website die vorig jaar opeens geïnteresseerd was om een ‘diverser’ platform te worden maar waar nog steeds geen zwarte mensen werken (als dit niet klopt hoor ik het graag).

[2] Overigens ook de persoon die onlangs de bewustzijn-campagne voor seksueel geweld, gevoerd onder de hashtag #ZegHet in twijfel trok, om vervolgens deze hashtag te gebruiken voor een reeks boekbesprekingen (die niks met seksuele intimidatie te maken had) die door haar georganiseerd werd — zonder hierbij de initiatiefnemers (Anke Laterveer, Stella Bergsma en Anousha Nzume) te vernoemen.

[3] Als u meer wilt weten over de desastreuze gevolgen van deze verkoop, en over de situatie die Shell achtergelaten heeft op Curacao, dan raad ik u aan de Zembla documentaire “Stikken in het paradijs” (te vinden op uitzending gemist) te kijken.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.