
Het lot van iemand die columnist wil worden ….
Is het schrijven van een column moeilijk? Die vraag stelde ik me toen ik in de weekendkrant de nodige stukjes tot me had genomen. Maar ook op doordeweekse dagen was ik tot voor kort een trouwe afnemer van menige columnist.
In praatprogramma’s is het bon ton om te zeggen dat je columnist bent bij de Volkskrant of de NRC. Het geeft je, hoe je het wendt of keert, een bepaalde status. Ik vroeg me ook af waarom mensen zich columnist noemen. Als je het goed bekijkt is een columnist een persoon die al schrijvend een ‘kolom’ vult in de krant. Elke columnist zou zich dus stukjesschrijver moeten noemen. Dat vind ik tenminste een titel, een geuzennaam waar je trots op kunt zijn. Je bent toch een soort cowboy, een outlaw, iemand die vogelvrij verklaard is en die een stukje schrijft in de krant en die aanklaagt, de vinger op de zere plek legt, zoiets.
Ik pijnigde mijn hersens om erachter te komen hoe je nou stukjesschrijver wordt bij een krant. De meeste stukjes overstijgen het niveau niet van een puber die zijn eigen opstel schromelijk overschat en bij de leraar zeurt om een hoger cijfer. Want hij heeft toch echt een wereldroman in pocketformaat geschreven!
Men schrijft in de krant over de kat, de hond of over de kinderen. Van een oude rot in het vak heb ik het volgende geleerd: zodra je over deze drie onderwerpen schrijft, dan heb je een chronisch gebrek aan ideeën, zeg maar een groot gebrek aan inspiratie. Een uitgedroogde bron waaruit alleen nog wat gereutel naar boven welt over kattenbakken, hondendrollen en luiers.
Het aantal zogenaamde Bekende Nederlanders ( alleen bekend van tv en alles wat daaruit voort vloeit) dat dagelijks, wekelijks of maandelijks de kolommen vult van kranten en tijdschriften ligt schrikbarend hoog. Te vaak denk ik: dat kan ik veel beter. Maar hoe pak je dat aan? Hoe verdring je nou een BN’er van wie je vindt dat hij of zij er structureel niets van bakt?
Okay, in het verleden heb ik voor enkele tijdschriften kwaliteitsstukken afgeleverd over tal van onderwerpen. Maar dat is alweer een tijdje geleden. Tegenwoordig echter moeten de stukjes in de krant gemakkelijke, hapklare brokjes zijn. Lekker gemakkelijk bij de thee ‘s morgens. Na vijf minuten ben je vergeten waarover het ging.
Na lang zelfonderzoek kom ik tot de conclusie dat ik maar eens een flink aantal stukjes schrijf en die opstuur naar enkele kranten. En als het dan uiteindelijk niets wordt, dan rest nog maar één troost: vergeet je ego om stukjesschrijver te worden en accepteer dat veel kranten de lat niet hoog leggen en denken dat lezers alleen maar gemakzucht, dus pulp, willen lezen. Misschien moet ik er eens over nadenken om een eigen wijkkrantje te beginnen ……
Henk Kooy