Jan en Barbara zijn de meest excentrieke vissers van de Waddenzee

Ik ken veel saaie mensen, maar Jan en Barbara horen daar niet bij. Jan en Barbara Geertsema zijn vissers en leven het leven van rock- en rollsterren, inclusief de uitputting die daarbij hoort. Ik ging met ze mee vissen, reed vervolgens met ze in een camper naar Italië, en hoe vaker ik met ze aan tafel zat te eten, hoe beter ik ze begreep.

Het is maandag, vroeg in de ochtend en buiten begint het langzaam licht te worden. Samen met twee vrienden ga ik een paar dagen vissen op de Waddenzee, met ‘Goede Vissers’ Jan en Barbara. Ik heb een tas vol warme kleren bij me, want ook al is het zomer, op zee is het altijd kouder.

Jan heeft een kop als een stripfiguur. Hij is ergens in de veertig, maar ziet er ouder uit. Op het station kost het even moeite om hem te vinden, want hij is zijn mobiel vergeten. Gelukkig is zijn koelwagen — een busje met een sticker van een koeienkop plus Nederlandse vlag erop — erg herkenbaar. Ik gooi mijn te dure jas in de naar vis stinkende koelruimte, en samen met mijn vrienden kruip ik op de te kleine voorbank.

Jan en Barbara leerde ik voor het eerst kennen in hun restaurant in Lauwersoog, ’t Ailand. Ze maken deel uit van een groep vissers die zichzelf Goede Vissers noemt, en dat betekent zo duurzaam mogelijk vissen, maar ook in de visserij is het onduidelijk wat dat precies inhoudt: “ Zelfs met dynamiet kan je duurzaam vissen,” zegt Jan.

Nadat we Jans telefoon op de ADM-werf in Amsterdam — straks meer over deze plek — hebben opgepikt, rijden we door naar Den Oever, van waaruit de Waddenzee makkelijk te bereiken is. In de haven ligt de TS 31 Internos, een binnenvaartschip uit 1927 dat Barbara zestien jaar geleden heeft gekocht. Er moet aardig wat aan het onderhoud gebeuren, en als wederdienst voor het meevaren mogen wij dat doen. Ik slaap in het vooronder, een ruimte helemaal voor in het schip, en passeer in het ruim onder andere een geparkeerde bakbrommer. We varen wat later uit dan gedacht, maar zo gaat dat vaker bij Jan en Barbara: het is allemaal niet zo heel strak gepland. Jan koopt vlak voor we wegvaren nog even zijn favoriete grillworst bij de slager.

Eenmaal een eind de Waddenzee op laten gaan Jan en Barbara met de TS 31 voor anker, en gaan we vissen. Met een joggingbroek aan schiet ik in een waadpak (zo’n grote, groene, rubberen tuinbroek), en in een vlaag van verstandsverbijstering lijkt het me een topidee om ook mijn telefoon mee te nemen om wat foto’s te kunnen maken.

Jan en Barbara vissen niet met dynamiet, maar met staand want, een soort zonneschermen-net wat we laten zakken vanuit de rubberboot waar we in zitten. Jan ziet harder — een soort rondvis — zwemmen, en vanaf de andere kant jagen we lopend door het water de vissen het net in. Het water komt al bijna tot mijn borst, en langzaam maar zeker begint het onder het waadpak een beetje vochtig te worden, dus zet ik mijn telefoon maar uit. Wanneer we weer terug bij de rubberboot komen, halen we het net binnen, wat ontzettend zwaar werk is. Het net zit namelijk vol met zeewier en met krabbetjes die het net in elkaar draaien. Er zitten niet veel harders in, maar het is moeilijk om de voor hun leven vechtende vissen uit het net te krijgen. Ook hebben we per ongeluk zeebaars gevangen, een vis met stekels die pijn doen.

Terug op de boot gooien we de harders in het ijs — vis moet besterven — en maken voor onszelf andijviestamppot met stoofvlees. Barbara vindt mijn gerecht te zout, ze zegt dat ze daarvan al genoeg binnenkrijgt op zee, en daarom zout ze de vis die ze eet nooit. Na het eten rookt Jan een jointje, en Barbara drinkt koffie. Ik kijk op mijn telefoon, en zie waterdruppels achter mijn scherm; een paar uur later doet-ie niks meer.

Tussen het vissen door spuit Jan de netten schoon. Nog steeds zwaar werk, want de netten zitten nog steeds vol met zeewier. Ondertussen vaart Barbara de boot naar de volgende stek, terwijl ze ondertussen op haar laptop werkt aan beleidsadviezen en brieven naar de regering, NGO’s en stichtingen die iets met de Waddenzee te maken hebben. Als we op donderdag de vis aanlanden op Lauwersoog, rijdt Jan gelijk door naar de Randstad, waar hij op vrijdag en zaterdag op Boerenmarkten staat — waaronder op de Noordermarkt in Amsterdam. Barbara runt van vrijdag tot zondag hun eigen visrestaurant op Lauwersoog. Dit restaurant willen ze uitbreiden met een fileerlokaal — waar momenteel een crowdfundingactie voor loopt — om nog meer mensen iets te kunnen leren over vis. Van de 24 uur die een etmaal heeft, werken ze er ongeveer 18 denk ik.

Een paar maanden na het vistripje reis ik met Jan en Barbara naar Turijn, waar een grote Slow Food-conferentie wordt gehouden: Terra Madre. Op het festival genieten de bezoekers van hun zelfgeplukte Wadden-oesters, en van hoe het stel erbij loopt: Jan gaat gekleed in een lange leren broek met vlammen op de zijkant, hoge laarzen en een schort, en Barbara kleedt zich bij bijzondere gelegenheden als dit altijd in haar zeemeerminnenpak — iets wat je moet zien om het te kunnen waarderen.

Als Terra Madre afgelopen is, struinen ze de hele hal af — alles wat de standhouders niet meenemen, gaat in de camper mee naar Lauwersoog. We rijden terug en de camper is veel te zwaar beladen en zwalkt over de weg — toch stoppen we onderweg nog even in Duitsland om een paar dozen wijn op te pikken.

En al die spullen kom ik weer tegen als ik bij ze ga eten op de ADM-werf: tamarindesap, biertjes uit Zweden, en allerlei andere dingen die ik herken uit Turijn. De ADM-werf — ADM staat tegenwoordig voor Amsterdamse Doe Maatschappij — heette vroeger de Amsterdamse Droogdokmaatschappij, en Jan en Barbara houden er zo nu en dan restaurant. Niet alleen hippies schuiven aan, ook prominenten uit de food-wereld zitten wel eens aan tafel: sterrenkok Joris Bijdendijk bijvoorbeeld, of worstenmaker Samuel Levie.

Sinds de ADM gekraakt is, zo’n zeventien jaar geleden, twee jaar voor Jan en Barbara elkaar leerden kennen, is het een vrijplaats. Er komen is een beetje eng: je rijdt eerst door een soort woonwagenkamp met mensen die door de ADM’ers “de mensen van buiten het hek” worden genoemd –illegalen die op dit stukje niemandsland gedoogd worden. Eenmaal bij het hek kom je binnen door het slot met een geheime cijfercode te openen. Op de ADM-werf wonen mensen die dingen willen bouwen, of die gewoon willen leven zoals het ze zint. Precies: een perfecte plek voor mensen als Jan en Barbara. De vissers overwinteren hier samen met hun boot en worden hier geholpen met het onderhoud aan de boot. Ook valt er in de winter weinig te vissen.

Op de avond dat ik kom eten, is het een menu van stoofpot van zeekat, langoustines, oesters, kabeljauw, rode poon, kokkels en mosselen — allemaal over van wat Jan op vrijdag en zaterdag op de markt heeft verkocht, en wat op zondag in t’Ailand niet is opgegaan. Ik gok dat ik in een normaal restaurant toch wel een euro of 75 neer zou moeten tellen voor wat ik hier eet, maar hier kost het maar 7,50. Ik eet het beste van het beste, op een plek waar je het niet meteen verwacht. Alles om verspilling tegen te gaan, want vis weggooien vinden ze het ergste wat er is.

“Leven in vrijheid is het moeilijkste wat er is”, zegt Jan terwijl hij na het eten een shagje opsteekt.

Die zin komt echt recht uit zijn hart. Als ik terugrijd naar de bewoonde wereld denk ik er nog even over na. Het combineren van linkse, anarchistische idealen met ondernemerschap wat Jan en Barbara doen, is uniek en iets wat ik bewonder. Mijn leven in de bewoonde wereld lijkt ineens vrij normaal — en zorgeloos, vooral.

Niet iedereen kan zomaar bij Jan en Barbara aanschuiven op de ADM-werf, maar bij hun restaurant ‘t Ailand in Lauwersoog kan het ieder weekend. De crowdfundingactie voor een fileerlokaal naast ‘t Ailand kun je hier ondersteunen.


Originally published at munchies.vice.com.

Like what you read? Give Wilbert/Wilpret van de Kamp a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.