Week 2
Aristoteles zijn belangrijkste redenering voor de natuurlijkheid van de staat is dat het een einde is van een traject wat op natuurlijke wijze ontstaat. Omdat al het potentieel voor ontwikkeling altijd al in de kiem zit is de staat niet alleen het einde, maar ook het begin, zo beargumenteerd hij. Het gezin is niet alleen de basis van de staat, maar de staat is ook de basis van het gezin.
“The proof that the state is a creation of nature and prior to the individual is that the individual, when isolated, is not self-sufficing; and therefore he is like a part in relation to the whole. But he who is unable to live in society, or who has no need because he is sufficient for himself, must be either a beast or a god: he is no part of a state.”
Wanneer we kijken naar dit citaat en de rest van de tekst “Politics” wordt het niet alleen duidelijk dat Aristoteles de staat als natuurlijk beschouwd, maar ook dat hij de mens van nature een politiek wezen vindt. Een mens wat geen waarde hecht aan dit groepsverband is onnatuurlijk, en is geen mens, is hij van mening.
De mens is gecreëerd in het gezin met een duidelijke structuur geleid door een heerser, ouder en echtgenoot. Deze structuur is niet alleen op aarde relevant, zelfs de Goden hebben een soort-gelijke familie-structuur.
Wanneer deze structuur zo universeel is en constant doorgetrokken wordt, en zowel het einde als het begin lijkt te vormen, ben ik erg benieuwd of Aristoteles de mens als slaven of kinderen van de Goden zou zien binnen deze structuur.
Bij zijn verhaal over het lichaam en de ziel wat hij gebruikt om slavernij te verantwoorden, is het vrij makkelijk om onszelf af te vragen of wij als mensen niet deze verhouding tot de Goden hebben: fysieke middelen om de visie van het onzichtbare heersende tot realiteit te maken. Dit is zowel beter voor ons als voor hen, omdat wij door de Goden te dienen eerder onze potentie waarmaken dan wanneer wij zelf alles moesten bepalen.