Week 7

“The real world has its limits; the imaginary world is infinite. Unable to enlarge the one, let us restrict the other, for it is from the difference between the two alone that are born all the pains which make us truly unhappy.”

Ik ben vooral een grote fan van Rousseau omdat hij afwijkt van de daarvoor zo populaire notie van het lichaam als een gevangenis voor de ziel in negatieve zin. Het lichaam behoort tot de realiteit, en deze is misschien beperkend, maar het is vooral het niet erkennen van deze beperking die tot ongeluk lijdt. Het lichaam en zijn plaats in de natuurlijke wereld zouden juist ons kompas moeten zijn, we moeten ze gebruiken om binnen onze limieten onze plaats in het universum te vinden.

Enkel wanneer we onze lichamelijke beperkingen niet accepteren en meer dan ons vlees willen zijn worden we ongelukkig. Ook kwaad komt hier vandaan: hoe slechter het lichaam functioneerd, en hoe zwakker het is, hoe groter de kloof is tussen de realiteit en onze wensen. Zwakte maakt ons daarom gemeen, dat is waarom kinderen die nog net rationeel naar hun limieten kunnen kijken zo gemeen lijken:

“All wickedness comes from weakness. The child is wicked only because he is weak. Make him strong; he will be good. He who could do everything would never do harm.”

Hoewel Rousseau nooit expliciet het lichaam vereert, kan zijn tekst wel gebruikt worden om te onderbouwen hoe het onze realiteit en geluk bepaald. Hoe verder onze ambities van ons kunnen vandaan liggen, hoe meer we afwijken van de natuur en hoe ongelukkiger en kwader wij zijn.

In tegenstelling tot Rousseau vindt ik dat we niet alleen gelukkig en goed kunnen zijn door onze imaginaire wereld te beperken, maar ook door onze natuurlijke wereld te vergroten: door ons lichaam te optimaliseren met sport en voeding, om zo dichterbij onze visie van onszelf en het natuurlijke potentieel te komen.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.