papier, potlood en gummetje

Op de vooravond van zijn officiële benoeming tot Componist des Vaderlands, een splinternieuwe functie in de Nederlandse cultuur, spreekt Buma Cultuur Magazine met Willem Jeths (Amersfoort, 1 augustus 1959), componist, musicoloog en hoofdvakdocent compositie aan het Conservatorium van Amsterdam.

© Jaïr Tchong (eerder verschenen in Buma Stemra Magazine, winter 2015)

We doen de Spotifytest. Is zijn muziek aanwezig op het voor luisteraars onder de 30 belangrijkste muziekplatform? Ja, van Willem Jeths staat de cd Bella Figura, uitgebracht door NorthWest Classics in 2002, op Spotify. Slechts vier stukken van rond de vijftien minuten, maar dit geeft al een aardige, eerste indruk van ’s mans compositorische stijl. Onde: krachtige ‘vamps’ van blazers doen in de verte denken aan Louis Andriessens De Staat, maar de ritmiek swingt veel meer dan zij stoot (zoals bij Andriessen), en de dynamische diepte brengt eerder Stravinsky dan Andriessen in herinnering. Bella Figura: serene, diepe strijkerspartij zet de toon voor een mystiek-ijle exercitie die de luisteraar op scherp stelt. Tim/Ba: een hamerend metaalgeluid culminerend in brekend glas vormt de opmaat tot een stuk waarin de werken van Reich voor marimba in herinnering komen. Tegelijkertijd verraadt de spankracht van de harmonische ontwikkeling een klassiek georiënteerde vormgeving. Chiasmos: een Aziatisch uiterlijk met gamelanachtige associaties, gezegend met een dwars, humeurig, en daardoor fascinerende binnenwereld.

Wat deze vier stukken gemeen hebben is een ongekende helderheid in het overbrengen van de emotie. Hedendaags klassiek in de diepste zin des woords, dus zonder terug te vallen op de taal van de popmuziek, seriële ondoordringbaarheid of postmoderne verwarring. Deze werken, net als het overdonderende stuk Glenz (zie kader) stellen eisen aan de luisteraar zonder deze te willen smoren in erudiete citeerdrift, actuele muziek die gehoord wil worden, nieuwe wegen zoekt, maar de emotie niet schuwt. Een gepaster kandidaat voor de nieuwe functie Componist des Vaderlands is er kortom niet — zeker omdat Willem Jeths in woord, gebaar en arbeid als hoofdvakdocent compositie permanent bezig is met nieuwe noten naar een nieuw publiek te brengen. Zonder ponteneur, maar met de innerlijke gedrevenheid en klare taal die je van een componist des vaderlands mag verwachten. Na Amsterdam, waar hij onlangs nog werd gelauwerd met de Amsterdam Prijs voor de Kunst, volgt nu Nederland.

We ontmoeten Jeths in zijn bovenwoning in het hart van het drukste district van Amsterdam. Niks geen pastorale omgeving, ver vanaf het rumoer: vanuit zijn voorkamer kijkt Jeths uit op hordes toeristen op zoek naar vertier. In contrapunt met het uitzicht is het hele huis ingericht met smaakvol antiek. Als ik hem op de voor een toondichter toch wat opmerkelijke centrumlokatie van zijn huis wijs blijkt er wel een Italiaans verblijf te zijn, waar hij ook componeert. “Maar het is heerlijk hier, met vrienden hier met de deuren open naar het rumoer beneden kijken.”

We vallen met de deur in huis: gefeliciteerd met uw benoeming als Componist des Vaderlands! Wat gaat u doen met deze nieuwe functie?

“De functie wil ik vooral benutten voor een pleidooi voor de moderne Nederlandse gecomponeerde muziek. Nederlands componeren heeft op dit moment helemaal geen gezicht. Veel orkesten zijn opgeven of gefuseerd, veel ensembles zijn opgeheven. Een componist des vaderlands moet daarvoor opkomen. Onderwijs is de basis voor alles, maar het Nederlands muziekonderwijs is zó slecht geworden, dat als we niet oppassen niemand meer een referentie heeft bij wat klassieke muziek is en kan zijn. De jongste generatie componisten leidt ik zelf op in Amsterdam en ik merk dat ze geen poot meer aan de grond krijgen. Toen ik afstudeerde had je nog het Fonds voor de Scheppende Toonkunst, bij gebleken talent kon je direct aan de gang. Nu moet je maar geluk hebben met musici die het uit willen voeren.”

“Gelukkig heeft minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker net samen met Joop van den Ende 50 miljoen euro vrijgemaakt voor muziek in het basisonderwijs. Initiatieven zoals het Leerorkest, inmiddels zijn er 38, vind ik ook heel bemoedigend. Naast onderwijs wil ik gaan strijden voor het onder de aandacht brengen van ons muzikale erfgoed: Tristan Keuris, Hans Kox, Matthijs Vermeulen, Alphons Diepenbrock — om er maar een paar te noemen. Zenuwachtig over de tijdsdruk van de functie? Nee, het hoort bij de taak. Net als kranten een necrologie archief hebben kan ik natuurlijk wel putten uit een reservoir van ideeën, aanzetten. Of ik problemen verwacht met het componeren naar aanleiding van nationale gebeurtenissen? Nu ja, noten hebben wel een betekenis, maar nooit zo direct als taal. Bij rampen kan ik me wel muziek voorstellen die troost kan bieden. Daarin kan je als componist des vaderlands voorzien.”

Een bekende analyse rondom de teloorgang van de populariteit van hedendaags klassiek is dat zij in academische afzondering te complex werd. Melodie en harmonie werden door generaties componisten als verdacht bestempeld, intellectuele compositieprincipes heilig geacht. Waar staan we nu?

“Tijdens het modernisme keerde men zich af van het symfonisch orkest, dat men zag als een bourgeois monster, een tonaal, Romantisch vehikel. De hele instrumentsamenstelling heeft te maken met tonaliteit. Dat componisten dit niet meer zagen zitten is heel begrijpelijk. Maar de tijdgeest is veranderd, dit is in zekere zin een tijd van restauratie in de goede zin des woords. Verworvenheden uit de hele muziekgeschiedenis liggen nu met het modernisme en postmodernisme naast elkaar. Als hedendaags componist moet je de juiste keus maken. Er is geen enkelvoudige canon meer, of een hedendaagse muziekpolitie die constant op de loer ligt. In de muziekjournalistiek zijn er geen grote polemieken meer, wat overigens ook een beetje saai is. Tegelijkertijd is onder jongere generaties een enorme drang om het allemaal zelf te organiseren: zo’n initiatief als Splendor (een presentatieplek voor nieuwe muziek, geheel georganiseerd door componisten en musici zelf, in Amsterdam — JT) komt geheel vanuit de muziek zélf op, niet vanuit een van bovenaf opgelegde structuur.”

Hoe zou u uw eigen compositorische stijl positioneren?

“De Haagse school, lange tijd dé gezichtsbepalende stroming binnen de Nederlandse noten, koesterde een expressieve zuinigheid, een economische manier van uitdrukking, die misschien wel onbewust door het Calvinisme werd gevoed. Vooral net als Mondriaan strakke dingen tegen elkaar zetten. Een typisch Noordelijk denken, wars van piëtisme, want dat noemen we hier al snel een overdreven religiositeit. Overzicht, helderheid, maar ook: open minded. Typerend wat dit betreft is dat een echte operacultuur in Nederland pas sinds de opening van het Muziektheater in Amsterdam is onstaan — dat is rijkelijk laat! Ik ben veel mediteraner, latijnser, ik hou wel van warmbloedigheid. Guus Janssen heeft dit trouwens ook. Keuris en Kox, bij wie ik studeerde, doen ook veel meer vanuit weelderigheid.”

Welke software gebruikt u bij het componeren?

De componist des vaderlands begint innemend te lachen: “Papier, potlood en gummetje! Componeren met een computer klinkt te snel goed, als je dan uiteindelijk het orkest hoort, hoor je ineens dat bijvoorbeeld een fluit in een bepaald register helemaal niet goed klinkt. Aan mijn studenten vraag ik ook altijd om eens te componeren met potlood. Het schrijven aan de piano is veel leuker, dat is veel meer een alchemie.”

Schrijven voor symfonisch orkest moet een — gezien de last van de grootheden uit de muziekgeschiedenis — psychologisch gezien onalledaagse onderneming zijn. Wat heeft u hierbij het meeste geholpen?

“Hoewel ik vanaf het begin van mijn carrière geen gebrek aan erkenning heb gehad, voel ik mij eigenlijk nu pas gewaardeerd en in tune met de tijdgeest. Als student wilde ik niet serieel componeren, maar iedere kunstenaar streeft naar erkenning. Ik ging door, omdat ik al snel werd gezien door invloedrijke mensen, zoals Jan Zekveld, de toenmalige programmeur van de Zaterdagmatinee. Maar ook buitenlandse erkenning in de vorm van opdrachten van Kronos Quartet brachten me op de goede weg. In Wenen won ik een compositieprijs met Ligeti en Berio in de jury — dat gaf me het vertrouwen door te gaan op mijn eigen weg. Bij het schrijven voor symfonie orkest kijkt natuurlijk de muziekgeschiedenis over mijn schouders mee. Maar ik laat me niet meer imponeren. Ik maak wat ik mooi vind.”

Hoe acht u de kansen voor jonge, nog studerende componisten?

“Met mijn Amsterdamse collega’s, we zijn met drie hoofddocenten, probeer ik juist te kijken wat de student aanbiedt, in plaats van hem of haar iets opleggen. De student staat centraal met zijn talent. Wat heel verfrissend is: alles ligt klaar voor jonge componisten, niet zo apodictisch meer. Dat dogmatische denken van vroeger is echt helemaal verdwenen. Jonge componisten willen in collectieven werken, met dansers, schrijvers, filmmakers — met z’n allen zoeken ze naar de essentie. Chinese en Japanse studenten komen naar het Conservatorium van Amsterdam, vooral voor de aloude, enkelvoudige canon. Maar dat zorgt voor een heel interessant fenomeen: juist doordat zij met de westerse canon worden geconfronteerd hervinden zij vaak zichzelf en hun eigen specifieke muzikale uitdrukkingstaal. Kijken wat er is en dat tot bloei laten komen — ik denk dat dat een gezondere uitgangssituatie is dan vroeger. De muziek van nu is helemaal niet hermetisch, er zijn juist steeds meer componisten die willen communiceren.”

Op 20 december gaat van Jeths het nieuwe Blokfluitconcert in première, geschreven in opdracht van NTR Zaterdagmatinee voor Erik Bosgraaf, met het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Markus Stenz. Concertgebouw Amsterdam, 14.15u.

[kadertekstje]
 Jeths over Glenz (1993), geschreven in opdracht van Nieuw Sinfonietta Amsterdam “De titel is jargon uit de computerwereld en is een verbastering van glance, wat staat voor een geometrische situatie waarin je alle vlakken tegelijkertijd kunt zien. Elke toon die de violist speelt kan worden gedubbeld met één van de tonen van het verstemde orkest. Er ontstaat een diepe klank met enorm veel boventonen. Juist door die open klanken is het een heftig, expressief stuk geworden.” Glenz werd uitgekozen tot de Canon van de Nederlandse muziek.

Tip: in mei volgde journalist Guido Spring Jeths rondom de première van een nieuw werk. Hier is dit terug te beluisteren.


Originally published at jairtchong.wordpress.com on September 26, 2015.