Member preview

Piet Mondriaan: improviseren op basis van vakmanschap

Mondriaan en jazz is een bekende combinatie. Hans Janssen is hoofdconservator van het Gemeentemuseum Den Haag en auteur van een nieuwe biografie over Piet Mondriaan. Hierin keert Janssen zich met verve tegen de aloude visie op Mondriaan als wereldvreemde kluizenaar. Jazz dampt van de pagina’s.

Tekst Jaïr Tchong (eerder verschenen in Jazzism)

Wanneer ik het Gemeentemuseum Den Haag binnenwandel hoor ik nog net het staartje van een felle telefonische discussie over ‘vermeend antisemitisme bij Mondriaan’. Het boek ligt al een half jaar in de boekwinkels, maar aan Mondriaanduiding doet Hans Janssen permanent en via alle kanalen.

Mondriaan keek op een volstrekt andere manier tegen de jazz en de Afro-Amerikaanse cultuur aan dan velen. Hij was wars van alle uiterlijkheden en van oppervlakkige, racistische kanten wilde hij niets weten. Zijn interesse was oprecht. Hij wist alles over de nieuwste trends en was in staat de echte kwaliteit van de loutere opwinding te scheiden.
(Een nieuwe kunst voor een ongekend leven, p. 101)

Twee jaar en vier maanden heb je aan dit boek gewerkt, drie of vier maanden was het plan. Je voelt als lezer de persoonlijke fascinatie voor Mondriaan. Waar komt die drive vandaan?
“Ik wilde al die kennis over Mondriaan een plek geven. In twintig jaar heb ik zoveel materiaal verzameld. Ik zag ineens de contouren van een hele interessante man. Tijdens het Modernisme werd de persoon van de kunstenaar onder het tapijt geschoven. Ik dacht: die man is juist wél interessant, zijn persoonlijk leven maakt de kunst nog interessanter. Om een voorbeeld te noemen: ik sprak eens met een Mondriaanexpert, op zoek naar informatie over een 18-jarig meisje dat verliefd was op de toen 60-jarige Mondriaan. Die expert kwam meteen met een map vol documentatie: werkelijk alles wat er over die vrouw bekend is. Maar dat deed er voor de Modernisten niet toe. Dat behoorde geen plek te krijgen in de perceptie van Mondriaan.”

Je neemt de lezer mee in Mondriaans werkwijze, tot in zijn hoofd.
“Ik wil zo dicht mogelijk bij de kunstenaar blijven en laten zien hoe dit kunstenaarshoofd denkt. Dat is: vooral op basis van vakmanschap improviseren. Een kunstenaar is vaak helemaal niet op zoek naar iets radicaal nieuws, het is meer een kwestie van panisch proberen iets te maken dat hem zelf bevalt. Mondriaan was heel concreet bezig om met verf iets van universele waarde te maken. Niet de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, maar iets wat daar bovenuit stijgt. Iets wat een schoonheid vertegenwoordigd die we allemaal kunnen ervaren. Iets dat zich vanuit het schilderij rechtstreeks in jouw hoofd nestelt en waar zoiets als esthetische genoegdoening op volgt.”

‘De Jazz en de Neo-plastiek scheppen reeds een omgeving waar kunst en filosofie opgaan in rythme dat geen vorm aanneemt, dus “open” is.’ (december 1927)
(Een nieuwe kunst voor een ongekend leven, p. 425)

Zo beschreven doet dit sterk aan de praktijk van een jazzmusicus denken.
“De parallel met muziek is evident: al improviserend kom je op nieuwe vormen, een nieuwe beeldtaal. Je vindt niet wat je zoekt, je zoekt wat je vindt. Dat heeft Mondriaan zijn hele leven gedaan, zowel in zijn vroege werken als later. De vuurtoren bij Westkapelle, met die lucht van schapenwolkjes — dat is eigenlijk ook al een structuur.”

Mondriaan wordt algemeen gezien als conceptueel kunstenaar, zoals veel kunstenaars tegenwoordig werken.
“Klopt. Maar ik wil juist een kunstenaarsschap laten zien dat puur intuïtief is, dat leeft van het genieten van het tekenen en het schilderen, de verftoets en de geur van terpentijn. Dat is iets wat in de praktijk van vandaag, en trouwens ook in de kunsthandel, vaak wordt vergeten. Tegenwoordig wordt iets afgekeurd als het geen uitspraak doet over één of andere misstand in de werkelijkheid. Juist kunst die intuïtief tot stand komt en die laat zien wat een sterveling vermag op het gebied van de schoonheid — dat is al een politieke uitspraak.”

Wat heeft het oude beeld doen laten onstaan, waarom wordt Mondriaan vaak zo cerebraal beschouwd?
“Dat heeft te maken met een generatie kunsthistorici die zijn standen stukbeet op het onbekende. In 1956 is de eerste biografie verschenen van iemand die vijf jaar lang bij hem over de vloer kwam. Deze biograaf wilde de code kraken. Mondriaan stond erbij te lachen: ‘er is geen concept!’ Maar men ging door op die weg, en bleef op zoek naar zijn methode. Dat komt in alle kunstvormen voor, inderdaad ook in de muziek. Uit bewondering wil je doordringen tot de kern van de zaak, dat geldt voor de liefde en dat geldt voor de kunst.”

Wat is het eerste moment waarop jazz van belang is in Mondriaans leven?
“In mijn boek gaat het eigenlijk meer over Mondriaan en muziek in het algemeen. In 1898 krijgt hij aan de universiteit van Leiden een bijbaantje, waarvoor hij moet turen door de microscoop naar bacteriën en virussen, en die dan keurig natekenen. Hij sluit vriendschap met de professor, komt daar over de vloer en de vrouw van die professor blijkt zeer muzikaal. Mondriaan is dan 26 jaar oud en gaat met deze mevrouw op concertbezoek in de Leidse Gehoorzaal en het Amsterdamse Concertgebouw. In conversatie met haar leert hij dat je over muziek van gedachten kunt wisselen. We hebben geen enkele aanwijzing dat hij thuis iets muzikaals meekreeg, dus ik vermoed dat dit voor Mondriaan een bevrijding was. Hij woont in Amsterdam waar tot 1924 dansen in het openbaar verboden is. Alleen op de Zeedijk wordt gedanst, omdat de politie daar niet durft te komen. En onder het mom van ‘verenigingsverband’ wordt er in achterafzaaltjes gedanst. Juist het verbodene interesseert Mondriaan bijzonder.”

“In Nederland is bij mijn weten voor 1920 geen spoor van jazz te vinden, maar al in 1909 is Mondriaan bezig met dansen en zeker ook de meer populaire muziekvormen. Hij weet van Bach, Beethoven, Mahler, Saint-Saëns. In 1912 komt hij de componist Jakob van Domselaer tegen, die dan nog compositie studeert bij Ferruccio Busoni in Berlijn. In 1912 is Mondriaan in Parijs en raakt daar geïnteresseerd in wat de Futuristen (kunststroming, red.) doen. We hebben een aanwijzing dat hij voor 1914 al van de Amerikaanse muzikale tradities wist.”

“Mondriaan was een kind van zijn tijd, de oren altijd open, heel enthousiast over het nieuwste. Ook over fotografie: om zijn werken te fotograferen, en zijn atelier. Hij was al vroeg ook heel erg met radio bezig, waarvan hij snel doorheeft dat het niet alleen de waardering van de muziek zal veranderen, maar ook de hele muziekpraktijk. Muziek is nu oneindig heruitvoerbaar. Om het te doorgronden kun je het nu noot voor noot reproduceren. Dat is geweldig, maar niet als het daarbij blijft. Je moet ook zelf tot een muzikale uitspraak kunnen komen, de vrije, improvisatoire ruimte zoeken.”

In je boek is er een diepgaande connectie tussen de figuratieve en nonfiguratieve Mondriaan.
“Ik laat zien dat er geen verschil is tussen die vroege landschappen en die latere abstracte meesterwerken. Techniek is het allerbelangrijkste wat een kunstenaar drijft, maar jammer genoeg is vaak niemand daarin geïnteresseerd. Twee kunstenaars van nu hebben me enorm geholpen bij de research. Ik kan zelf niet tekenen of schilderen, maar ik vind het geweldig om te kijken en te reconstrueren wat een kunstenaar precies doet. In het ambachtelijke maken, en mijn reconstructie daarvan, zit ook heel veel van het plezier van het kijken.”

‘In onze dagen verschijnt de jazzband, die korte metten durft te maken met de melodie en door droge, ongewone geluiden tegen de ronde klank durft te opponeren. Hoewel de oude instrumenten nog niet zijn afgeschaft, zet men er niettemin andere, modernere tegenover. De traditionalisten kunnen nog zo tegensputteren, de nieuwe tijdgeest is in opmars en niets zal hem tegenhouden.’
(Een nieuwe kunst voor een ongekend leven, p. 83)

Een speculatieve vraag: welke muziek zou Mondriaan tegenwoordig interessant hebben gevonden?
“Harry Cooper, conservator hedendaagse kunst bij de National Gallery in Washington, schreef een dissertatie over Mondriaan en muziek. Ik vroeg hem dit ooit. Volgens Cooper zou Mondriaan nu zijn gevallen voor de meest radicale vormen van house. Zelf denk ik dat hij verder was gegaan op de lijn Thelonious Monk, Ornette Coleman, Eric Dolphy, Albert Ayler en ICP Orchestra — dat acht ik waarschijnlijker.”

Je bent de broer van Guus Janssen, de bekende componist en opvolger van Misha Mengelberg in het Instant Composers Pool Orchestra. Had dat een invloed op het boek?
“Bij bepaalde passages heb ik Guus zeker gevraagd voor advies. Bijvoorbeeld bij die discussie over Schönberg en de abstracte traditie in de hedendaagse klassieke muziek. Een gesprek met Jan Erik van Regteren Altena, violist bij het Mondriaan Kwartet, en Guus samen is denk ik het belangrijkste geweest. Voor Jan Erik is ritme opeenvolging in de tijd, voor Guus is het een structuur in de tijd. Die conversatie bleek heel belangrijk voor mijn denken over hoe Mondriaan omging met ritme.”

Hans Janssen, Piet Mondriaan — Een nieuwe kunst voor een ongekend leven (Amsterdam, Hollands Diep, 2016). Tot en met 24 september 2017 is in het Gemeentemuseum Den Haag (naast de vaste collectie) de tentoonstelling De ontdekking van Mondriaan te zien.

Dit artikel verscheen eerder in Jazzism #5, september/oktober 2017, p. 44–47.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.

Responses
Only members of Medium may see responses to this story.