Verdwalen in duistere doolhoven

Al van jongs af aan heb ik er moeite mee om me neer te leggen bij de eindigheid van de wereld. Niet dat ik ontevreden was met wat het leven mij bood, integendeel, ik was een vrolijk kind, maar ik zocht wel altijd naar meer dan wat er was. Ik herinner me dat ik net zo lang over een stukje plakband wreef dat onder een bepaalde hoek een soort magische, parelmoerachtige glans verscheen, een glans die op een of andere manier zicht bood op een andere wereld. Een wereld die duisterder, mysterieuzer en betekenisvoller was.

Zulke werelden zocht ik ook in boeken. Dat paste eigenlijk beter bij het luie kind dat ik was. Dan hoefde ik niet zelf over plakband te wrijven. In een boek vond je de werelden gewoon kant-en-klaar tussen twee kaften. De wereld waaraan ik de sterkste herinneringen bewaar is die van Het oneindige verhaal van Michael Ende. Er bestaan foto’s van mij waarop ik in de late middagschemering van de kerstvakantie in mijn pyjama op de bank lig met het weelderig geïllustreerde boek voor mijn neus.

Misschien is het niet toevallig dat Het oneindige verhaal nu net het vermogen van boeken om een lezer naar een andere wereld te voeren thematiseert. De hoofdpersoon van het verhaal, Bastiaan, leest een boek over een denkbeeldig parallel universum genaamd Fantasia dat hem zo sterk betovert dat hij uiteindelijk zelf als personage in die wereld belandt.

Een in al zijn eenvoud treffende metafoor voor wat er met mij als jongetje van 8 of 9 gebeurde. Tijdens het lezen was ik net als Bastiaan in Fantasia. Het was een wereld die mij in haar ban hield omdat hij, jawel, duisterder, mysterieuzer en betekenisvoller was. Vooral dat duister was belangrijk. Het oneindige verhaal was waardeloos geweest als Fantasia niet werd bedreigd door het Grote Niets dat steeds verder oprukte en de aanvankelijk nog lieflijke sprookjeswereld in een uitdijend zwart gat deed veranderen.

De jaren gingen voorbij. Ik ging naar de middelbare school. Daar bleek al snel dat boeken over andere werelden niet meer helemaal gepast waren. Als gymnasiast moest je zo stilaan wennen aan boeken voor volwassenen, romans heetten die, en romans gingen meestal niet over andere werelden, maar over deze wereld. Ergens vond ik dat wel spannend: een roman als Gimmick! van Joost Zwagerman, die ik op mijn dertiende las, spiegelde mij een duistere rock-’n-rollwereld voor die weliswaar echt leek te bestaan, in het verre Amsterdam, maar die mij volledig vreemd was en daarom toch ook een magische aantrekkingskracht op mij had.

Maar in de jaren die volgden trad toch langzaam een soort teleurstelling in. Ik had het gevoel alsof ik als puber niet alleen werd verbannen uit het mysterieuze paradijs van mijn kindertijd, maar evenzeer uit dat van de fictie. Ik belandde in de bleke realiteit van mijn eigen, nog vormeloze leven — en er was geen boek meer dat mij een aantrekkelijk alternatief bood. Romans gingen over de oorlog, over de liefde, over de maatschappij. En als ze al over fantasiewerelden gingen, dan vond ik ze ineens slecht geschreven. Of gewoon oninteressant. Iemand raadde mij de boeken van Tolkien aan, daar zat toch ook wel wat duister en wat mysterie in. Maar het boeide me niet meer.

Waarom werd ik niet langer betoverd door boekenwerelden? Waarom kon ik niet meer verdwalen in magische doolhoven? Was dat wat volwassen worden met je deed? Was dat wat de onttovering van je eigen leven met je deed? Ontstond er een te grote discrepantie tussen de werkelijke wereld en de wereld van het boek?

Het maakte allemaal niet zo heel veel uit. Ik moest gewoon door met mijn leven. Ik las voor mijn lijst. Vermaakte me — zeker — met Van der Heijden, met Von Hofmannstahl, met Kafka, met Modiano. Vond hier en daar een glimpje betovering. Maar was al met al toch wel teleurgesteld in de eindigheid van de wereld.

Dat ik na mijn eindexamen Literatuurwetenschap ging studeren, suggereert dat ik de hoop toch niet opgaf. Voor een derdejaars vak werd ik geacht Het slot van Franz Kafka te lezen. Het proces had ik al op de middelbare school gelezen, voor Duits, en dat vond ik geweldig, maar mijn bewondering had als zestienjarige toch vooral te maken met een soort dweepzucht. Kafka stond in mijn beleving voor een bepaalde bohémien-achtige levensstijl, een manier van leven waarin fantasie en intellectualisme hand in hand gingen, en waarin het duiden van literaire symboliek tot de belangrijkste bezigheden behoorde. En boy o boy, er viel heel wat te duiden in Kafka. Maar raakte Het proces me, op mijn zestiende? Ik denk het niet.

Op mijn tweeëntwintigste was dat heel anders. Vanaf de eerste pagina realiseerde ik me dat Het slot me voor het eerst sinds mijn kindertijd weer in een wezenlijk andere, duistere, betekenisvolle wereld bracht. Het was alsof ik thuis kwam, en toch ook weer helemaal niet. Want nergens anders ben je verder van huis dan in Het slot. De hoofdpersoon, landmeter K., verdwaalt meer dan 400 pagina’s lang hopeloos in een slot dat uittorent boven een niet nader omschreven dorp, een slot van waaruit kennelijk een soort totalitair bewind wordt gevoerd over de dorpen in de omtrek. K. probeert in het toegang te krijgen tot een functionaris die zijn aanwezigheid in het dorp kan erkennen, en die hem opheldering kan geven over zijn precieze functie binnen het slot.

De herkomst van de term ‘kafkaësk’ ligt voor een groot deel in dit verhaal: K. wordt ad absurdum van het kastje naar de muur gestuurd in een slot dat steeds nachtmerrieachtiger vormen aanneemt. Tijdens het lezen raakte ik net als K. volkomen de weg kwijt in de ontelbare gangen en kamers van het slot. Hoe amechtiger zijn pogingen om het centrum van de macht te bereiken, des te verder lijkt K’s doel uit het zicht te verdwijnen. Er zijn geen antwoorden.

Net als in Het oneindige verhaal kwam ik pakweg vijftien jaar later in Het slot terecht in een duistere, betekenisvolle, schijnbaar eindeloze doolhof voorbij de grens van de werkelijke wereld. Voor het eerst in vijftien jaar had ik weer het gevoel dat oneindigheid binnen bereik lag. Ik voelde me bevrijd.

Wat deed Het slot met me dat bijvoorbeeld Het proces, zes jaar eerder niet kon? Waar zat hem dat in? In het boek zelf? Of ook in de verschillen tussen twee versies van mezelf? Allebei, denk ik nu.

In de eerste plaats is Het slot natuurlijk een van de supermeesterwerken uit de literatuur. Kafka slaagt er in deze roman in om een parallelle wereld te scheppen die ver genoeg afligt van de werkelijke wereld om tegemoet te komen aan mijn zucht naar het vreemde, het duistere, het onverklaarbare — maar tegelijkertijd blijft Het slot dicht genoeg bij de echte wereld om geloofwaardig te blijven. En om het duister ook echt duister te laten voelen. De dwaalwegen van landmeter K. lijken verdacht veel op de dwaalwegen die we zelf zo nu en dan maken door ons eigen leven, maar vooral ook door onze eigen gedachten.

En dat was waar mijn 22-jarige zelf afweek van de puber van zes jaar eerder. Ik had in de voorbije jaren blikken moeten werpen in de afgronden van mijn eigen ziel, zoals dat gaat in een adolescentie. Ik had in mijn eigen hoofd door duistere doolhoven gedwaald, en in Het slot zag ik de verwezenlijking van dat duister. In tegenstelling tot wat ik vreesde, na jarenlange blootstelling aan realistische bleekheid, waren ook romans voor volwassenen uitstekend in staat om werkelijk raadselachtige werelden te creëren.

Het grote verschil met Het oneindige verhaal was dat je niet meer naar buiten maar naar binnen moest kijken. Het afgrondelijke duister zat niet meer in Fantasia, maar in mijn eigen hoofd. En nu ik dat begreep stond niets me meer in de weg om ook van volwassen literatuur te genieten. Zolang die literatuur maar doolhoven bleef scheppen die raakten aan de doolhoven in mijn geest.

Show your support

Clapping shows how much you appreciated Jelte Nieuwenhuis’s story.